ECLI:NL:RBAMS:2025:10296

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11653290 \ CV EXPL 25-5992
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurkoopovereenkomst en schadevergoeding bij betalingsachterstand

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen HILTERMANN LEASE B.V. en een gedaagde partij over een huurkoopovereenkomst voor een auto. De procedure begon met een dagvaarding op 9 april 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 10 december 2025. HILTERMANN vorderde ontbinding van de overeenkomst en betaling van achterstallige leasetermijnen, rente en incassokosten, omdat de gedaagde partij niet tijdig had betaald. De rechtbank oordeelde dat de gedaagde toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van de overeenkomst, waardoor ontbinding gerechtvaardigd was. De rechtbank wees de vorderingen van HILTERMANN grotendeels toe, inclusief de hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten. De gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt de verplichtingen van partijen in een huurkoopovereenkomst en de gevolgen van betalingsachterstanden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11653290 \ CV EXPL 25-5992
Vonnis van 19 december 2025 (bij vervroeging uitgesproken)
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HILTERMANN LEASE B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
eisende partij,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam
[handelsnaam],
wonende en zaakdoende te [woon-/vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G. Akaröz.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 april 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met een productie,
- het instructievonnis van 25 juli 2025,
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling,
- aanvullende producties ten behoeve van de mondelinge behandeling van Hiltermann.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Hiltermann is verschenen bij mr. S.J. Houweling, namens de gemachtigde, die via een videoverbinding aan de zitting heeft deelgenomen. [gedaagde] is verschenen bij zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 28 augustus 2024 een huurkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot een auto, te weten een Audi A3 met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).
2.2.
In de overeenkomst is bepaald dat de leaseprijs moet worden voldaan in 72 maandelijkse termijnen van € 641,86, waarbij de laatste termijn zal worden vermeerderd met € 2.992,50. De totale leaseprijs bedraagt € 50.933,30, waarvan de leasevergoeding € 15.275,80 bedraagt.
2.3.
Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard, te weten de Algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop) versie 01-12-2021. In deze voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
15. Indien de Eindgebruiker in gebreke blijft met de tijdige betaling van een Leasetermijn, dan wel enig ander door hem uit hoofde van de Overeenkomst en/of deze algemene voorwaarde verschuldigd bedrag, zal hij hierover een vertragingsrente verschuldigd zijn gelijk aan 1,5% per maand of de geldende wettelijke rente indien die hoger mocht zijn dan voormeld percentage, te rekenen vanaf de vervaldag tot en met de dag der betaling, waarbij een gedeelte van een maand voor een gehele maand wordt gerekend.
(…)
43. Indien de Eindgebruiker een op hem rustende verplichting jegens de Leasemaatschappij niet of niet tijdig nakomt (…) dan is de Leasemaatschappij gerechtigd het nog niet betaalde deel van de Leaseprijs, na de Eindgebruiker in geval van de niet of niet tijdige nakoming van een (betalings)verplichting eerst schriftelijk in gebreke te hebben gesteld, onmiddellijk vervroegd op te eisen. Door de vervroegde opeising van de Leaseprijs eindigt de Overeenkomst en is de Eindgebruiker niet langer gerechtigd het Object te gebruiken en zal de Leasemaatschappij het Object onmiddellijk tot zich kunnen nemen. (…)
53. (…) De buitengerechtelijke invorderingskosten worden gesteld op tien procent ( 10 % ) van het totale bedrag van de niet betaalde verschenen en nog niet verschenen termijnen, met een minimumbedrag van € 250,-. Voor zover de Leasemaatschappij kan aantonen dat de gemaakte buitengerechtelijke invorderingskosten hoger zijn dan de genoemde 10% komen de gemaakte buitengerechtelijke invorderingskosten volledig voor rekening van de Eindgebruiker.
2.4.
[gedaagde] heeft niet alle leasetermijnen tijdig en/of volledig betaald, waardoor een betalingsachterstand is ontstaan. Hiltermann en het door haar ingeschakelde incassobureau hebben [gedaagde] gesommeerd tot betaling. Bij brief van 14 januari 2025 is ontbinding van de leaseovereenkomst aangekondigd als de achterstand, vermeerderd met rente en incassokosten, niet wordt betaald voor 17 januari 2025.
2.5.
Bij deurwaardersexploot van 25 februari 2025 heeft Hiltermann de overeenkomst ontbonden, waarbij [gedaagde] is gesommeerd afgifte van de auto en tot betaling van € 52.361,08.
2.6.
Hiltermann heeft, na het uitblijven van vrijwillige afgifte van de auto door [gedaagde] , de auto als zijnde gestolen laten registreren. De auto is op 8 juli 2025 door de politie ingenomen. Nadien heeft Hiltermann de auto verkocht voor € 23.500,00.

