ECLI:NL:RBAMS:2025:10261

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
778582
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van dwangsommen in burenconflict met betrekking tot bouwkundige werkzaamheden en rapportageverplichtingen

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiseres] en [gedaagden], buren van elkaar. De zaak betreft de opheffing van dwangsommen die aan [eiseres] waren opgelegd in een eerder vonnis van 9 oktober 2025. [Eiseres] was veroordeeld tot nakoming van aanbevelingen uit een rapport van bouwkundige experts, maar kon hieraan niet voldoen door omstandigheden die niet aan haar te wijten waren. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 november 2025 hebben partijen een schikking getroffen, maar [gedaagden] eisten alsnog vonnis over de periode waarin volgens hen dwangsommen verbeurd waren. De voorzieningenrechter oordeelde dat [eiseres] voldoende inspanningen had geleverd om aan het vonnis te voldoen en dat het voor haar onmogelijk was om tijdig aan de veroordeling te voldoen. De rechter heeft de dwangsom opgeheven en [gedaagden] veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van redelijkheid en zorgvuldigheid in burenconflicten en de noodzaak om tot afspraken te komen die gericht zijn op de toekomst.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/778582 / KG ZA 25-921 LV/KH
Vonnis in kort geding van 11 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij bij niet betekende dagvaarding,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. T. Faez,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen, vrijwillig verschenen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P. Thole.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 27 november 2025 heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. [gedaagden] hebben verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en pleitaantekeningen in het geding gebracht. Ter zitting hebben partijen een schikking getroffen met afspraken gericht op de toekomst. [gedaagden] hebben vonnis gevraagd over de periode tot aan de zitting, omdat [eiseres] volgens hen in die periode een dwangsom is verbeurd. Vonnis is bepaald op vandaag.
1.2.
Ter zitting waren aanwezig:
  • [eiseres] met haar partner [naam] en mr. Faez,
  • [gedaagde 1] en [gedaagde 3] met mr. Thole.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar in [woonplaats] . [eiseres] is sinds 2020 eigenaresse van de woning aan de [adres 1] . Gedaagden sub 1 en 2 zijn sinds 2014 eigenaren van de aangrenzende woning op [adres 2] en gedaagden sub 3 en 4 zijn sinds 2001 eigenaren van de aangrenzende woning op [adres 3] .
2.2.
In 2022 heeft [eiseres] werkzaamheden aan haar woning laten uitvoeren. [gedaagden] constateerden na afronding van die werkzaamheden schade aan hun woningen in de vorm van water- en funderingsproblematiek. Partijen hebben hiernaar onderzoek laten verrichten door Allnamics Geotechnical Experts B.V. (hierna: Allnamics) en CRUX Engineering B.V. (hierna: CRUX). Allnamics en CRUX hebben gezamenlijk onderzoek verricht en een rapport (d.d. 21 november 2024) opgesteld.
2.3.
In het rapport staat dat de problematiek veel meer duidt op binnendringend/ optrekkend vocht dan op funderingsproblematiek en dat dit buiten de expertise van Allnamics en CRUX valt. Desondanks hebben zij in (bijlage 1 bij) het rapport vijf aanbevelingen gedaan. Aanbeveling 2 en 3 luiden:

2. Aanpassing bouwkundige detaillering van blijvend waterdichte aansluitingen beide zijgevels [adres 1] op buurpanden.
Detaillering te specificeren door aan te stellen onafhankelijk bouwkundig expert.
Toezicht op uitvoering en realisatie door onafhankelijk bouwkundig expert, incl. rapportage van keuring en oplevering.
3. Aanpassing hemelwaterafvoer dakschilden
(…)
Afvoer voorste dakschilden dient rechtstreeks naar riool [locatie] plaats te vinden; niet op het maaiveld bij voorgevels of zijgevels.
(extra aanbeveling) Afvoer achterste dakschilden dient zo rechtstreeks mogelijk plaats te vinden naar poldersloot achter de percelen. Indien mogelijk onder vrij verval, anders met behulp van pompput.
Detaillering te specificeren door aan te stellen onafhankelijk bouwkundig expert.
