ECLI:NL:RBAMS:2025:10082

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
71/399867-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor productie van cocaïne in drugslab met procesafspraken

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met anderen betrokken was bij de productie van cocaïne in een drugslab in Friesland. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 25 maanden op, conform de procesafspraken die waren gemaakt tussen de officier van justitie en de verdediging. De verdachte, geboren in 1978 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, was gedetineerd en had zich schuldig gemaakt aan meerdere feiten, waaronder het aanwezig hebben en bewerken van cocaïne. Tijdens de zittingen op 10 september en 2 december 2025 werd het bewijs besproken, en de rechtbank oordeelde dat de verdachte vrijwillig had ingestemd met de procesafspraken, waarbij hij afstand deed van bepaalde verdedigingsrechten. De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich vanaf zijn aankomst in Nederland op 4 december 2024 had beziggehouden met voorbereidingshandelingen voor de cocaïneproductie. De ernst van de feiten, de professionele inrichting van het drugslaboratorium en de risico's voor de omgeving werden zwaar meegewogen in de strafmaat. De rechtbank achtte de opgelegde straf passend en geboden, rekening houdend met de procesafspraken en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71/399867-24
Datum uitspraak: 16 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [naam PI] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 10 september en 2 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Hagemeier, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ettalhaoui, naar voren hebben gebracht.
Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (71/399874-24), [medeverdachte 2] (71/399881-24), [medeverdachte 3] (71/017263-25) en [medeverdachte 4] (71/399889-24).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd, na aanpassing als bedoeld in artikel 314a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op de zitting van 10 september 2025, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

1. medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne op 17 december 2024 te Aldwâld en/of Losser;

2. medeplegen van het bereiden/bewerken/verwerken/verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne in de periode van 6 tot en met 17 december 2024 te Aldwâld;

3. medeplegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne in de periode van 22 augustus tot en met 17 december 2024 te Aldwâld en/of Losser en/of Abbenes.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
De rechtbank leest het in de tweede en derde regel van het onder feit 3 ten laste gelegde vermelde “tezamen en in vereniging met een ander” als “tezamen en in vereniging met een of meer anderen”, omdat hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Procesafspraken en de beoordeling daarvan

De rechtbank heeft kennisgenomen van de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken. De overeenkomst waarin deze procesafspraken zijn neergelegd is aan dit vonnis gehecht in
bijlage II. De procesafspraken houden – kort gezegd en onder andere – in dat de officier van justitie op de zitting zal concluderen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden. De verdediging zal volgens de overeenkomst geen onderzoekswensen indienen en geen bewijsverweren voeren. Beide partijen zijn daarnaast overeengekomen geen hoger beroep in te zullen stellen in het geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen partijen gemaakte afspraken.
De rechtbank kan alleen acht slaan op een door de officier van justitie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, als van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De procesafspraken zijn op de zitting van 2 december 2025 besproken met verdachte, in aanwezigheid van zijn raadsman. Verdachte heeft verklaard dat hij door zijn advocaat is voorgelicht over de inhoud van de procesafspraken in het bijzijn van een tolk. Hij heeft verder verklaard dat hij volledig achter de gemaakte afspraken staat en dat hij begrijpt welke gevolgen de afspraken hebben wanneer de rechtbank daarin meegaat. De rechtbank heeft uit de verklaringen van verdachte begrepen dat hij zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door zijn raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten (zie Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat de verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
Hoewel de officier van justitie en de verdediging het voorgaande zijn overeengekomen, heeft de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid om antwoord te geven op de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Zowel bij het onderzoek ter terechtzitting als in dit vonnis is de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv leidend geweest. Bij het bepalen van de straf en de motivering daarvan zal de inhoud en doorwerking van de procesafspraken worden besproken.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig de procesafspraken – op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Hierbij dient de pleegperiode van feit 2 te worden beperkt tot 16 en 17 december 2024, omdat op 16 december 2024 de productie in de cocaïnewasserij is begonnen. De pleegperiode van feit 3 loopt – in afwijking van de procesafspraken – van 4 december tot en met 17 december 2024. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 4 december 2024 in Nederland is aangekomen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen bewijsverweren gevoerd.
4.3
Oordeel van de rechtbank
Op grond van het procesdossier kunnen alle ten laste gelegde feiten worden bewezen met de door de officier van justitie op de terechtzitting genoemde pleegperioden. Verdachte is op 17 december 2024 samen met anderen in een in werking zijnde cocaïnewasserij in een loods in [plaats] aangetroffen. De loods was ingericht voor de extractie en bewerking van cocaïne uit dragermateriaal (betonmortel). Op basis van het dossier – in het bijzonder de verrichte observaties – kan worden vastgesteld dat dit drugslaboratorium een dag ervoor, op 16 december 2024, in productie is gegaan en dat verdachte hierbij betrokken was. In de loods is ongeveer 304 kilo betonmortel vermengd met cocaïne aangetroffen. Het NFI heeft berekend dat hieruit 85 kilo cocaïnebase kan worden gewassen, dat kan worden omgezet in 95 kilo
snuifcocaïne. Ook is in de loods 1,72 kilo geëxtraheerde cocaïne aangetroffen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich al sinds zijn aankomst in Nederland op 4 december 2024 samen met anderen bezighield met strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de cocaïnewasserij, met het oog op onder meer het bewerken van het dragermateriaal en het verwerken van de uitgewassen cocaïne. Gelet op de hoeveelheid dragermateriaal die is aangetroffen en de mate van professionaliteit van de cocaïnewasserij stelt de rechtbank vast dat de verwerkte cocaïne uiteindelijk voor handel bestemd moet zijn geweest.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1
op 17 december 2024 te Aldwâld tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne;
2
in de periode van 16 december 2024 tot en met 17 december 2024 te Aldwâld, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bewerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
3
in de periode van 4 december 2024 tot en met 17 december 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren,

