Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:8475

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
13/286983-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 december 2024 het verzoek tot overlevering van een Poolse opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De procedure kende meerdere zittingen, waaronder een tussenuitspraak waarin reeds werd vastgesteld dat het EAB aan de formele eisen voldeed en dat de strafbaarheid van de feiten was gegeven.

De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), dat een weigeringsgrond inhoudt indien de opgeëiste persoon niet adequaat is vertegenwoordigd in de procedure die tot het vonnis heeft geleid. De verdediging voerde aan dat de advocaat die de procedure in hoger beroep voerde niet uitdrukkelijk gemachtigd was en dat de adresinstructies niet golden voor die procedure, waardoor de overlevering geweigerd zou moeten worden.

De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon wel degelijk vertegenwoordigd was door een gemachtigde advocaat, die op zijn beurt een plaatsvervangend advocaat had benoemd. Dit werd bevestigd door informatie van de Poolse autoriteiten. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon was onvoldoende om aan deze informatie te twijfelen. Ook het evenredigheidsverweer, dat betrekking had op de zorgverantwoordelijkheden van de opgeëiste persoon, werd afgewezen omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren.

Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg stonden en dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen. De overlevering werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks het verweer op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/286983-24
Datum uitspraak: 10 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 13 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1] Dit EAB is uitgevaardigd op 27 augustus 2024 door
the District Court in Wrocław,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] (Polen)
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRB-adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 31 oktober 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman,
mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 14 november 2024
Het onderzoek ter zitting is heropend onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank inzake
artikel 12 OLW Pro geformuleerde vragen aan de Poolse autoriteiten voor te leggen.
Zitting van 26 november 2024
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 26 november 2024 in aanwezigheid van
mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 14 november 2024

