Met betrekking tot het spaargeld heeft de vrouw aangevoerd dat zij van haar moeder een gift heeft ontvangen. De man heeft dit niet betwist, zodat dit voor de rechtbank een afdoende verklaring is voor het spaargeld van de vrouw.
Blijkens de aangiften Inkomstenbelasting 2021 en 2022 had de vrouw een omzet van € 29.039,- in 2021 en € 31.620,- in 2022, met respectievelijke winsten uit onderneming van € 13.092,- en € 14.319,-. In 2021 ontving de vrouw daarbij nog een bedrag van € 5.000,- aan bijstandsuitkering. Over 2023 heeft de vrouw geen financiële gegevens overgelegd.
Blijkens de IB 2020 en 2021 had de vrouw in 2021 € 14.720,- en in 2022 € 18.528,- aan bedrijfskosten. De vrouw heeft ter zitting meegedeeld dat zij haar huurwoning deels als bedrijfsruimte gebruikt en een bedrag van € 550,- tot € 600,- p.m. dus maximaal € 7.200,- op jaarbasis (voor huur en energie) als bedrijfskosten aftrekt. In genoemde IB aangiften staan echter hogere bedragen vermeld voor huisvestingskosten. Verder heeft de vrouw gesteld dat zij kosten heeft voor oliën en crèmes voor haar werk, zonder dit te specificeren. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende verklaring gegeven voor de (hoge) resterende bedragen aan bedrijfskosten van € 11.328,- in 2022 en € 7.520,- in 2021. Verder is niet duidelijk hoe de vrouw met een inkomen van in totaal nog geen € 1.900,- (€ 1.100,- p.m. plus kinderbijdrage € 285,- en kindgebonden budget € 500,- p.m.) de huur van € 1.185,-, bijlessen van € 438,-, paardrijlessen en pianolessen kan betalen en daarnaast nog in de dagelijkse kosten van verzorging kan voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom aanleiding te veronderstellen dat de vrouw meer inkomen tot haar beschikking heeft dan enkel de fiscale winst uit onderneming zoals die blijkt uit haar aangiften IB.
De vrouw heeft ter zitting voorts verklaard dat zij meer te besteden heeft, omdat zij “maximaal aftrekt van de belasting”. Ook uit de toekenning van het kindgebonden budget valt af te leiden dat de vrouw bij de fiscus heeft opgegeven een hoger inkomen te hebben, namelijk € 15.000,-. De rechtbank ziet, gelet op al deze omstandigheden, aanleiding om het inkomen dat de vrouw redelijkerwijs zou kunnen verdienen te schatten op € 17.500,- bruto per jaar.