ECLI:NL:RBAMS:2025:10170

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/13/769213 HA RK 25-161
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming vereffenaar nalatenschap en afwijzing verzoek tot benoeming

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot benoeming van een vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster, mevrouw [erflaatster]. Verzoekster, de dochter van erflaatster, heeft het verzoek ingediend op grond van artikel 4:195 lid 1 BW, omdat de relatie met haar zus, verweerster, gebrouilleerd is geraakt en zij geen overeenstemming konden bereiken over de afwikkeling van de nalatenschap. De rechtbank heeft vastgesteld dat erflaatster op 7 november 2024 is overleden en dat er geen testament is. Verzoekster heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard, terwijl verweerster als bewindvoerder en mentor van erflaatster heeft gefunctioneerd. De rechtbank heeft in haar beoordeling overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat er schulden zijn die vereffening vereisen. Verweerster heeft als bewindvoerder jaarlijks verantwoording afgelegd, waaruit blijkt dat er geen schulden zijn. De rechtbank concludeert dat de vereffening van de nalatenschap reeds is voltooid en dat verzoekster geen rechtens te honoreren belang heeft bij haar verzoek. Het verzoek tot benoeming van een vereffenaar is afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de notaris die een verklaring van erfrecht kan afgeven, en de kosten daarvan komen ten laste van de nalatenschap. De rechtbank heeft ook het verzoek tot het aanmerken van de proceskosten als kosten van de nalatenschap afgewezen, gezien de familierelatie tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/769213 / HA RK 25-161
Beschikking van 11 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats 1] , [staat] (Verenigde Staten),
verzoekende partij, (hierna: verzoekster),
advocaat: mr. J.J. Bakker,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats 2] ,
verwerende partij, (hierna: verweerster),
advocaat: mr. J.F.M. Kappé.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 14 mei 2025, met producties,
- de tussenbeschikking van 28 augustus 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift van 30 oktober 2025, met producties,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is de beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
Verzoekster en verweerster zijn de dochters van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster).
2.2.
Op 20 januari 2016 zijn de goederen van erflaatster door deze rechtbank onder bewind gesteld en is ten behoeve van haar een mentorschap ingesteld. Verweerster werd daarbij benoemd tot bewindvoerder en mentor van erflaatster. Verzoekster woonde in die periode in het buitenland.
2.3.
In 2018 is erflaatster verhuisd naar een verpleegtehuis, waar zij op 7 november 2024 is overleden.
2.4.
Verweerster heeft de kosten van de uitvaart van erflaatster en het leeghalen van de kamer van erflaatster in het verpleegtehuis – in totaal € 6.256,25 – voldaan vanaf de bankrekeningen van erflaatster. De bank heeft de rekeningen van erflaatster op 8 januari 2025 geblokkeerd. Op dat moment stond in totaal een bedrag van € 6.916,00 op de rekeningen van erflaatster. Omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een aan te wijzen notaris, is er ten tijde van het indienen van het verzoek nog geen verklaring van erfrecht afgegeven en is de blokkade door de bank niet opgeheven.
2.5.
Erflaatster heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Partijen zijn haar enige erfgenamen. Verzoekster heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Verzoekster verzoekt de rechtbank om mevrouw [naam] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te benoemen tot vereffenaar van de nalatenschap en te bepalen dat de kosten die voor deze procedure zijn gemaakt worden aangemerkt als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de nalatenschap.
3.2.
Verzoekster heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 4:195 lid 1 jo. artikel 4:202 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn partijen vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster. Omdat de relatie tussen verzoekster en verweerster gebrouilleerd is geraakt, is de vereffening van de nalatenschap stil komen te liggen. Partijen kunnen het niet eens worden over de notaris die de verklaring van erfrecht moet opstellen. Daarnaast is het voor verzoekster onmogelijk om te achterhalen wat er met het geld erflaatster is gebeurd. Dit te meer nu verweerster weigert daar duidelijkheid over te verschaffen. Verzoekster kan hierdoor ook niet vaststellen of erflaatster schulden had die nog voldaan moeten worden. Vanwege deze omstandigheden heeft verzoekster geen vertrouwen meer dat partijen de nalatenschap samen kunnen afwikkelen. Naar aanleiding daarvan verzoekt zij de rechtbank een vereffenaar te benoemen.
3.3.
