ECLI:NL:RBAMS:2025:10175

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/13/762904 / HA RK 25-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopig deskundigenbericht in nalatenschapskwestie met internationale elementen

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 een beschikking gegeven in een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht. De verzoeker, [verzoeker], heeft het verzoek ingediend naar aanleiding van de omstandigheden rondom het overlijden van haar echtgenoot, [erflater], die op 29 januari 2015 is overleden. In het testament van [erflater], opgesteld op 13 oktober 2014, is [verzoeker] uitgesloten als erfgename, wat aanleiding geeft tot twijfel over de echtheid van de handtekening onder het testament. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht kan worden toegewezen, omdat er voldoende belang is bij het onderzoek naar de handtekening. De rechtbank heeft de deskundige, de heer [deskundige], benoemd om een handtekeningenonderzoek uit te voeren. De rechtbank heeft ook de procedure uiteengezet, inclusief de verplichtingen van de partijen om mee te werken aan het onderzoek. De beschikking benadrukt dat de deskundige binnen drie maanden na betaling van het voorschot een schriftelijk rapport moet indienen, waarin de bevindingen van het onderzoek worden gepresenteerd.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762904 / HA RK 25-25
Beschikking van 11 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij, (hierna: [verzoeker] ),
advocaat: mr. H.R. Yücesan,
tegen

1.[belanghebbende 1] ,

te [woonplaats 2] ,
belanghebbende, (hierna: [belanghebbende 1] ),
2.
[belanghebbende 2],
te [woonplaats 3] , Suriname,
belanghebbende, (hierna: [belanghebbende 2] ),
3.
[belanghebbende 3],
te [woonplaats 3] , Suriname,
belanghebbende, (hierna: [belanghebbende 3] ),
4.
[belanghebbende 4],
te [woonplaats 4] ,
belanghebbende, (hierna: [belanghebbende 4] ).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 20 januari 2025, met producties,
- de tussenbeschikking van 24 juli 2025, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is op 30 augustus 2011 in gemeenschap van goederen getrouwd met de heer [erflater] (hierna: erflater). In 2013 is [verzoeker] , samen met haar kinderen, vanuit Suriname naar Nederland gekomen en zijn zij bij erflater in de echtelijke woning (hierna: de woning) komen wonen.
2.2.
In juni 2014 werd duidelijk dat erflater ongeneeslijk ziek was.
2.3.
In het dossier bevindt zich een testament van 13 oktober 2014, waarin – voor zover hier relevant – het volgende is opgenomen:

