Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10354

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11666982 \ CV EXPL 25-6367
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke ontbinding aannemingsovereenkomst en toewijzing schadevergoeding wegens tekortkomingen

Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor levering en plaatsing van een laadpaal en verbouwwerkzaamheden aan een zolder. De werkzaamheden werden niet volledig uitgevoerd en de laadpaal niet geplaatst, waarna een geschil ontstond en de opdrachtgever de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbond.

De rechtbank oordeelde dat de ontbinding rechtsgeldig was omdat de aannemer in verzuim verkeerde. De aannemer had onvoldoende onderbouwd dat sprake was van schuldeisersverzuim of opschorting. De opdrachtgever kreeg daarom terugbetaling van de aanneemsom voor de niet uitgevoerde werkzaamheden.

Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend wegens ondeugdelijk uitgevoerde zolderwerkzaamheden. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden deels toegewezen tot het wettelijke maximum. Ook werden wettelijke rente, expertisekosten en proceskosten toegewezen.

Het verstekvonnis werd vernietigd en de aannemer werd veroordeeld tot betaling van de genoemde bedragen, met wettelijke rente en proceskosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijke ontbinding toe en veroordeelt de aannemer tot terugbetaling, schadevergoeding, incassokosten, rente, expertisekosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11666982 \ CV EXPL 25-6367
Vonnis in verzet van 7 november 2025
in de zaak van
[geopposeerde], handelend onder de naam [handelsnaam geopposeerde] ,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde partij in het verzet,
oorspronkelijke eisende partij,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
gemachtigde: mr. M. Arraiss,
tegen
[opposant], handelend onder de naam [handelsnaam opposant] ,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
eisende partij in het verzet,
oorspronkelijke gedaagde partij,
hierna te noemen: [opposant] ,
gemachtigde: mr. P. Salim.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juli 2024;
- het verstekvonnis van 5 september 2024;
- de verzetsdagvaarding van 13 maart 2025;
- het tussenvonnis van 9 mei 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte houdende aanvullende productie van [geopposeerde] , ingekomen op 8 juli 2024; en
- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt die zich in het dossier bevinden.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben omstreeks 3 november 2023 een aannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [opposant] tegen betaling van een aanneemsom van € 1.923,90 inclusief btw een laadpaal zou leveren en plaatsen. [opposant] heeft hiervoor een factuur verstuurd. [geopposeerde] heeft deze voldaan.
2.2.
[opposant] heeft op 10 november 2023 een offerte naar [geopposeerde] verstuurd voor het verrichten van verbouwwerkzaamheden aan de zolder van de woning van [geopposeerde] tegen betaling van een aanneemsom van € 26.300,- inclusief btw. [geopposeerde] heeft de helft van dit bedrag, dus € 13.150,- voldaan.
2.3.
Op 30 december 2023 is tussen partijen een geschil ontstaan, waarna [opposant] geen werkzaamheden meer heeft verricht. Op dat moment was de laadpaal nog niet geplaatst en was slechts een deel van de verbouwwerkzaamheden aan de zolder uitgevoerd.
2.4.
De gemachtigde van [geopposeerde] heeft [opposant] bij brief van 28 maart 2024 in de gelegenheid gesteld om het werk uiterlijk binnen veertien dagen te hervatten en uiterlijk binnen vijf weken te voltooien. [opposant] heeft hierop niet gereageerd.
2.5.
De gemachtigde van [geopposeerde] heeft [opposant] vervolgens bij brief van 25 april 2024 bericht dat [geopposeerde] de aannemingsovereenkomst voor de laadpaal geheel ontbindt en de aannemingsovereenkomst voor de zolderwerkzaamheden gedeeltelijk ontbindt, namelijk voor het deel van de werkzaamheden dat nog niet is uitgevoerd. Ook heeft de gemachtigde van [geopposeerde] [opposant] in deze brief gesommeerd de reeds betaalde bedragen van € 1.923,90 en € 13.150,- binnen vijftien dagen terug te betalen.

