ECLI:NL:RBAMS:2025:10087

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
71/017263-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne met procesafspraken

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaïne. De verdachte had een bedrijf op zijn naam gezet dat betrokken was bij de invoer van cocaïne, en dit leidde tot een gevangenisstraf van 511 dagen, waarvan 471 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft het vonnis gewezen na een onderzoek ter terechtzitting op 10 september en 2 december 2025, waarbij de officier van justitie en de verdediging procesafspraken hebben gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij volledig achter deze afspraken staat en dat hij zich vrij voelde om deze te maken. De rechtbank heeft de procesafspraken in haar oordeel meegenomen en heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaïne, maar niet aan de andere tenlastegelegde feiten. De rechtbank heeft de strafmaat gemotiveerd door te wijzen op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een diagnose van ADHD en een mogelijke licht verstandelijke beperking. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 168 uren, te vervangen door 84 dagen hechtenis, en heeft bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke straf, waaronder een meldplicht en ambulante behandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71/017263-25
Datum uitspraak: 16 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 10 september en 2 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Hagemeier, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Wijburg, naar voren hebben gebracht.
Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (71/399881-24), [medeverdachte 2] (71/399867-24), [medeverdachte 3] (71/399874-24) en [medeverdachte 4] (71/399889-24).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1.Primair:het medeplegen van de invoer van cocaïne in de periode van 1 februari 2024 tot en met 17 december 2024 te Abbenes en/of Losser en/of Aldwâld en/of Voorhout.
Subsidiairis dit als medeplichtigheid ten laste gelegd;

2. het medeplegen van deelname aan een criminele organisatie in de periode van 1 februari 2024 tot en met 17 december 2024 te Abbenes en/of Losser en/of Aldwâld en/of Voorhout.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Procesafspraken en de beoordeling daarvan

De rechtbank heeft kennisgenomen van de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken. De overeenkomst waarin deze procesafspraken zijn neergelegd is aan dit vonnis gehecht in
bijlage II.
De procesafspraken houden – kort gezegd en onder andere – in dat de officier van justitie zal op de zitting concluderen dat het ten laste gelegde feit onder 1 subsidiair bewezen kan worden verklaard en dat verdachte voor het overige zou moeten worden vrijgesproken. De officier van justitie zal een gevangenisstraf van 511 dagen, waarvan 471 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden (een meldplicht, een ambulante behandeling, een dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening) vorderen. Daarnaast zal hij een taakstraf vorderen van 168 uur, te vervangen door 84 dagen hechtenis. De verdediging zal volgens de overeenkomst geen onderzoekswensen indienen en geen bewijsverweren voeren. Beide partijen zijn daarnaast overeengekomen geen hoger beroep in te zullen stellen in het geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen partijen gemaakte afspraken.
De rechtbank kan alleen acht slaan op een door de officier van justitie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, als van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De procesafspraken zijn op de zitting van 2 december 2025 besproken met verdachte, in aanwezigheid van zijn raadsman. Verdachte heeft verklaard dat hij door zijn advocaat is voorgelicht over de inhoud van de procesafspraken, volledig achter de gemaakte afspraken staat en dat hij begrijpt welke gevolgen de afspraken hebben wanneer de rechtbank daarin meegaat. De rechtbank heeft uit de verklaringen van verdachte begrepen dat hij zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door zijn raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten (zie Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat de verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
Hoewel de officier van justitie en de verdediging het voorgaande zijn overeengekomen, heeft de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid om antwoord te geven op de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Zowel bij het onderzoek ter terechtzitting als in dit vonnis is de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv leidend geweest. Bij het bepalen van de straf en de motivering daarvan zal de inhoud en doorwerking van de procesafspraken worden besproken.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig de procesafspraken – op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en het onder feit 2 ten laste gelegde. Het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan wel worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij de conclusie de officier van justitie en heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen bewijsverweren gevoerd.
4.3
Oordeel van de rechtbank
4.3.1
Vrijspraak feit 1 primair en feit 2
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne en dat niet kan worden bewezen dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
De rechtbank acht dan ook niet bewezen wat onder feit 1 primair en onder feit 2 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4.3.2
Bewezenverklaring feit 1 subsidiair
De rechtbank acht op grond van het procesdossier en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaïne. Dit heeft hij gedaan door onder meer het bedrijf [naam bedrijf] op zijn naam te zetten, dat zakken met cocaïne houdend dragermateriaal (tegellijm) importeerde, en door papieren te ondertekenen die betrekking hadden op de invoer en het transport van vrachtcontainers voor dat bedrijf en daarover e-mails te sturen. Uit de feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de geïmporteerde zakken die werden aangetroffen in de loods in [plaats] bestemd waren voor de cocaïnewasserij in de loods in [plaats] .

