Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:7847

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
13-208218-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam verklaart officier van justitie niet ontvankelijk in vordering Europees aanhoudingsbevel wegens detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 december 2024 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, geboren in 1981 in Polen, werd verdacht van strafbare feiten en zat gedetineerd in Nederland.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat er een algemeen en individueel reëel gevaar bestaat dat de grondrechten van de opgeëiste persoon worden geschonden bij overlevering aan Polen, met name vanwege de detentieomstandigheden. De rechtbank vroeg de Poolse autoriteiten om nadere informatie over de detentieomstandigheden, waaronder de persoonlijke ruimte en bewegingsvrijheid.

De ontvangen antwoorden bevestigden dat de minimale persoonlijke ruimte 3 m² bedraagt en dat de gedetineerde minimaal één uur per dag buiten de cel kan verblijven, afhankelijk van deelname aan activiteiten. Deze garanties waren onvoldoende om het individuele gevaar weg te nemen. De rechtbank concludeerde dat geen gewijzigde omstandigheden waren die het gevaar konden wegnemen.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Overleveringswet (OLW) werd daarom geen gevolg gegeven aan het EAB. De officier van justitie werd niet ontvankelijk verklaard in haar vordering, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering tot overlevering wegens het individuele gevaar van schending van grondrechten bij detentie in Polen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-208218-24
Datum uitspraak: 10 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 1 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 mei 2020 door
the Circuit Court in Katowice V Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
gedetineerd in de [P.I.]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 21 augustus 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen, advocaat in Eindhoven en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 4 september 2024
Onder verwijzing naar een tussenuitspraak van 5 juni 2024 [3] heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 september 2024 [4] in deze zaak geconcludeerd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen.
In laatstgenoemde tussenuitspraak is het onderzoek heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het
remand regimeis aangenomen, dit gevaar – al dan niet met een individuele detentiegarantie – voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het
remand regimekan worden weggenomen, heeft de rechtbank verzocht om antwoord op vijf vragen over de detentieomstandigheden in het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.
De rechtbank heeft ook de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid (oud), OLW), onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming (artikel 27, derde lid, OLW).
Zitting 10 oktober 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 10 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen, advocaat in Eindhoven. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
De rechtbank heeft de termijn die gelet op artikel 22, tweede lid, OLW op 3 juli 2024 is aangevangen en waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [5] Tegelijkertijd is de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW verlengd.
Tussenuitspraak van 24 oktober 2024
De rechtbank heeft geoordeeld dat ook in het individuele geval van de opgeëiste persoon sprake is van een gevaar van schending van zijn grondrechten wanneer hij na zijn overlevering in het
remand regimein Polen terechtkomt, nu er door de Poolse autoriteiten geen antwoorden zijn gegeven op aanvullende vragen van de officier van justitie in het kader van het individueel gevaar voor de opgeëiste persoon.
Het onderzoek is heropend en geschorst en waarbij de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW heeft aangehouden alsmede de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn heeft vastgesteld op maximaal
30 dagen.
Daarnaast is de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW met 60 dagen verlengd en onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 26 november 2024
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB - met toestemming van partijen - in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 26 november 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak 4 september 2024