van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

- zich gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- (bedrijfs)ruimtes ( [adres] en/of [adres] en/of [adres] ) te huren en/of in gebruik te nemen en (aldaar)
- een grote hoeveelheid zogenaamd dragermateriaal voorhanden te hebben en/of
- een grote hoeveelheid jerrycans en/of vaten en/of (specie)kuipen en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën, brandstoffen en/of grondstoffen waaronder zoutzuur en/of diesel en/of benzine en/of hexaan en/of MEK en/of methylmethcrylaat en/of zwavelzuur en/of ammonia en/of calcium chloride en/of natriumhydroxide en/of actief kool en/of kattengrit aan te schaffen en/of voorhanden te hebben en/of
- meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) waaronder een roermotor en/of pers en/of perscilinder en/of één of meerdere zeef/zeven en/of filtreerdoek(en) en/of intermediate bulk container(s) en/of (specie)kuip(en) en/of pan(nen) aan te schaffen en/of voorhanden te hebben.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6.Het bewijs

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Die aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

7.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straf

9.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform de procesafspraken – gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 (vijfentwintig) maanden, met aftrek van voorarrest.
9.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – conform de procesafspraken – geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht om de procesafspraken te volgen.
9.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en heeft haar eigen afweging gemaakt bij het bepalen van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan het opzetten van een cocaïnewasserij, waarin cocaïne geëxtraheerd werd uit betonmortel. Uit het onderzoek van de forensische opsporing blijkt dat het drugslaboratorium zeer professioneel was ingericht. In het drugslab is een grote hoeveelheid chemicaliën aangetroffen. De Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) heeft geconcludeerd dat hierdoor een grote kans op explosie- en brandgevaar was. Het drugslab was in een loods direct naast een camping en op een plek met omwonenden gesitueerd. Dit heeft veel gevaar voor de omgeving opgeleverd, zoals het ontstaan van ernstige gezondheidsschade en milieuschade door ontploffingen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Voorts overweegt de rechtbank dat uit het dossier valt af te leiden dat verdachte vanuit Colombia is overgekomen naar Nederland met het enkele doel om cocaïne uit het dragermateriaal te extraheren. Verdachtes rol is hiermee van cruciaal belang, omdat hij over de noodzakelijke kennis voor het extraheren van de cocaïne uit het dragermateriaal beschikt. Dat verdachte kennelijk met het enkele doel naar Nederland is gekomen om, hier dergelijke strafbare feiten te plegen voor eigen financieel gewin, rekent de rechtbank in strafverzwarende zin mee in haar oordeel.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 februari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder in aanraking is gekomen met politie of justitie.
Procesafspraken
In de procesafspraken is opgenomen dat de officier van justitie zonder procesafspraken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden zou vinden. De rechtbank is van oordeel dat deze voorgestelde straf niet onredelijk is om als uitgangspunt te nemen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het voorstel om in plaats daarvan 25 maanden gevangenisstraf aan verdachte op te leggen in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, mede gelet op de straf(proces)rechtelijke en maatschappelijke voordelen die behaald worden met een afdoening door procesafspraken. Het maken van procesafspraken dient niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling van de zaak, maar ook een effectieve afdoening daarvan.
Op te leggen straf
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf, zoals vastgesteld in de procesafspraken, passend en geboden en legt zij aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden, met aftrek van voorarrest, op.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op
- artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 5is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
25 (vijfentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. C. Bruil en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. Willeboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2025.