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
één of meer anderen in de periode van 1 februari 2024 tot en met 17 december 2024 in Nederland
meermalen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 februari 2024 tot en met 17 december 2024 in Nederland, en/of in Polen opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- een bedrijf ( [naam bedrijf] ) op zijn, verdachtes, naam te zetten en
- een bankrekening te openen en
- zijn, verdachtes, handtekening te zetten onder papieren met betrekking tot de invoer en het transport van vrachtcontainers voor het bedrijf [naam bedrijf] . en
- ongelezen mails, die in concept klaar stonden, te versturen.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6.Het bewijs

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Die aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen

9.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform de procesafspraken – gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte medeplichtigheid aan cocaïne-invoer zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 511 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 471 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan dat voorwaardelijke deel dienen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling, dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en ambulante begeleiding te worden verbonden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 168 uren, te vervangen door 84 dagen hechtenis, wordt opgelegd.
9.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – conform de procesafspraken – geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht om de procesafspraken te volgen. Verdachte heeft zich ter zitting ook bereid verklaard zich aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te houden.
9.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en heeft haar eigen afweging gemaakt bij het bepalen van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich als medeplichtige schuldig gemaakt aan het in vereniging invoeren van tegellijm waarin cocaïne was verwerkt. De cocaïne zou in Nederland worden gewassen. Cocaïne is schadelijk voor de volksgezondheid en mede daarom is het invoeren ervan verboden. De handel in cocaïne brengt bovendien allerlei andere vormen van zware criminaliteit mee. Er gaat veel geld in deze handel om, waardoor de financiële belangen van deelnemers aan die handel groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld veelal niet geschuwd. Met zijn handelen heeft verdachte een faciliterende rol in die drugshandel vervuld en dus ook bijgedragen aan de negatieve gevolgen daarvan voor de maatschappij.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor van 24 november 2025. De reclassering schrijft dat er geen sprake is van een delictpatroon, maar dat het risico op herhaling gemiddeld is. Er zijn risicofactoren in de vorm van het psychosociaal functioneren, het sociaal netwerk, de dagbesteding en verdachtes financiën. Verdachte is gediagnosticeerd met ADHD en daarnaast is mogelijk sprake van een licht verstandelijke beperking, wat maakt dat verdachte de risico’s en consequenties van zijn gedrag niet goed kan inschatten. Daardoor is hij ook kwetsbaarder voor beïnvloeding door anderen. De reclassering adviseert een meldplicht, een ambulante behandeling, dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en ambulante begeleiding ter inperking van het recidiverisico. De reclassering verwacht dat de al gestarte ambulante begeleiding van Humanitas Homerun en een proactieve benadering door de reclassering zal bijdragen aan het inperken van het als hoog ingeschatte risico op onttrekken aan voorwaarden.
Procesafspraken
In de procesafspraken is opgenomen dat de officier van justitie zonder procesafspraken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 690 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden zou vinden. Aan het voorwaardelijk deel dienen dan bijzondere voorwaarden te worden verbonden. Daarnaast dient dan een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis te worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel om in plaats daarvan de in de procesafspraken overeengekomen strafeis – zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is gevorderd – aan verdachte op te leggen, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, mede gelet op de straf(proces)rechtelijke en maatschappelijke voordelen die behaald worden met een afdoening via procesafspraken. Het maken van procesafspraken dient niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling van deze zaak, maar ook een effectieve afdoening daarvan. De rechtbank overweegt verder dat in de procesafspraken voldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij oog is geweest voor het belang van speciale preventie, namelijk het voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal begaan.
Op te leggen straf
De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van 511 dagen, waarvan 471 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Zij verbindt aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, te weten: een meldplicht, een ambulante behandeling, dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en ambulante begeleiding. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 168 uren, te vervangen door 84 dagen hechtenis op.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 5is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplichtigheid aan medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
511 (vijfhonderdelf) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
471 (vierhonderdeenenzeventig) dagen, van deze gevangenisstraf
niet tenuitvoergelegdzal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij Fivoor Reclassering op de Perzikweg 1-7 in Leiden. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Ambulante behandeling:
Veroordeelde laat zich behandelen door Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
- Dagbesteding:
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of onbetaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- Meewerken aan schuldhulpverlening:
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
- Ambulante begeleiding:
Veroordeelde laat zich begeleiden door Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding is reeds gestart en dient voortgezet te worden. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
168 (honderdachtenzestig) uren.
Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast van
84 (vierentachtig) dagen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. C. Bruil en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. Willeboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2025.