3.Het geschil

3.1.
Hiltermann vordert, na vermindering van haar eis ter zitting, samengevat dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
a. verklaart voor recht dat de overeenkomst is ontbonden,
b. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 51.114,80 aan hoofdsom, te vermeerderen met contractuele rente van 18% per jaar, dan wel de wettelijke handelsrente, dan wel de wettelijke rente, € 342,83 aan rente en € 5.111,48 aan incassokosten, te verminderen met € 2.050,00 en te verminderen met de verkoopopbrengst van de auto van € 23.500,00,
c. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 859,10 aan innamekosten en € 211,75 aan kosten in verband met aangifte,
d. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2.
Hiltermann stelt dat [gedaagde] door het niet (tijdig) voldoen van de maandelijkse leasetermijnen toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] is de achterstallige leasetermijnen tot aan het moment van ontbinding van de overeenkomst verschuldigd en schadevergoeding vanwege voortijdige beëindiging, bestaande uit de resterende termijnen. Daarnaast is [gedaagde] contractuele rente en incassokosten verschuldigd, alsmede de kosten voor het innemen van de auto en voor aangifte bij de politie.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Hiltermann, met veroordeling van Hiltermann in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. Betwist wordt dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Voor zover al sprake is geweest van vertraging in de betalingen, is dat te wijten aan tijdelijke liquiditeitsproblemen, die inmiddels zijn hersteld. [gedaagde] wil de leaseovereenkomst graag voortzetten en is daartoe ook in staat. Daar heeft [gedaagde] ook belang bij, omdat de auto essentieel is voor zijn onderneming, woon-werkverkeer en zorgverplichtingen. Volgens [gedaagde] is geen sprake van verzuim, omdat hij niet rechtsgeldig in gebreke is gesteld. Ontbinding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, gelet op de geringe ernst van de tekortkoming en de onevenredige gevolgen voor [gedaagde] als de overeenkomst wordt beëindigd. De incassokosten moeten worden afgewezen, dan wel gematigd. [gedaagde] heeft zelf en via zijn gemachtigde geprobeerd om een minnelijke regeling met Hiltermann te treffen, maar dat verzoek is door Hiltermann afgewezen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat [gedaagde] de leaseovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt heeft gesloten in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Ambtshalve toepassing van het consumentenrecht is in dit geval niet aan de orde.
4.2.
[gedaagde] heeft niet betwist dat de maandelijks verschuldigde leasetermijnen niet tijdig en volledig zijn betaald. De tijdelijke liquiditeitsproblemen van [gedaagde] kunnen Hiltermann niet worden tegengeworpen. [gedaagde] verwijt Hiltermann dat zij in de minnelijke fase, althans vóór de ontbinding van de overeenkomst, niet heeft ingestemd met een regeling. Los van de omstandigheid dat Hiltermann daar in beginsel niet toe gehouden is, heeft [gedaagde] niet onderbouwd dat hij een concreet en redelijk aanbod voor een afbetalingsregeling aan (de gemachtigde van) Hiltermann heeft gedaan. Bovendien liet [gedaagde] , op het moment dat partijen spraken over een regeling, de opvolgende maandelijkse leasetermijnen onbetaald. Onder die omstandigheid kan [gedaagde] Hiltermann niet verwijten dat zij niet heeft willen instemmen met een regeling. Deze verweren van [gedaagde] kunnen daarom niet slagen.
4.3.
[gedaagde] is tijdig in gebreke gesteld. Op het moment van ontbinding van de overeenkomst op 25 februari 2025, maar ook al geruime tijd daarvoor, bestond een aanzienlijke betalingsachterstand van meerdere maanden, zodat sprake is van een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigt. Nu vaststaat dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst, mocht Hiltermann de overeenkomst ontbinden. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
4.4.
Op grond van de overeenkomst en artikel 43 van de algemene voorwaarden is [gedaagde] verplicht om de achterstallige leasetermijnen tot aan het moment van ontbinding van de overeenkomst te betalen. Daarnaast moet hij een schadevergoeding betalen ter hoogte van het totaalbedrag van de leasetermijnen die hij zou hebben moeten voldoen als de overeenkomst niet was ontbonden. Op het moment van de ontbinding bedroeg de betalingsachterstand voor wat betreft de leasetermijnen volgens de ontbindingsverklaring € 4.032,66. Dat is door [gedaagde] ook niet betwist.
