Verzoeker, woonachtig in Duitsland en ondernemer in goederenvervoer, heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend wegens een besluit van 28 december 2020 over zijn verzekering op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Na meerdere aanvragen werd hij per 1 juni 2020 weer verzekerd. Verzoeker stelde schade te hebben geleden door de vertraagde besluitvorming en maakte aanspraak op vergoeding van premies en medische kosten.
De rechtbank oordeelde dat het besluit niet onrechtmatig was omdat de vertraging mede te wijten was aan het feit dat verzoeker niet tijdig de benodigde bewijsstukken aanleverde. Verweerder kon daardoor niet eerder beslissen. De rechtbank concludeerde dat verzoeker onvoldoende onderbouwde dat hij eerder alle benodigde bewijsstukken had verstrekt.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter L.H. Waller op 21 februari 2024.