3.Het geschil

3.1.
[geopposeerde] vordert – samengevat – veroordeling van [opposant] tot betaling van:
€ 1.923,90 in verband met de niet geplaatste laadpaal;
€ 10.150,- in verband met de niet uitgevoerde zolderwerkzaamheden;
€ 3.000,- aan schadevergoeding wegens ondeugdelijk verrichte zolderwerkzaamheden;
€ 1.132,88 aan buitengerechtelijke incassokosten;
de wettelijke rente over voornoemde bedragen;
€ 1.052,70 aan expertisekosten; en
de proceskosten.
3.2.
[geopposeerde] legt aan vordering 1 ten grondslag dat hij de aannemingsovereenkomst voor de laadpaal heeft ontbonden, waardoor op [opposant] een ongedaanmakingsverbintenis tot terugbetaling van het bedrag van € 1.923,90 is komen te rusten. Hij legt aan vordering 2 ten grondslag dat hij de aannemingsovereenkomst voor de zolderwerkzaamheden gedeeltelijk heeft ontbonden, waardoor voor het ontbonden deel van deze overeenkomst een verbintenis tot terugbetaling van € 10.150,- is ontstaan. Volgens [geopposeerde] is dit de waarde van de
nietdoor [opposant] uitgevoerde werkzaamheden en geleverde materialen. [geopposeerde] legt aan vordering 3 ten grondslag dat de kwaliteit van de
weldoor [opposant] verrichte werkzaamheden ondeugdelijk is en hij daardoor € 3.000,- aan schade heeft geleden.
3.3.
[opposant] voert verweer. Hij voert aan dat [geopposeerde] de aannemingsovereenkomsten niet rechtsgeldig heeft ontbonden, omdat niet is voldaan aan het vereiste van verzuim. Volgens [opposant] is namelijk sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [geopposeerde] en komt hem een beroep op opschorting toe, omdat [geopposeerde] in afwijking van de afspraak dat hij de volledige aanneemsom vóór aanvang van de werkzaamheden zou betalen eenzijdig heeft bepaald dat hij de tweede helft van de aanneemsom na afloop van de werkzaamheden zou betalen. Ook heeft [geopposeerde] volgens hem ten onrechte een aanvullende garantie voor zijn werkzaamheden en materiaal geëist. [opposant] zegt dat [geopposeerde] het hem hierdoor onmogelijk heeft gemaakt om zijn werkzaamheden te voltooien.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen van [geopposeerde] worden grotendeels toegewezen. Alleen de door hem gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden niet volledig toegewezen. Dit wordt hierna toegelicht.
Terugbetaling wegens ontbinding van de aannemingsovereenkomst voor de laadpaal
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [geopposeerde] voor de levering en plaatsing van de laadpaal € 1.923,90 aan [opposant] heeft betaald en [opposant] de laadpaal tot op heden niet heeft geplaatst. De tekortkoming van [opposant] in de nakoming van de verbintenis tot levering en plaatsing van de laadpaal staat hiermee vast. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeengekomen termijn voor de uitvoering inmiddels ruimschoots is overschreden. [opposant] heeft enkel opgeworpen dat hij niet in verzuim verkeerde, omdat sprake zou zijn van schuldeisersverzuim en hij de uitvoering van zijn werkzaamheden mocht opschorten. Hij onderbouwt dit vervolgens alleen met stellingen die de aannemingsovereenkomst voor de zolderwerkzaamheden aangaan. [opposant] voert in dit verband namelijk slechts aan dat [geopposeerde] de volledige aanneemsom vóóraf zou betalen en ten onrechte een aanvullende garantie voor zijn werk en materiaal heeft geëist. Hij heeft verder niet gemotiveerd waarom deze stellingen ten aanzien van de aannemingsovereenkomst voor de laadpaal ertoe moeten leiden dat hij zich op schuldeisersverzuim of opschorting kan beroepen. Het gevolg is dat hij in verzuim verkeerde en [geopposeerde] de aannemingsovereenkomst voor de laadpaal rechtsgeldig heeft ontbonden. Op [opposant] rust dan ook een ongedaanmakingsverbintenis tot terugbetaling van € 1.923,90. De kantonrechter zal hem veroordelen dit bedrag aan [geopposeerde] te voldoen.
Terugbetaling wegens gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst voor de zolderwerkzaamheden
