ECLI:NL:RBAMS:2025:10294

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11809059 \ CV EXPL 25-9992
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van parkeergeld en schadevergoeding na treintje rijden in parkeergarage

In deze bodemzaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in een vordering van Q-Park Operations Netherlands B.V. tegen een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij vorderde betaling van parkeergeld, schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten, omdat de gedaagde partij op 14 mei 2025 met een voertuig treintje had gereden in een parkeergarage, wat in strijd was met de overeenkomst en de algemene voorwaarden. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de overeenkomst tot stand is gekomen met een consument en dat de eisende partij voldaan heeft aan de informatieplichten. De kantonrechter heeft de bedingen in de algemene voorwaarden beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet oneerlijk zijn. De vordering is toegewezen, waarbij de gedaagde partij is veroordeeld tot betaling van € 398,61 aan parkeergeld en schadevergoeding, € 59,79 aan buitengerechtelijke kosten, en de proceskosten van € 378,78. De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11809059 \ CV EXPL 25-9992
Vonnis van 11 december 2025
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: eisende partij,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding van 17 juli 2025, met producties, heeft eisende partij een vordering ingesteld tegen de gedaagde partij.
1.2.
Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord, zodat tegen gedaagde partij verstek is verleend. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert dat gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 16,20 aan verschuldigd parkeergeld, € 382,41 aan schadevergoeding en € 59,79 aan buitengerechtelijke kosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten. Volgens eisende partij is tussen partijen een (parkeer)overeenkomst tot stand gekomen. Met het voertuig waarvan het kenteken op naam van gedaagde partij staat, is op 14 mei 2025 treintje gereden en daarmee is in strijd gehandeld met de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Gedaagde partij is op grond van artikel 5.5 van de algemene voorwaarden schadevergoeding en parkeergeld verschuldigd.
2.2.
Volgens eisende partij is het bedrag aan parkeergeld berekend aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage, uitgaande van het tijdstip waarop het voertuig is binnen gereden en het tijdstip van de gedraging. De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die eisende partij lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus eisende partij.
2.3.
De overeenkomst waarop eisende partij zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of eisende partij de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd.
2.4.
De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.
2.5.
De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Bij die beoordeling gaat het erom of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met alle andere bedingen van die overeenkomst.
2.6.
In artikelen 5.5, 6.6 en 7.5 van de in deze zaak overgelegde versie van de algemene voorwaarden (versie 02.2025) zijn bepalingen opgenomen over de door de consument te vergoeden schade:
‘5. Gebruikersvoorschriften(…)
5.5
Het met een Motorvoertuig of enig onder voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).
(…)

6.Parkeergeld en betaling

(…)
Kortparkeren
(…)
6.6
In geval van verlies of ontbreken van het Parkeerbewijs is de Parkeerder het door Q-Park voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd. De Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de Parkeerfaciliteit te voldoen. Indien de Klant achteraf door middel van de klachtenprocedure aan kan tonen wat de daadwerkelijke parkeertijd was, zal eventuele restitutie op basis daarvan plaats vinden. De bewijslast met betrekking tot de daadwerkelijke parkeertijd berust bij de Klant.
(…)

7.Aansprakelijkheid

(…)
7.5
De Klant is aansprakelijk voor alle schade die door hem is veroorzaakt aan de Parkeerfaciliteit of de daarbij behorende apparatuur en installaties.’
2.7.
Op grond van artikel 5.5 kan eisende partij het tarief verloren kaart en een gefixeerde schadevergoeding vorderen. Uit de tekst van het beding volgt dat deze vergoedingen zien op verschillende schadeposten, zodat dit beding niet tot dubbele vergoedingen zal kunnen leiden. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van eisende partij van de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding wordt deze als niet oneerlijk beoordeeld.
2.8.
Artikel 6.6 gaat ook over het tarief verloren kaart, maar de formulering van het beding leidt niet tot de mogelijkheid van cumulatie met artikel 5.5. Artikel 7.5 gaat over schade veroorzaakt aan de parkeerfaciliteit, wat gelet op de definitie van artikel 1 doelt op materiële schade aan de parkeergarage of het parkeerterrein. Daarmee ziet dit artikel op andere schadeposten dan waarop artikel 5.5 ziet, zodat dit niet tot dubbele vergoedingen zal kunnen leiden.
2.9.
De kantonrechter beoordeelt de hierboven beschreven bedingen dan ook als niet oneerlijk.
2.10.
Uitgangspunt is dat de vordering in verstek wordt toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het gevorderde parkeergeld en de gevorderde schadevergoeding komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de bedragen van € 16,20 en € 382,41 toewijsbaar zijn, evenals de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum van de gedraging.
2.11.
Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat gedaagde partij een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 59,79 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat eisende partij niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
2.12.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
378,78

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 398,61, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 59,79 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 17 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 378,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.
57327