TESTAMENT
Vandaag, dertien oktober tweeduizend veertien, verscheen voor mij, mr. Dwight Hartwich Johan Boerenstam, hierna te noemen: “notaris”, als plaatsvervanger waarnemende het kantoor van Mr Hermanus Christiaan Douwe ten Broecke (…):
de heer[erflater](…)
De verschenen persoon verklaarde als volgt over zijn nalatenschap te beschikken:
(…)
II.Onterving/Erfstelling
onterving
Ik sluit mijn echtgenote uitdrukkelijk uit als erfgename in mijn nalatenschap.
erfstelling
Ik benoem tot mijn enige erfgenamen mijn beide zusters te weten:
1.
[belanghebbende 2] (…) en
2.
[belanghebbende 3] (…)
III.Executeur
Ik benoem tot executeur, de heer [belanghebbende 1] (…) en mijn zuster [belanghebbende 2] (…)
2.4.
Op 29 januari 2015 is erflater overleden.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om:
I. een voorlopig deskundigenbericht te bevelen;
II. een of meerdere personen aan te wijzen en als deskundige(n) te benoemen en deze(n) op te dragen om een handtekeningenonderzoek uit te voeren en daaromtrent een schriftelijk verslag uit te brengen.
3.2.
[verzoeker] legt – samengevat – aan haar verzoek ten grondslag dat de omstandigheden rondom het overlijden van erflater aanleiding geven voor een voorlopig deskundigenbericht. Omdat erflater voor zijn overlijden expliciet tegen [verzoeker] heeft gezegd dat [belanghebbende 1] zijn zaken niet mocht regelen en de verhoudingen tussen erflater en [belanghebbende 1] slecht waren, kan [verzoeker] niet geloven dat erflater daadwerkelijk een handtekening onder het testament heeft gezet. [verzoeker] heeft de handtekening onder het testament vergeleken met de handtekening van erflater op andere documenten. Daarbij heeft zij geconstateerd dat er opmerkelijke verschillen zichtbaar zijn tussen de handtekeningen. Teneinde zekerheid te krijgen over de echtheid van de handtekening onder het testament, verzoekt [verzoeker] om een voorlopig deskundigenbericht in de zin van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.3.
Na indiening van het verzoek zijn de belanghebbenden opgeroepen. [belanghebbende 1] is verschenen. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij geen bezwaar maakt tegen het verzochte voorlopige deskundigenbericht. [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zijn na oproeping niet verschenen. [belanghebbende 4] – de notaris onder wie het testament zich bevindt – heeft de rechtbank per e-mail laten weten dat hij niet wenst te worden gehoord over deze kwestie.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht kan worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt (artikel 197 lid 1 Rv).
4.2.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] woonachtig zijn in [woonplaats 3] , Suriname. Gelet hierop dient de rechtbank ambtshalve te toetsen of zij bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het commune Nederlandse internationaal bevoegdheidsrecht.
4.3.
Artikel 3 Rv bepaalt dat in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, met uitzondering van de zaken als bedoeld in artikelen 4 en 5 Rv, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien:
a. hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft;
b. het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding ten aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft; of
c. de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is.
4.4.
Een situatie als bedoeld in artikel 4 of 5 Rv is niet aan de orde. Van toepassing is dus artikel 3 Rv. [verzoeker] heeft in haar verzoekschrift toegelicht dat het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding in te leiden geding waarin zij een verklaring voor recht zal vorderen, inhoudende dat het testament nietig wordt verklaard. Indien [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] in die procedure worden betrokken, kan de Nederlandse rechter rechtsmacht ontlenen aan artikel 7 lid 1 Rv. [belanghebbende 1] is immers woonachtig in [woonplaats 2] . Omdat [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] tezamen onderdeel uitmaken van het testament waarvan [verzoeker] een nietigverklaring vordert, is er sprake van zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Daarmee doet zich een situatie voor als bedoeld in artikel 3 aanhef onder b Rv. Dat maakt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Vanwege die samenhang zal deze rechtbank in die dagvaardingsprocedure relatief bevoegd zijn (artikel 99 en 107 Rv) en is zij daarmee ook bevoegd om van onderhavige zaak kennis te nemen (artikel 197 lid 1 Rv).
Voorlopig deskundigenbericht
4.5.
Een voorlopig deskundigenbericht is een van de voorlopige bewijsverrichtingen in de zin van artikel 196 Rv. Het dient tot het ophelderen van feiten, het bepalen van de rechtspositie of het vastleggen van bewijs voorafgaand aan een procedure. Het uitgangspunt is dat de rechter het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht toewijst, tenzij zich een van de afwijzingsgronden voordoet. Tot die afwijzingsgronden behoort een geval waarin de rechter van oordeel is dat de informatie die wordt verlangd niet voldoende bepaald is, er onvoldoende belang bestaat bij de voorlopige bewijsverrichting, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er sprake is van misbruik van bevoegdheid of als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
