AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestaan overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel ondanks gedeeltelijk Nederlands grondgebied
De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 november 2024 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank Imperia (Italië) tegen een in Nederland gedetineerde persoon. Het EAB betreft strafbare feiten volgens Italiaans recht, namelijk illegale handel in verdovende middelen, die ook op Nederlands grondgebied deels zouden zijn gepleegd.
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de formele eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat het strafbare feit een lijstfeit is waarvoor geen onderzoek naar dubbele strafbaarheid vereist is. De rechtbank beoordeelde de detentieomstandigheden in Italië aan de hand van recente rapporten en concludeerde dat de algemene detentiegarantie van Italië voldoende waarborg biedt tegen onmenselijke behandeling.
De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 13 OLWPro omdat de feiten gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. De rechtbank oordeelde echter dat deze weigeringsgrond niet van toepassing is, mede omdat het bewijs zich in Italië bevindt, het onderzoek daar is gestart en Nederland geen vervolging beoogt.
De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de detentiegarantie. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië toe ondanks gedeeltelijk gepleegde feiten in Nederland.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/288629-24
Datum uitspraak: 28 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 23 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 augustus 2024 door de Rechtbank Imperia (Italië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedag] 1997,
gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 november 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van Galen, advocaat in Purmerend en door een tolk in de Arabische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Egyptische nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel van de rechter belast met het vooronderzoek van de Rechtbank Imperia van 29 juli 2024 met referentienummer 1393/24 R.G.G.i.p.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Italiaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken overwogen dat op basis van de algemene omstandigheden in zestien Italiaanse detentiecentra sprake is van een reëel gevaar dat gedetineerden daar onmenselijk of vernederend worden behandeld. [4] Gelet op het meest recente rapport van de European Committee for the prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 24 maart 2023 en de actuele gegevens van de non-gouvernementele organisatie Antigone, heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat ten aanzien van zes van die zestien detentiecentra (Centro Penitenziario Napoli Secondigliano, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Turi, Trani vrouwengevangenis, Nuoro) geen algemeen gevaar meer bestond. [5]
Voor het geval de opgeëiste persoon in één van de tien instellingen zal worden gedetineerd waarvan de rechtbank wel een algemeen gevaar heeft aangenomen, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 30 maart 2021 [6] , waarin het volgende is overwogen:
‘’De rechtbank is verder van oordeel dat het inmiddels voldoende vaststaat dat de brieven van 2 en 4 maart 2020 inhoudende een algemene detentiegarantie in elke overleveringszaak geldig zijn, zoals de Italiaanse autoriteiten in bedoelde brieven hebben bevestigd. De rechtbank acht het niet langer noodzakelijk dat voor elke individuele opgeëiste persoon een bevestiging wordt gevraagd bij de Italiaanse autoriteiten.’’
In de algemene detentiegarantie waaraan wordt gerefereerd, is gegarandeerd dat overgeleverde personen niet zullen worden gedetineerd in de zestien detentiecentra waarvoor de rechtbank eerder een algemeen gevaar heeft aangenomen. [7] De Italiaanse autoriteiten hebben in de bedoelde brieven bevestigd dat deze algemene detentiegarantie geldt voor alle door Nederland overgeleverde personen.
Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de informatie uit de verstrekte detentiegarantie, inhoudende dat de opgeëiste persoon niet zal worden gedetineerd in één van de tien hiervoor genoemde detentie-instellingen in Italië.
Artikel 11 OLWPro staat tegen deze achtergrond niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg.
6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLWPro
De raadsman voert aan dat het EAB betrekking heeft op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [8]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat de feiten gedeeltelijk op Italiaans grondgebied zijn gepleegd, het bewijs zich kennelijk in Italië bevindt, het strafonderzoek aldaar reeds is aangevangen en Nederland niet voornemens is om zelf vervolging in te stellen.
De rechtbank constateert dat het EAB inderdaad ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voornoemde uitgangspunten en de argumenten van de officier van justitie, het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.
7.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
9.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan de Rechtbank Imperia (Italië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.