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 4 september 2024 waarin zij heeft geoordeeld over (onder 3) de grondslag en inhoud van het EAB, (onder 4) de strafbaarheid, (onder 5) de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, (onder 6) de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW en (onder 7) de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro en onder over de Poolse rechtsstaatproblematiek. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 8.2 van de tussenuitspraak van 4 september 2024 [6] en onder punt 4. van de tussenuitspraak van 24 oktober 2024 [7] , welke overwegingen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd en waarin staat uiteengezet en toegelicht dat de rechtbank oordeelt dat sprake is van een algemeen en van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen.
De rechtbank heeft geconstateerd dat op 17 oktober 2024 aanvullende informatie is gestuurd door de Poolse autoriteiten naar aanleiding van de door het Openbaar Ministerie op 7 oktober 2024 gestelde vragen. Het onderzoek ter zitting was op dat moment reeds gesloten.
Bij de tussenuitspraak van 24 oktober 2024 is door de rechtbank een redelijke termijn gesteld omdat het mogelijk is dat omstandigheden nog wijzigen die het gevaar voor opgeëiste persoon op schending van zijn grondrechten kan wegnemen. Naast de genoemde informatie van 17 oktober 2024 is geen nadere informatie van de Poolse autoriteiten meer ontvangen.
Standpunten
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het EAB geen gevolg moet worden gegeven. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De Poolse autoriteiten hebben op 17 oktober 2024 onder meer de volgende informatie verstrekt:
“1. If Mr [opgeëiste persoon] will be be transfered by plane, will be located at first in Detention Facility in Warsaw Służewiec (Areszt Śledczy Warszawa Służewiec). Later, after transporting him to prosecutor supervising investigation (Silesian Branch Division of Organised Crime and Corruption Section of the State Presecutor’s Office in Katowice) ), he will be placed in Detention Facilty in the city of Katowice or Mysłowice (Areszt Śledczy w Katowicach or Areszt Śledczy w Mysłowicach)

2. Yes I confirm, that the information attached to e-mail (annex II and Annex III) with regard to the answers to abovementioned questions 1 - 3 is applicable to Mr [opgeëiste persoon] .

3. At that moment Polish law provides minimal personal prisoner’s space, which means

3 meters. In practice the prisoners have more space. Polish Ministry of Justice in connection with the report of Council of Europe (suggesting min 4 - 6 metrów) prepares changes in executive criminal code for 4 metres .

4. Mr [opgeëiste persoon] would spend at least one hour outside the cell per day during one hour long walk. He would spend more time, but it will depend on participation in classes and activities he chooses.

5. The prosecutor or judge is obliged to immediately consider the prisoner’ s request for the visit or telephone call (include or not).”

De rechtbank overweegt ten aanzien van persoonlijke ruimte:
De Poolse autoriteiten garanderen op dit moment 3m2 persoonlijke ruimte. Het feit dat het Poolse ministerie van justitie in voorbereiding is om veranderingen door te voeren voor 4 m2 is een positieve ontwikkeling, maar dit is niet relevant voor de beoordeling in deze zaak.
Ten aanzien van bewegingsvrijheid buiten de cel overweegt de rechtbank als volgt.
De Poolse autoriteiten garanderen dat de opgeëiste persoon ten minste één keer per dag buiten de cel verblijven tijdens een wandeling van een uur. De opgeëiste persoon kan meer tijd buiten zijn cel verblijven, maar dit is afhankelijk van deelname aan activiteiten. Uit de informatie blijkt niet in hoeverre deze activiteiten gegarandeerd zijn als een gedetineerde zich daarvoor aanmeldt of hoe vaak er dergelijke activiteiten worden georganiseerd.
Naar het oordeel van de rechtbank is het reeds vastgestelde individuele gevaar niet weggenomen door de op 17 oktober 2024 gegeven antwoorden. Ook is niet op een andere manier gebleken van gewijzigde omstandigheden terwijl de gegeven termijn inmiddels is verstreken. Aan het EAB zal dan ook ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven.
Dit betekent dat de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering. Hierdoor wordt de overleveringsprocedure beëindigd. [8]

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat de opgeëiste persoon bij overlevering het risico loopt op schending van zijn grondrechten wordt op grond van artikel 11, vierde lid OLW in samenhang met artikel 28, derde lid, OLW geen gevolg gegeven aan het EAB.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

7.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW.
HEFT OPde overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
4.Rechtbank Amsterdam, 4 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5612.
5.Zie artikel 22, vijfde lid, OLW.
6.Rechtbank Amsterdam 4 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5612.
7.Rechtbank Amsterdam 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6503
8.Zie artikel 28, derde lid, OLW.