AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing stadspas wegens schending hoorplicht en onjuiste inkomensberekening
Eiseres diende op 17 februari 2025 een aanvraag in voor een stadspas bij de gemeente Amsterdam, die deze op 25 februari 2025 afwees wegens een te hoog inkomen en vermogen. Het bezwaar van eiseres werd op 24 april 2025 ongegrond verklaard. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 10 november 2025, waarbij verweerder niet aanwezig was.
De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden, wat een schending van de hoorplicht inhoudt zoals voorgeschreven in artikel 7:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast is onjuist het inkomen van de ex-partner van eiseres over 2024 meegeteld, terwijl zij en haar ex-partner in dat jaar niet meer samenwoonden. Dit leidde tot een onterechte overschrijding van de inkomensnorm.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de gemeente op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het inkomen van de ex-partner buiten beschouwing wordt gelaten. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de gemeente op een nieuw besluit te nemen zonder het inkomen van de ex-partner mee te tellen en met inachtneming van de hoorplicht.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3392
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.A.E. Bol),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een stadspas. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden en de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen .Het beroep van eiseres is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 17 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een stadspas. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 februari 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. [1]
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres heeft verweerder een onderzoek verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 25 februari 2025. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen wegens een te hoog inkomen en vermogen van eiseres in 2024.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres een te hoog inkomen heeft om in aanmerking te komen voor een stadspas. De auto heeft een medische noodzaak en wordt niet meer meegeteld bij het vermogen. Het spaargeld van eiseres ligt op de peildatum lager dan de vermogensgrens. De hoogte van het vermogen vervalt als afwijzingsgrond.
Verweerder heeft verder toegelicht dat:
“In 2024 was uw ex-partner nog 5 maanden in het gezin. Zijn inkomen telt dus de eerste 5 maanden van 2024 mee bij het gezinsinkomen. Hij had € 5.795 loon (opgave werkgever). U had zelf € 25.609 WGA (opgave van UWV). Wij gaan van de brutobedragen uit. Bij de berekening van het toets bedrag is uitgegaan van 5/12 van het toets bedrag voor een gezin
(€ 36.350) en 7/12 van het toets bedrag voor een alleenstaande (€ 26.664). Dat komt uit op
€ 30.700. Dit is de toepassing van artikel 5 lid 4 vanPro de beleidsregel waar uw gemachtigde naar vraagt.”
Verweerder ziet geen reden voor het toepassen van de hardheidsclausule. Een kleine overschrijding van het toets bedrag is geen bijzondere omstandigheid. Eiseres kan per 1 januari 2026 al een nieuwe aanvraag indienen, waarbij het inkomen van haar ex-partner niet meer meetelt.
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Er is verzocht om een hoorzitting om de gronden te kunnen aanvullen. Hier is ten onrechte van af gezien. Eiseres heeft niet al haar gronden kunnen indienen. Daarnaast is er ten onrechte rekening gehouden met het inkomen van de ex-partner van eiseres. Hierdoor komt het inkomen met een bedrag van € 704,- boven de norm uit. Verweerder is ten onrechte uit gegaan van inschrijving in de Basisregistratie personen. De relatie is in 2023 al beëindigd. Vanwege woningnood was het niet mogelijk om direct een andere woning te vinden. De ex-partner verbleef hierdoor tijdelijk bij haar broer. Eiseres verwijst naar een verklaring van haar ex-partner. Ook is bij de Wmo-aanvraag van medio november 2023 aangegeven dat er geen hulp is. Bij de beoordeling van deze aanvraag is wel rekening gehouden met de feitelijke situatie, namelijk dat de ex-partner niet meer woonde op het adres van eiseres. Tot slot is onvoldoende rekening gehouden met haar bijzondere omstandigheden en doet eiseres een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
Is de hoorplicht geschonden?
6. Eiseres voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Deze beroepsgrond slaagt. In artikel 7:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat, voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Dat is in deze zaak ten onrechte niet gebeurd en de rechtbank overweegt daartoe als volgt.
7. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting aanvullende e-mails [2] tussen haar en een bezwaarjurist werkzaam bij verweerder overgelegd. Hieruit volgt dat de bezwaarjurist in zijn e-mail van 31 maart 2025 heeft toegelicht hoe het vermogen en inkomen van eiseres is vastgesteld. Hierop heeft de gemachtigde van eiseres gereageerd met een e-mail van 14 april 2025. In reactie hierop heeft de bezwaarjurist in zijn e-mail van 15 april 2025 gevraagd of zij nog een mondelinge toelichting wenste te geven. En dat daarvoor een belafspraak kan worden gemaakt. In de e-mail van 25 april 2025 [3] heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat zij een mondelinge toelichting wilde geven.
8. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres op 25 april 2025 bevestigend heeft gereageerd op de vraag of zij een mondelinge toelichting wilde geven. Daarmee kan niet worden gezegd dat zij niet heeft geantwoord zoals is overwogen in het bestreden besluit. Dit klemt temeer omdat de bezwaarjurist in zijn e-mail van 15 april 2025 ten onrechte geen reactietermijn heeft opgenomen. Ook is de reactie van 25 april 2025 niet onredelijk laat.
Mocht verweerder het inkomen van de ex-partner van eiseres meetellen?
9. Bij aanvragen gedaan in 2025 wordt het inkomen uit 2024 als uitgangspunt genomen. Dit volgt uit de Beleidsregels Stadspas. [4] Uit de Beleidsregels Stadspas volgt verder dat de aanvrager over het refertejaar - in dit geval 2024 - over een minimuminkomen dient te beschikken. [5] Wat onder een minimuminkomen wordt verstaan is bepaald in artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregels Stadspas.
10. De rechtbank oordeelt dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar ex-partner, mevrouw [persoon] in 2024 niet meer samenwoonden. De rechtbank vindt het in dit kader van belang dat de ex-partner (en dus niet de broer van eiseres) heeft verklaard dat zij in 2024 niet meer met eiseres samenwoonde. Daarnaast heeft eiseres op de zitting overtuigend toegelicht dat bij de toekenning van haar Wmo-aanvraag de gemeente Amsterdam is uitgegaan van de feitelijke situatie, namelijk dat zij alleen woont. Daarnaast heeft zij op de zitting een kopie van een besluit van 20 november 2023 van de gemeente Amsterdam overgelegd waaruit volgt dat aan eiseres vanaf 24 oktober 2023 voor de duur van een jaar begeleid thuis is toegekend. Volgens eiseres was het voorgaande niet aan haar toegekend als zij nog had samengewoond met haar ex-partner.
11. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder het inkomen van de ex-partner ter hoogte van € 5.795,- ten onrechte heeft meegeteld in de berekening van het inkomen van eiseres over het jaar 2024. Uitgaande van de bedragen zoals genoemd in het bestreden besluit, betekent dit dat verweerder moet uitgaan van het inkomen van eiseres van € 25.609,-. Naar het zich laat aanzien ligt het inkomen van eiseres daarmee onder het bedrag van € 26.664,- en komt zij daarmee in aanmerking voor een stadspas.
Conclusie en gevolgen
12. Naar het oordeel van de rechtbank kleven aan het betreden besluit meerdere zorgvuldigheidsgebreken. Het beroep is om die reden gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt.
13. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om met inachtneming van deze uitspraak te motiveren of eiseres, gelet op haar bruto jaarinkomen over het jaar 2024, in aanmerking komt voor een stadspas.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Op de zitting was het bericht van verhindering bij de rechtbank nog niet bekend. De rechtbank heeft na afloop van de zitting kennis genomen van dit bericht.
2.Het gaat om e-mails over de periode van 31 maart 2025 tot en met 25 april 2025.
3.Dit stuk is als bijlage bij het beroep met aanvullende gronden van 30 juni 2025 overgelegd.
4.Zie artikel 1, onder k, van de Beleidsregels Stadspas.