Verweerster verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Onvoldoende belang bij het benoemen van een vereffenaar
4.1.
Omdat verzoekster de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, moet de nalatenschap op grond van artikel 4:202 lid 1 sub a BW worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3. BW. Verzoekster en verweerster zijn op grond van artikel 4:195 lid 1 BW gezamenlijk vereffenaar van de nalatenschap. Een vereffenaar heeft de taak de schulden van de nalatenschap te voldoen. De verplichting tot vereffening in het geval dat een nalatenschap beneficiair wordt aanvaard, strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap. Op grond van artikel 4:203 lid 1 sub a BW kan de rechtbank na een beneficiaire aanvaarding op verzoek van een erfgenaam een vereffenaar benoemen. Verzoekster is erfgenaam én heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Dat maakt dat zij dit verzoek kan indienen. De wet stelt daar verder geen inhoudelijke eisen aan.
4.2.
Verweerster stelt dat alle schulden van erflaatster zijn voldaan, waardoor in dit geval geen rol is weggelegd voor een vereffenaar. De rechtbank volgt verweerster daarin. Sinds 2016 heeft verweerster als bewindvoerster van erflaatster jaarlijks rekening en verantwoording afgelegd bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft die rekeningen en verantwoordingen steeds goedgekeurd. Uit de rekening en verantwoording over het jaar 2022 blijkt dat het inkomen van erflaatster bestond uit een AOW-uitkering en zorgtoeslag. Op die inkomsten zijn telkens leefgeld, servicekosten van het verzorgingstehuis, bankkosten, ziektekosten, het eigen risico van de zorgverzekering en de beloning van de bewindvoerder in mindering gebracht. Daarnaast blijkt uit diezelfde rekening en verantwoording dat er geen schulden waren. Na het overlijden van erflaatster heeft verweerster eindrekening en verantwoording afgelegd bij de kantonrechter, waaruit nog eens blijkt dat er geen schulden zijn. Ook die rekening en verantwoording is goedgekeurd door de kantonrechter. Verzoekster wil meer zekerheid over wat er tijdens het bewind met het inkomen van erflaatster is gebeurd. Ook wil zij weten welke inboedel nog resteert en wat daarmee is gebeurd. De rechtbank overweegt dat de rekening en verantwoording aan de kantonrechter voldoende zekerheid geeft over het al dan niet bestaan van schulden. Bovendien is daarin onvoldoende aanwijzing te vinden dat het vermogen van erflaatster niet goed beheerd is. Het doen van onderzoek naar de aanwezigheid van nog te verdelen goederen behoort in beginsel niet tot de taken van een vereffenaar, in ieder geval niet indien er geen schulden zijn. Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat partijen de inboedel van erflaatster na haar overlijden in gezamenlijk overleg door een kringloopwinkel hebben laten ophalen. Ter verdeling resteren nog twee schilderijen en een krat met badkamerartikelen. Ook heeft verweerster aangegeven dat zij nog beschikt over een kerstservies van verzoekster. Partijen dienen deze goederen te verdelen, maar hier is geen taak voor de vereffenaar weggelegd.
4.3.
Omdat is niet gebleken dat er nog schulden van de nalatenschap zijn, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vereffening van de nalatenschap reeds is voltooid. Verzoekster heeft daarmee geen rechtens te honoreren belang bij haar verzoek. Haar verzoek tot het benoemen van een vereffenaar zal dan ook worden afgewezen.
Hoe nu verder?
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de notaris die een verklaring voor erfrecht kan afgeven. De kosten van de verklaring voor erfrecht komen ten laste van de nalatenschap. Nadat de verklaring voor erfrecht is afgegeven, moet het saldo op de bankrekeningen van erflaatster tussen partijen worden verdeeld en moeten zij in overleg treden over de verdeling van de resterende goederen uit de inboedel van erflaatster. Indien dit niet tot een oplossing leidt, kunnen partijen de rechter vragen de nalatenschap te verdelen.
Proceskosten komen niet ten laste van de nalatenschap
4.5.
Omdat het verzoek tot het benoemen van een vereffenaar wordt afgewezen, zal de rechtbank ook het verzoek tot het aanmerken van de kosten van deze procedure als kosten die ten laste moeten komen van de nalatenschap, afwijzen.
4.6.
Gelet op de familierelatie tussen partijen ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van een van hen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.