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 14 november 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:7131) beslissingen genomen over de grondslag van het EAB en over de strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht. Voorts heeft de rechtbank de gevoerde verweren inzake artikel 11 OLW Pro en de evenredigheid verworpen.
De betreffende overwegingen 3, 5, 6 en 7 van de voornoemde tussenuitspraak worden in deze uitspraak als herhaald en ingelast beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
In de tussenuitspraak van 14 november 2024 heeft de rechtbank vastgesteld dat enkel de procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van 28 maart 2022 met kenmerk
IV Ka 1540/21aan artikel 12 OLW Pro getoetst dient te worden.
Voorts heeft de rechtbank in deze tussenuitspraak vastgesteld dat zij meer informatie nodig heeft alvorens zij een beslissing kan nemen of voor wat betreft de procedure in hoger beroep is voldaan aan het vereiste van artikel 12 OLW Pro. De rechtbank heeft hiertoe het onderzoek heropend en geschorst om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:
1.
Was de advocaat, die tijdens de procedure in hoger beroep (die heeft geleid tot het arrest met kenmerk IV Ka 1540/21) namens de opgeëiste persoon de verdediging heeft gevoerd, hiertoe door de opgeëiste persoon ook uitdrukkelijk gemachtigd?
2.
Is de opgeëiste persoon, toen hij zijn adres doorgaf tijdens de ‘preparatory proceedings’, op de hoogte geraakt of gebracht van de concrete beschuldiging (op basis waarvan hij uiteindelijk ook veroordeeld is) en dat hij daarvoor strafrechtelijk zou (kunnen) worden vervolgd?
3.
Is de opgeëiste persoon voor de procedure in hoger beroep (die heeft geleid tot het arrest met kenmerk IV Ka 1540/21) opgeroepen op het door hem in de ‘preparatory proceedings’ opgegeven adres ( [adres] ), en zo ja, op welke wijze heeft deze oproeping plaatsgevonden?
4.
Gold de aan de opgeëiste persoon tijdens de ‘preparatory proceedings’ gegeven adresinstructie (inhoudende dat hij elke adreswijziging door moest geven aan de Poolse autoriteiten, omdat berechting anders in zijn afwezigheid plaats zou kunnen vinden) ook voor de procedure in hoger beroep? Zo ja, is hij hier uitdrukkelijk op gewezen?
Bij e-mail van 15 november 2024 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een reactie gestuurd op bovenstaande vragen.
Standpunt raadsman
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is van toepassing en op grond daarvan moet de overlevering worden geweigerd. De situatie als bedoeld onder artikel 12 onder Pro b OLW doet zich niet voor aangezien niet duidelijk is of de advocaat gedurende de procedure in hoger beroep is gemachtigd. Bovendien heeft deze advocaat een andere advocaat aangewezen om de opgeëiste persoon bij te staan en is er geen bewijs dat de opgeëiste persoon in zijn machtiging daartoe toestemming had gegeven. Daarnaast kan de rechtbank niet afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro aangezien de gegeven adresinstructie zich niet uitstrekt over de procedure in hoger beroep.
Standpunt officier van justitie
De opgeëiste persoon heeft zijn advocaat gemachtigd en deze machtiging gold ook voor de procedure in hoger beroep. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het doorgeven van een machtiging aan een andere advocaat in beginsel de verdedigingsrechten niet schaadt.
Primair stelt de officier van justitie zich dan ook op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro zich niet voordoet aangezien de situatie als bedoeld in artikel 12 onder Pro b OLW van toepassing is. Subsidiair kan de rechtbank afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro, aangezien blijkens de aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit de aan de opgeëiste persoon gegeven adresinstructie zich ook uitstrekt over de procedure in hoger beroep.
Oordeel van de rechtbank
In de brief van 15 november 2024 verstrekken de Poolse autoriteiten onder meer de volgende informatie:
“The defense attorney of [opgeëiste persoon] , who appeared at the appeal hearing, was a substitute defense attorney appointed by the main defense attorney, i.e. attorney Konrad Pawiński , authorized to defend by Krzysztof Pawiński on 29.06.2020. The authorization granted to attorney Konrad Pawiński by [opgeëiste persoon] enabled him to appoint a substitute defense attorney. The appeal in the case was personally signed by attorney Konrad Pawiński.”
De rechtbank leidt uit deze aanvullende informatie af dat de opgeëiste persoon weliswaar niet zelf aanwezig was bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, maar wel is vertegenwoordigd door een advocaat die daartoe door hem gemachtigd was. De rechtbank oordeelt dat daarmee zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW.
De omstandigheid dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat tijdens de procedure in hoger beroep is waargenomen door een andere advocaat doet daar niet aan af nu uit de verstrekte informatie blijkt dat de door de opgeëiste persoon verstrekte machtiging hiertoe ruimte gaf. Tevens overweegt de rechtbank dat op basis van het vertrouwensbeginsel uitgegaan moet worden van de juistheid van de in het EAB en aanvullende berichten verstrekte informatie van de Poolse autoriteiten en een enkele ontkenning van de opgeëiste persoon niet volstaat om aan die informatie te twijfelen.
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is niet van toepassing. Het verweer wordt verworpen. [3]

5.Evenredigheid

De raadsman heeft de rechtbank wederom verzocht in het kader van de evenredigheid de overlevering te weigeren gezien de verantwoordelijkheid die de opgeëiste persoon heeft over de zorg voor zijn vrouw en zijn zoon en heeft daartoe aanvullende stukken overlegd aan de rechtbank. De rechtbank constateert dat dit verweer een herhaling betreft van het evenredigheidsverweer dat bij de tussenuitspraak van 14 november 2024 onder punt 7. reeds is afgewezen. De overlegde informatie betreft een vertaling van verscheidene medische stukken die de zoon betreffen van de opgeëiste persoon en waarvan de inhoud door de raadsman bij een eerdere zitting reeds mondeling was toegelicht. De rechtbank ziet in de aanvullende stukken geen aanleiding om haar oordeel te herzien dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden en wijst het verweer wederom af.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Wrocław(Polen) voor het feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.