4.6.
[verzoeker] heeft toegelicht dat zij met het deskundigenonderzoek wil vaststellen of de handtekening onder het testament echt van erflater is. Aan de hand van de uitkomst van het deskundigenonderzoek kan zij beoordelen of het zinvol is om een rechtsvordering in te stellen tot nietigverklaring van het testament. Naar het oordeel van de rechtbank sluit dit aan bij het doel dat een voorlopig deskundigenbericht dient. Daarnaast doet zich geen van de afwijzingsgronden voor. Dat maakt dat het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht zal worden toegewezen.
Deskundige
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in deze zaak worden volstaan met de benoeming van één deskundige. [verzoeker] heeft twee afzonderlijke deskundigen voorgesteld om het deskundigenonderzoek uit te voeren. Daar is geen bezwaar tegen gemaakt. De rechtbank zal daarom één van de door [verzoeker] voorgestelde deskundigen benoemen, te weten de heer [deskundige] . De deskundige heeft desgevraagd tegenover de rechtbank verklaard dat hij geen persoonlijke of zakelijke banden heeft met één van partijen en dat hij bereid is de benoeming te aanvaarden.
Onderzoeksvragen
4.8.
[verzoeker] heeft in haar e-mail van 4 juni 2025 een aantal onderzoeksvragen geformuleerd. Die onderzoeksvragen komen de rechtbank voldoende duidelijk voor en zullen – zoals in de beslissing vermeld – aan de deskundige worden voorgelegd.
Voorschot
4.9.
Het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald door [verzoeker] , op de wijze zoals vermeld onder de beslissing.
Medewerkingsplicht
4.10.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Deze verplichting is verder onder de beslissing uitgewerkt. Als dit (gedeeltelijk) niet gebeurt, kan de rechtbank hieruit de conclusies trekken die zij passend vindt, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. Als partijen worden aangemerkt [verzoeker] en [belanghebbende 1] . Ook voor [belanghebbende 4] geldt dat hij verplicht is om zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek door de deskundige. Hij dient daartoe in ieder geval de deskundige toegang te geven tot het testament.
4.11.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de (gemotiveerde) beantwoording van de volgende vragen:
Welke documenten heeft u ontvangen ter vergelijking van handtekeningen?
Kunt u bevestigen dat alle vergelijkingsdocumenten zijn voorzien van originele, zogenoemde “natte” handtekeningen?
Zijn de vergelijkingsdocumenten naar uw oordeel authentiek en bruikbaar voor forensisch handschriftvergelijkend onderzoek?
Welke onderzoeksmethoden heeft u toegepast om de handtekening op het testament te vergelijken met de vergelijkingshandtekeningen?
Heeft u gebruikgemaakt van optische hulpmiddelen (zoals een loep, microscoop of beeldvergroting) of digitale analyse?
Welke specifieke kenmerken van de handtekeningen heeft u geanalyseerd (bijv. drukverdeling, lijnvoering, lettervormen, verbindingslijnen, helling, snelheid)?
Kunt u aangeven welke overeenkomsten u heeft vastgesteld tussen de handtekening op het testament en de vergelijkingshandtekeningen?
Kunt u op basis van uw onderzoek met voldoende zekerheid vaststellen of de handtekening op het testament afkomstig is van dezelfde persoon als de handtekeningen op de vergelijkingsdocumenten?
Hoe luidt uw conclusie in termen van waarschijnlijkheid of zekerheid (bijv. “hoogst waarschijnlijk”, “niet uit te sluiten”, “onwaarschijnlijk”)?
Zijn er tijdens uw onderzoek andere bijzonderheden aan het licht gekomen die relevant zijn voor de beoordeling van de authenticiteit van het testament of de handtekening?
5.2.
benoemt tot deskundige:
de heer [deskundige],
verbonden aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau,
correspondentieadres: [adres]
telefoon: [telefoonnummer]
e-mailadres: [e-mailadres]
5.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
5.4.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
- de griffie zal de reeds door de deskundige toegezonden kostenopgave toezenden aan partijen,
- partijen kunnen desgewenst
binnen twee wekenna dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,
- als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,
- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld,
5.5.
bepaalt dat [verzoeker] het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
het onderzoek
5.6.
bepaalt dat [verzoeker] – na vaststelling van het voorschot – het procesdossier, (inclusief de originelen van productie 6 en 7 van [verzoeker] ) in onderling overleg aan de deskundige moet verstrekken,
5.7.
bepaalt dat [belanghebbende 4] de deskundige toestaat het testament van erflater te onderzoeken op de wijze die de deskundige (en hijzelf) daarvoor passend acht,
5.8.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
5.9.
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
5.10.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
5.11.
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
5.12.
wijst de deskundige erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
5.13.
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.