4.5.
De hoofdsom bij dagvaarding bedraagt € 51.114,80. Ter zitting heeft de gemachtigde van Hiltermann laten weten dat de hoofdsom op dit moment volgens haar € 27.614,80 bedraagt, omdat de verkoopopbrengst van de auto in mindering kan worden gebracht.
4.6.
[gedaagde] heeft ter zitting gerefereerd aan twee betalingen, één van € 1.250,00 op 17 februari 2025 en één van € 800,00 op 31 maart 2025, waarmee Hiltermann ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden. De gemachtigde van Hiltermann heeft ter zitting laten weten dat deze betalingen inderdaad zijn ontvangen. Ze zijn echter niet in mindering gebracht op de hoofdsom, omdat ze niet terugkomen op de specificaties. Deze betalingen komen daarom nog in mindering op de hoofdsom, zodat een bedrag van € 25.564,80 resteert.
4.7.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.265,65. Hiltermann heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De hoofdsom bedroeg vóór de verkoop van de auto, met inachtneming van de twee betalingen waarmee Hiltermann ten onrechte geen rekening heeft gehouden, € 49.064,80.
In artikel 53 van de algemene voorwaarden is bepaald dat de aan Hiltermann te vergoeden buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld op 10% van het niet betaalde deel van de leaseprijs. De door [gedaagde] verschuldigde vergoeding zou daarmee, gelet op voornoemde hoofdsom, uitkomen op € 4.906,48. De kantonrechter matigt de vergoeding echter tot € 1.265,65, aansluitend bij de staffel uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Uit de omschrijving van de buitengerechtelijke werkzaamheden kan namelijk niet worden opgemaakt dat Hiltermann kosten heeft gemaakt die een hogere vergoeding dan de staffel rechtvaardigen.
4.8.
Hiltermann vordert de contractuele rente van 18% per jaar over de hoofdsom. De contractuele rente is echter alleen toewijsbaar over de betalingsachterstand tot aan de datum van ontbinding. Op dat moment bedroeg de achterstand € 4.032,66 (zie overweging 4.4). De kantonrechter stelt vast dat het bedrag aan verschenen rente dat in de dagvaarding staat onjuist is berekend. De contractuele rente zal daarom worden toegewezen over € 4.032,66 vanaf de verschillende vervaldata van de facturen.
4.9.
Omdat de overeenkomst is ontbonden, kan Hiltermann geen aanspraak maken op de contractuele rente over de leasetermijnen ná ontbinding. Ook is toewijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente niet mogelijk. Het bedrag aan leasetermijnen na ontbinding is namelijk een schadevergoeding. Gelet hierop zal de kantonrechter over het bedrag van € 21.532,14 (verwezen wordt naar de in overweging 4.6 genoemde hoofdsom van € 25.564,80 minus het in overweging 4.4 bedoelde aandeel daarvan van € 4.032,66) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen vanaf de ontbindingsdatum, te weten 25 februari 2025.
4.10.
De vorderingen met betrekking tot de inname van de auto en de aangifte bij de politie worden afgewezen. Weliswaar worden in de dagvaarding bedragen genoemd, maar op dat moment waren nog geen kosten gemaakt. Het lag op de weg van Hiltermann om de in dit verband specifiek voor [gedaagde] gemaakte kosten inzichtelijk te maken en te onderbouwen. Dat heeft Hiltermann niet gedaan.
4.11.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hiltermann worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.805,73

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten huurkoopovereenkomst met betrekking tot de auto genoemd in overweging 2.1. is ontbonden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Hiltermann van:
  • € 25.564,80 aan hoofdsom,
  • contractuele rente van 18% per jaar over € 4.032,66 vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van volledige betaling,
  • de wettelijke rente over € 21.532,14 vanaf 25 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Hiltermann van € 1.265,65 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.805,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen en in het bijzijn van
mr. S. Homringhausen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
991