Toezicht op uitvoering en realisatie door onafhankelijk bouwkundig expert, incl. rapportage van keuring en oplevering.”
2.4.
[gedaagden] hebben [eiseres] gedagvaard in kort geding omdat [eiseres] volgens hen de aanbevelingen uit het rapport niet (correct) nakwam. In dat kort geding vorderden zij nakoming van aanbeveling 2 en 3. Aanbeveling 2 was nog niet nagekomen. Voor aanbeveling 3 waren wel werkzaamheden verricht, maar zonder het vereiste toezicht. Daarnaast is bij de werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer gebruikgemaakt van een pomp, waardoor volgens [gedaagden] niet is voldaan aan de aanbeveling omdat ‘rechtstreekse aansluiting’ vereist is.
2.5.
In het vonnis van 9 oktober 2025 (hierna: het vonnis) zijn de vorderingen van [gedaagden] toegewezen en is [eiseres] op straffe van een dwangsom veroordeeld tot, samengevat, nakoming van aanbeveling 2 en 3. In het vonnis is als volgt beslist, voor zover hier relevant:

De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt[ [eiseres] ]
om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan te vangen met de nakoming van de rapportageverplichtingen, zoals uiteengezet in de randnummers 35 tot en met 39 van de aan dit vonnis gehechte dagvaarding, en deze werkzaamheden uiterlijk drie maanden na betekening van dit vonnis te voltooien,
5.2
veroordeelt[ [eiseres] ]
tot betaling van een dwangsom aan eisers van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet (tijdig) aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,(…)”
2.6.
In de dagvaarding waar in de veroordeling naar wordt verwezen staat, voor zover hier relevant:
“(…)
39. Indien partijen niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis tot overeenstemming komen over de persoon van de bouwkundig deskundige, wordt voorgesteld om de heer A. Bouwman van het Bureau voor Bouwpathologie aan te wijzen als onafhankelijk toezichthoudend deskundige, gelet op diens bekendheid met soortgelijke funderingsvraagstukken en zijn deskundigheid op het terrein van waterdichte detaillering en zettingsschade.(…)”
2.7.
Naar aanleiding van het vonnis heeft [naam] , namens [eiseres] , vanaf 11 oktober 2025 een aantal partijen (Cité B.V. en Perfectkeur B.V.) gevraagd of zij beschikbaar zijn.
2.8.
Het vonnis is op 14 oktober 2025 aan [eiseres] betekend.
2.9.
Partijen hebben vanaf 21 oktober 2025 (via hun advocaten) veelvuldig gecorrespondeerd over de aan te stellen bouwkundig deskundige.
2.10.
Op 23 oktober 2025 heeft [eiseres] de hemelwaterafvoerleidingen rechtstreeks aan laten sluiten op het riool door een loodgieter.
2.11.
Op 28 oktober 2025 heeft [naam] , namens [eiseres] bouwkundig deskundige P. Borgers van Bureau voor Bouwpathologie gevraagd naar zijn beschikbaarheid tussen 30 oktober en 5 november 2025 en daarbij benoemd dat er een rapport opgesteld zou moeten worden op 7 november 2025. Op 31 oktober 2025 heeft [naam] Borgers opnieuw gemaild en gevraagd of hij beschikbaar is voor de inspectie en het rapport kan aanleveren binnen de door hem genoemde tijdlijn.
2.12.
Op 31 oktober 2025 reageerde Borgers en schreef hij onder meer dat hij pas in de week van 10 november 2025 beschikbaar zou zijn. [naam] reageerde diezelfde dag en schreef dat dat buiten de door de rechtbank gegeven tijdslijnen zou vallen en dat er een schriftelijke bevestiging van Borgers aan de advocaten nodig was dat door zijn beschikbaarheid de termijn moest worden verlengd.
2.13.
