Partijen sloten op 28 augustus 2024 een huurkoopovereenkomst voor een Audi A3. De gedaagde betaalde niet alle leasetermijnen tijdig, waardoor een betalingsachterstand ontstond. Hiltermann stelde de overeenkomst na sommatie en ingebrekestelling op 25 februari 2025 ontbonden en eiste betaling van openstaande bedragen en kosten.
De gedaagde voerde aan dat de betalingsachterstand voortkwam uit tijdelijke liquiditeitsproblemen en dat ontbinding onredelijk was. De rechtbank oordeelde dat de gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten en dat ontbinding gerechtvaardigd is. De vorderingen van Hiltermann werden grotendeels toegewezen, met matiging van incassokosten.
De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van een hoofdsom van €25.564,80, contractuele rente over het achterstallige bedrag tot ontbinding, wettelijke rente over de schadevergoeding na ontbinding, en incassokosten van €1.265,65. Vorderingen voor innamekosten en aangiftekosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden aan de gedaagde opgelegd.