ECLI:NL:RBAMS:2024:852

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 januari 2024
Publicatiedatum
16 februari 2024
Zaaknummer
C/13/733073 / HA ZA 23-419
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens nakoming verkoopafspraak klassieke auto's op autoveiling

In deze civiele zaak vordert eiser nakoming van een mondelinge overeenkomst met CCA over de verkoop van klassieke auto's tegen afgesproken minimumprijzen. In een tussenvonnis was voorshands bewezen dat CCA toestemming had verkregen van eiser om de auto's voor de uiteindelijke verkoopprijzen te verkopen, met mogelijkheid tot tegenbewijs.

Eiser bracht tegenbewijs in, waaronder een verklaring van zijn zwager, WhatsApp-berichten en een SMS-bericht. De rechtbank oordeelt dat deze stukken onvoldoende bewijs leveren dat CCA zonder toestemming heeft gehandeld. De verklaring van de zwager bevestigt juist de afspraak dat onder de minimumprijzen alleen mocht worden verkocht met toestemming van eiser.

De communicatiepogingen van eiser met CCA en het uitblijven van directe reacties vormen geen bewijs van het ontbreken van toestemming. Omdat eiser niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, wordt vastgesteld dat CCA rechtmatig heeft gehandeld. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, inclusief griffierecht en advocaatkosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af wegens onvoldoende bewijs dat CCA zonder toestemming heeft verkocht.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Afdeling privaatrecht
Zaaknummer / rolnummer: C/13/733073 / HA ZA 23-419
Vonnis van 31 januari 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.W.M. Broekmans te Herten,
tegen
BARAKA B.V. handelend onder de naam CLASSIC CAR AUCTIONS,
gevestigd te Uithoorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: CCA,
advocaat: mr. V.I.Y. van den Berg-Verhagen te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 oktober 2023 en de daarin vermelde processtukken,
- de akte van [eiser] van 3 november 2023, met producties,
- de antwoordakte van CCA van 1 december 2023.
1.2.
Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis is voorshands bewezen geacht dat [naam 1] (CCA) over de auto’s heeft gebeld met [eiser] en telkens mondeling toestemming van hem heeft gekregen om de auto’s voor de uiteindelijke verkoopprijzen te verkopen. [eiser] is in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren. (r.o. 4.6).
2.2.
[eiser] heeft bij akte gereageerd. Hij laat daarin weten hij dat hij het niet eens is met de bewijslastverdeling zoals in het tussenvonnis is vastgesteld, maar dat zal hij in een eventueel hoger beroep tegen dat tussenvonnis aan de orde moeten stellen.
2.3.
[eiser] heeft ten behoeve van de bewijslevering nadere producties ingebracht: een verklaring van zijn zwager, [naam 2] , Whatsappberichten uit de periode 2 tot en met 7 december 2022 en een SMS-bericht van 15 november 2022. CCA heeft hierop in haar antwoordakte gereageerd.
2.4.
Uit de door [eiser] ingebrachte nadere producties kan niet worden afgeleid dat de auto’s zonder zijn toestemming zijn verkocht. Hierna wordt uitgelegd waarom niet.
2.5.
[naam 2] is volgens zijn verklaring mee geweest met [eiser] naar CCA en heeft gesproken met [naam 1] . Hij zegt – samengevat – dat hij ook de overeenkomst met CCA heeft getekend waarin de minimumprijzen voor de auto’s waren opgenomen. Hij zegt ook dat deze minimumprijzen inderdaad minimumprijzen waren en dat niet onder deze prijzen verkocht mocht worden, behalve als [eiser] [ [eiser] ] of hij toestemming zouden geven. Aan het te leveren bewijs voegt deze verklaring niets toe. Die geeft alleen weer wat van tevoren is afgesproken met CCA en bevestigt juist dat de auto’s onder de minimumprijs verkocht mochten worden als [eiser] (of [naam 2] ) toestemming zou geven. Hieruit kan dus in ieder geval (nog) niet worden afgeleid dat geen toestemming is gegeven.
Ook het feit dat [eiser] minstens vijf tot zes keer met [naam 1] heeft proberen te bellen, levert geen bewijs op. Ten eerste is onduidelijk wanneer hij dit probeerde, omdat de tijdsaanduiding hierbij in de verklaring van [naam 2] ontbreekt. Daarnaast blijkt uit het feit dat [eiser] op dat moment geen contact kreeg met [naam 1] niet (zonder meer) dat [naam 1] nooit contact heeft opgenomen met [eiser] om de verkoopprijzen van de auto’s te bespreken.
De verklaring van [naam 2] dat [eiser] hem heeft verteld dat [naam 1] nooit heeft teruggebeld, is niet zijn eigen waarneming hierover, maar van horen zeggen. Dat geldt ook voor het slot van de verklaring van [naam 2] dat [eiser] hem heeft verteld dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor de verkoop van de auto’s. Bovendien heeft [naam 2] het hier over ‘de bewuste auto’s’, zodat niet duidelijk is over welke auto’s dit gaat.
Kortom, de verklaring van [naam 2] levert onvoldoende bewijs op dat CCA de auto’s zonder toestemming heeft verkocht.
2.6.
De appberichten van december 2022 en het SMS-bericht van 15 november leveren ook geen bewijs op dat de auto’s zonder toestemming van [eiser] zijn verkocht.
Al deze berichten komen erop neer dat [eiser] [naam 1] meerdere keren heeft gebeld en dat [naam 1] niet of pas veel later reageerde. Dit geeft hoogstens aan dat [naam 1] niet altijd reageerde, wat hij overigens ook deels erkent, maar dat is nog geen bewijs dat [eiser] geen toestemming heeft gegeven.
2.7.
Nu [eiser] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs, staat vast dat CCA de auto’s met zijn toestemming heeft verkocht voor de uiteindelijke verkoopprijzen.
Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat CCA is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
2.8.
[eiser] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van CCA als volgt vastgesteld:
- griffierecht
2.837,00
- salaris advocaat
2.957,50
(2,50 punten × € 1.183,00)
Totaal
5.794,50
2.9.
Hieronder staat welk bedrag [eiser] moet betalen aan nakosten. Dit is een standaard bedrag dat altijd wordt toegewezen aan de in het gelijk gestelde partij, als vergoeding voor kosten van de advocaat en eventuele betekeningskosten die hij of zij nog maakt na dit vonnis.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van CCA tot dit vonnis vastgesteld op € 5.794,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 173,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen met € 90,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten als [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en de uitspraak vervolgens is betekend,
- en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
3.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, rechter in deze rechtbank, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2024.