Op 3 november 2025 mailde de advocaat van [gedaagden] aan de advocaat van [eiseres] dat Borgers niet bereid was de opdracht te aanvaarden, onder meer omdat [eiseres] naast Borgers nog een extra deskundige wilde benoemen en vanwege de toon en de inhoud van de correspondentie met [naam] namens [eiseres] . [naam] stuurde Borgers op 4 november 2025 een e-mail dat [eiseres] akkoord was om Borgers in te schakelen zonder dat er een extra deskundige namens [eiseres] bij zou zijn en dat het niet zijn bedoeling was om Borgers op te jagen, maar dat [eiseres] op grond van het vonnis gebonden is aan strikte tijdslijnen.
2.14.
Borgers mailde op 5 november 2025 dat hij bereid was om de werkzaamheden te verrichten onder de door hem genoemde voorwaarden. Hij kon op 13 november 2025 langskomen voor een eerste contact met de aannemer en bezichtiging van de panden om een goed beeld te krijgen van het noodzakelijke herstel.
2.15.
Ook op 5 november 2025 mailde de advocaat van [eiseres] aan de advocaat van [gedaagden] dat [eiseres] akkoord was en het voorschot aan Borgers zou betalen als [gedaagden] ook akkoord zou gaan en zij geen dwangsom zouden claimen. [gedaagden] gingen niet akkoord met het niet innen van een dwangsom en stelden als voorwaarde (in het kort) dat de dwangsom vanaf 11 november 2025 zou gaan lopen en dat deze, als alles volgens Borgers op 13 november 2025 volgens plan zou gaan, op zijn instructie zal stoppen op 14 november 2025. Zo niet, dan bleef de dwangsom doorlopen. Daarmee ging [eiseres] niet akkoord.
2.16.
[eiseres] heeft uiteindelijk ContraExpert ingeschakeld, die op 7 november 2025 inspectie heeft verricht, op 9 november 2025 een rapport heeft aangeleverd en op 10 november 2025 op basis van dat rapport verschillende werkzaamheden heeft verricht.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I.
primair:
a) te bepalen dat de dwangsommen waartoe [eiseres] is veroordeeld worden opgeheven, althans deze te matigen tot een maximumbedrag van € 50,00,
b) [gedaagden] te veroordelen tot onmiddellijke en volledige medewerking (voor zover vereist) om naleving van het vonnis mogelijk te maken, binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis,
II.
subsidiair: een verklaring voor recht uit te spreken inhoudende dat [eiseres] over de reeds verstreken periode geen dwangsom heeft verbeurd,
III.
meer subsidiair: [gedaagden] te veroordelen de verbeurde dwangsommen niet te executeren,
IV. de (verdere) executie van de ten laste van [eiseres] opgelegde dwangsommen te schorsen, althans te bepalen dat geen executiemaatregelen worden genomen of voortgezet zolang aan het onder I. b) gevraagde bevel niet is voldaan,
V. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VI. Althans: een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Zij heeft na het vonnis alle inspanningen verricht om het vonnis op juiste wijze na te komen. Dat is haar echter door toedoen van [gedaagden] onmogelijk gemaakt doordat zij steeds voorgestelde bouwkundig deskundigen weigerden of pas laat reageerden en bovendien had zij ook te maken met de beschikbaarheid van de aan te stellen deskundigen, redenen die niet voor haar rekening kunnen komen. Uiteindelijk is [eiseres] akkoord gegaan met aanstelling van Borgers van Bureau voor Bouwpathologie en de door hem gestelde voorwaarden. Omdat [gedaagden] daar ook de voorwaarde aan verbond dat een dwangsom was verbeurd vanaf 11 november 2025 tot het moment dat Borgers vond dat het proces goed liep, kon [eiseres] niet akkoord gaan. Om die reden zag zij zich genoodzaakt om een andere deskundige (ContraExpert) aan te wijzen, ook omdat [gedaagden] steeds bleven dreigen om een dwangsom te innen. Kortom, [eiseres] heeft er alles aan gedaan om aan het vonnis te voldoen, maar is daarin keer op keer door [gedaagden] tegengewerkt. Bij die stand van zaken kan het niet zo zijn dat [eiseres] een dwangsom is verbeurd.