AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende partijdigheid
IMR Solutions B.V. heeft op 3 januari 2024 een wrakingsverzoek ingediend tegen kantonrechter J.H.J. Evers van de rechtbank Amsterdam. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid van de rechter in een lopende bodemprocedure.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413). Hierin is bepaald dat een rechterlijke beslissing op zichzelf geen grond voor wraking kan zijn, tenzij de motivering objectief als blijk van vooringenomenheid kan worden beschouwd.
De wrakingskamer concludeerde dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is omdat het uitsluitend gebaseerd was op een rechterlijke beslissing, en dat het verzoek lichtvaardig en zonder voldoende grond was ingediend. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd bepaald dat verdere wrakingsverzoeken van verzoekster niet in behandeling worden genomen.
De beslissing werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 3 januari 2024 en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen kantonrechter J.H.J. Evers is afgewezen en verdere wrakingsverzoeken van verzoekster worden niet in behandeling genomen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op 3 januari 2024 gedane en onder rekestnummer C/13/744586 / HA RK 24-02 ingeschreven verzoek van:
de besloten vennootschap IMR Solutions B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekster,
gemachtigde mr. B.A. Mol,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.H.J. Evers, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1.Verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
het proces-verbaal van 3 januari 2024 inhoudende het wrakingsverzoek.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
2.De feiten en het verzoek
2.1.
Blijkens het proces-verbaal heeft mr. Mol onder meer verklaard: “Ik hoor u zeggen dat er geen bezwaren zijn om de bodemprocedure aan te houden, maar dat u wel over de voorlopige voorziening wil spreken gezien het spoedeisend karakter. Daartoe ben ik echter niet bereid en daarom wraak ik u.”
3.De beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 36 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.4.
Het bezwaar van verzoekster betreft een beslissing van de rechter. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
3.5.
Omdat verzoekster het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder grond, heeft ingezet, is naar het oordeel van de Wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking van de rechter(s) belast met de behandeling van deze zaak van verzoekster niet in behandeling worden genomen.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter(s) belast met de behandeling van deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, L. Voetelink en T.L. Fernig-Rocour, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.