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Volgens hen is het evident dat [eiseres] een dwangsom is verbeurd. Enerzijds omdat zij op 23 oktober 2025 werkzaamheden in het kader van aanbeveling 3 heeft laten uitvoeren nog voordat een bouwkundig deskundige was benoemd en zonder het vereiste toezicht. De dwangsom loopt door tot het moment dat de werkzaamheden wel onder toezicht van een onafhankelijke bouwkundige worden verricht. Anderzijds omdat door haar toedoen Borgers van Bureau voor Bouwpathologie pas op 13 november 2025, twee dagen na het verstrijken van de vierwekentermijn (2.5), kon langskomen. [eiseres] had de dwangsom kunnen beperken tot twee dagen, maar vervolgens is [eiseres] niet akkoord gegaan met Borgers en is zij met ContraExpert in zee gegaan. Het stond [eiseres] op grond van het vonnis niet vrij om een andere deskundige aan te wijzen. De dwangsom is daarom verbeurd vanaf 11 november 2025 tot het moment dat de werkzaamheden alsnog onder toezicht van Bureau voor Bouwpathologie worden uitgevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het is duidelijk dat partijen ieder een eigen interpretatie hebben van het vonnis en de wijze waarop [eiseres] aan aanbeveling 2 en 3 zou moeten voldoen. Om verdere discussie te voorkomen hebben partijen ter zitting voor de toekomst op detailniveau afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een door hen ondertekend proces-verbaal. De gemaakte afspraken hebben betrekking op de wijze van benoeming van een onafhankelijke deskundige (bouwpatholoog), die zal vaststellen wat er moet gebeuren om te voldoen aan aanbeveling 2 en 3 en ook de aannemer voordraagt die het door de deskundige voorgedragen werk zal verrichten. De kosten van de deskundige en de aannemer zullen worden gedragen door [eiseres] . Deze afspraken vervangen het vonnis en partijen hebben afgesproken dat vanaf 27 november 2025 (de datum van de zitting) geen dwangsom meer verbeurd kan worden. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de vraag of over het verleden een dwangsom is verbeurd en daarom hebben [gedaagden] op dit punt alsnog vonnis gevraagd. [gedaagden] menen dat [eiseres] een dwangsom verbeurd is over de periode 23 oktober 2025 tot 27 november 2025 dan wel over de periode 11 november 2025 tot 27 november 2025. De voorzieningenrechter volgt [gedaagden] daarin niet. Dat wordt hieronder toegelicht.
4.2.
[gedaagden] menen allereerst dat [eiseres] in strijd met het vonnis heeft gehandeld door op 23 oktober 2025 al werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer te laten uitvoeren, zonder het vereiste toezicht en nog voordat een deskundige was benoemd. Hoewel het buitengewoon onhandig is dat [eiseres] de werkzaamheden (al) op deze wijze heeft laten uitvoeren, volgt de voorzieningenrechter [gedaagden] niet in hun standpunt dat dat tot gevolg heeft dat [eiseres] een dwangsom is verbeurd. De dwangsom in het vonnis is gekoppeld aan de hoofdveroordeling onder 5.1, die inhoudt dat [eiseres]
binnen vier wekenna betekening van het vonnis dient aan te vangen met de nakoming van de rapportageverplichtingen zoals uiteengezet in randnummers 35 tot en met 39 van de dagvaarding. Die werkzaamheden dienen uiterlijk drie maanden na betekening van het vonnis te zijn voltooid. Het vonnis is op 14 oktober 2025 aan [eiseres] betekend, waardoor [eiseres] in ieder geval vóór 11 november 2025 (vier weken nadien) geen dwangsom verbeurd kan zijn. Ook daarna is geen dwangsom verbeurd. Zij had immers nog tot drie maanden na betekening de tijd om de werkzaamheden te voltooien en dus de werkzaamheden van 23 oktober 2025 indien nodig opnieuw te laten uitvoeren in lijn met aanbeveling 3.
4.3.
Daarnaast menen [gedaagden] dat [eiseres] een dwangsom is verbeurd over de periode vanaf 11 november 2025 tot 27 november 2025. Volgens [gedaagden] bestond voor [eiseres] de plicht om Borgers van Bureau voor Bouwpathologie te benaderen toen partijen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis geen overeenstemming hadden bereikt over de bouwkundig deskundige. [eiseres] heeft Borgers pas op 28 oktober 2025 gemaild. Borgers was pas op 13 november 2025 beschikbaar, maar dat had volgens [gedaagden] eerder kunnen zijn als [eiseres] tijdig en op ‘normale wijze’ contact met Borgers had opgenomen. De dwangsom is volgens [gedaagden] verschuldigd tot de dag van de zitting waarop afspraken zijn gemaakt over de te benoemen deskundige.
4.4.
Ook hierin volgt de voorzieningenrechter [gedaagden] niet. Uit de stukken blijkt dat [eiseres] meer dan voldoende inspanningen heeft gepleegd om (tijdig) aan het vonnis te kunnen voldoen. Zij heeft – nog voordat het vonnis aan haar werd betekend – verschillende partijen aangeschreven. Op de door haar voorgestelde deskundigen is door [gedaagden] steeds om verschillende redenen afwijzend gereageerd. Dat [eiseres] verplicht zou zijn om Bureau voor Bouwpathologie in te schakelen, volgt niet uit het vonnis. In randnummer 39 van de dagvaarding, waarnaar in het vonnis wordt verwezen, staat enkel dat bij het ontbreken van overeenstemming binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, wordt
voorgesteldom Bureau voor Bouwpathologie aan te wijzen. Dat daaruit een verplichting zou voortvloeien omdat het voorstel anders betekenisloos zou zijn, zoals [gedaagden] stelt, is onjuist. Desondanks is [eiseres] op 23 oktober 2025, een dag nadat [gedaagden] haar wees op de vermeende verplichting om in te stemmen met Bureau voor Bauwpathologie, akkoord gegaan met het aanstellen van Borgers. Ook de nadien door Borgers gestelde voorwaarden zijn door [eiseres] geaccepteerd. Dat de door [gedaagden] gewenste deskundige pas op 13 november 2025 beschikbaar was, kan [eiseres] niet worden verweten. Dat Borgers eerder beschikbaar was als [eiseres] hem op andere wijze zou hebben benaderd, is niet aannemelijk. Borgers noemde immers al in zijn eerste e-mail dat hij pas in de week van 10 november 2025 beschikbaar pas. Ook de overige vertraging kan [eiseres] niet worden verweten. Die vertraging houdt immers verband met de door [gedaagden] gestelde, onredelijke voorwaarde dat [eiseres] alsnog een dwangsom zou zijn verschuldigd tot het moment dat Borgers vond dat de werkzaamheden goed verliepen. Dat zou betekenen dat [eiseres] voor het al dan niet (verder) verbeuren van een dwangsom afhankelijk zou zijn van de mening van Borgers. Dat schiet het doel van de dwangsom voorbij, die immers bedoeld is als prikkel tot nakoming. Van [eiseres] kon gelet op voorgaande niet meer inspanning of zorgvuldigheid worden gevergd dan zij al heeft betracht waar het de aanstelling van Borgers betreft en het was voor haar dan ook onmogelijk om (tijdig) aan de veroordeling uit het vonnis te voldoen.
4.5.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat [eiseres] geen dwangsom is verbeurd tot 27 november 2025. De primaire vordering onder a) tot opheffing van dwangsom (zoals bedoel in artikel 611d Rv) zal in lijn daarmee worden toegewezen. Mede vanwege deze toewijzing en de gemaakte afspraken, bestaat bij de overige vorderingen geen belang meer. Die zullen daarom worden afgewezen.
4.6.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat ondanks het gebrek aan vertrouwen partijen erin zijn geslaagd op detailniveau afspraken te maken die zijn gericht op de toekomst. Bij het herstel van vertrouwen past niet dat partijen blijven procederen over het verleden. De voorzieningenrechter spreekt de hoop uit dat partijen zich voor nu op de toekomst richten en de strijdbijl zullen begraven.
4.7.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
0,00
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.616,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
heft de dwangsom, zoals bedoeld in 5.2 van het vonnis van 9 oktober 2025 (C/13/773912/ KG ZA 25-644) op,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025. [1]

Voetnoten

1.Type: KH