4.3.
Voor de beoordeling van de vordering tot terugbetaling van € 10.150,- moet worden beoordeeld of de gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst voor de zolderwerkzaamheden rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Voor het antwoord op deze vraag is van belang of het beroep op schuldeisersverzuim en/of het beroep op opschorting van [opposant] ten aanzien van deze aannemingsovereenkomst slagen. Als een van deze verweren slaagt, dan is namelijk niet voldaan aan het vereiste van verzuim en was [geopposeerde] niet bevoegd deze aannemingsovereenkomst te ontbinden. Het betoog van [opposant] is tweeledig: [geopposeerde] zou ten onrechte aanvullende voorwaarden aan de aannemingsovereenkomst hebben gesteld, en hij zou de oorspronkelijke afspraak over (het moment van) de betaling van de aanneemsom eenzijdig hebben gewijzigd.
4.4.
De kantonrechter volgt [opposant] niet in zijn standpunt dat [geopposeerde] ten onrechte aanvullende voorwaarden heeft gesteld en hij daardoor niet bevoegd was over te gaan tot de gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst. De gemachtigde van [geopposeerde] heeft in zijn brief van 28 maart 2024 namelijk benadrukt dat [geopposeerde] aan de herstelmogelijkheid géén andere voorwaarden verbindt dan dat het werk binnen de gestelde termijn deugdelijk en volgens overeenkomst zou worden uitgevoerd. Voor zover [geopposeerde] in een eerder stadium wel aanvullende voorwaarden heeft gesteld, heeft hij hiervan daarna dus weer afstand gedaan. Dit betekent dat de discussie zich verder toespitst op de vraag wat partijen hebben afgesproken over de betaling van de aanneemsom en wie in (schuldeisers)verzuim is komen te verkeren.
4.5.
[opposant] stelt in dit verband dat partijen hebben afgesproken dat [geopposeerde] de volledige aanneemsom vóór aanvang van de werkzaamheden zou voldoen en onderbouwt dit aan de hand van de offerte van 10 november 2023 waarop als ‘
due date’11 november 2023 is opgenomen. Hieruit blijkt volgens hem dat [geopposeerde] de volledige aanneemsom reeds op 11 november 2023 zou voldoen. [geopposeerde] betwist dit en zegt dat op dat moment nog geen sprake was van een overeenkomst, boven het document staat dan ook offerte (
quote). Volgens hem hebben partijen omstreeks 3 december 2023 pas overeenstemming bereikt en hebben zij toen afgesproken dat [geopposeerde] de helft van de aanneemsom vóór aanvang van de werkzaamheden zou voldoen en de andere helft van de aanneemsom bij de oplevering zou voldoen.
4.6.
De kantonrechter stelt voorop dat bij aanneming van werk als uitgangspunt geldt dat de betalingsverplichting van een opdrachtgever pas ontstaat als het werk naar de bepalingen van de overeenkomst tot stand is gebracht en opgeleverd. Partijen kunnen andere afspraken maken, zoals dat de volledige aanneemsom van tevoren wordt betaald. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [opposant] echter onvoldoende gemotiveerd dat hij op een dergelijke afspraak mocht vertrouwen. De enkele vermelding van een
‘due date’die één dag na de offertedatum ligt, is daarvoor onvoldoende. Hierbij is van belang dat partijen het erover eens zijn dat dit document pas in december 2023 door [geopposeerde] is ondertekend en [opposant] hierna met zijn werkzaamheden is begonnen. [geopposeerde] had op dat moment de aanneemsom nog niet voldaan. Dat [opposant] op dat moment aanspraak heeft gemaakt op betaling van de volledige aanneemsom is niet gebleken. Vast staat dat [geopposeerde] de helft van de aanneemsom vooruit heeft betaald, hetgeen overeenstemt met zijn stelling over de partij-afspraken op dit punt. Kijkend naar hoe partijen in praktijk uitvoering hebben gegeven aan de aannemingsovereenkomst, kan de kantonrechter dan ook niet vaststellen dat [opposant] erop mocht vertrouwen dat de volledige aanneemsom vooruit betaald moest worden. Tijdens de zitting heeft [opposant] een aanvullend bewijsaanbod gedaan, dat op camera zou zijn vastgelegd dat [geopposeerde] heeft toegezegd dat hij de volledige aanneemsom vooruit zou betalen. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat het in strijd met een goede procesorde zou zijn om [opposant] hiertoe nog in gelegenheid te stellen. Het partijdebat heeft zich in de processtukken namelijk al toegespitst op de vraag of partijen hebben afgesproken dat de volledige aanneemsom vooruitbetaald moest worden, zodat het op weg van [opposant] had gelegen om deze videobeelden uiterlijk voorafgaand aan de zitting in het geding te brengen. [opposant] had daar immers al de beschikking over.
4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geopposeerde] niet verplicht was om de volledige aanneemsom vóór aanvang van de werkzaamheden aan [opposant] te betalen. [geopposeerde] verkeerde dus niet in schuldeisersverzuim en het beroep van [opposant] op opschorting en schuldeisersverzuim faalt als een gevolg daarvan. Dit brengt mee dat aan het vereiste van verzuim aan de zijde van [opposant] is voldaan, zodat [geopposeerde] de aannemingsovereenkomst voor de zolderwerkzaamheden rechtsgeldig gedeeltelijk heeft ontbonden. [opposant] moet daarom het corresponderende deel van het door [geopposeerde] betaalde bedrag terugbetalen.
4.8.
De kantonrechter zal voor de hoogte van de terugbetalingsverplichting aansluiten bij het door [geopposeerde] ingediende expertiserapport van Bouwinspecteurs Nederland. Volgens dit rapport had [opposant] voorafgaand aan de ontbinding van de aannemingsovereenkomst reeds voor een bedrag van circa € 3.000,- arbeid en materialen geleverd. Het ontbonden deel van de aannemingsovereenkomst vertegenwoordigt dus een waarde van € 23.300,-, waarvan € 10.150,- door [geopposeerde] is betaald. [opposant] zal worden veroordeeld om dit laatste bedrag aan [geopposeerde] terug te betalen.
Vordering 3: de schadevergoeding
4.9.
De gevorderde schadevergoeding wordt ook toegewezen, omdat [geopposeerde] voldoende heeft onderbouwd dat [opposant] is tekortgeschoten in het deel van de zolderwerkzaamheden dat hij
welheeft uitgevoerd en [geopposeerde] daardoor € 3.000,- aan schade heeft geleden. Bouwinspecteurs Nederland heeft in haar rapport geconcludeerd dat het verrichte werk op alle onderdelen technisch ondeugdelijk en amateuristisch is uitgevoerd en de herstelkosten € 3.000,- bedragen. [opposant] heeft hiertegen geen inhoudelijk verweer gevoerd. Hij heeft weliswaar gesteld dat [geopposeerde] geen recht heeft op een schadevergoeding, maar daaraan geen andere argumenten ten grondslag gelegd dan dat er sprake is van schuldeisersverzuim en hij zich op opschorting beroept. De kantonrechter heeft hiervoor al uitgelegd dat deze verweren van [opposant] niet slagen. Dit betekent dat de door [geopposeerde] gevorderde schadevergoeding van € 3.000,- zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
[geopposeerde] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van
€ 1.132,88. De toewijsbaarheid van deze vordering zal worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [geopposeerde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag daarom toewijzen tot het wettelijke tarief. Dat is € 936,27.
Wettelijke rente
4.11.
[geopposeerde] vordert de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsommen vanaf 13 februari 2024, althans 12 maart 2024, althans 12 april 2024, althans de datum van dagvaarding. Hij vordert daarnaast wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf de datum van dagvaarding. [opposant] heeft tegen de wettelijke rente geen afzonderlijk verweer gevoerd.
4.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [opposant] wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro over vordering 1 en vordering 2 verschuldigd vanaf 10 mei 2024, omdat die dag de betalingstermijn in de sommatiebrief van [geopposeerde] van 25 april 2024 is verstreken en [opposant] sinds die dag in verzuim verkeert ten aanzien van de nakoming van de ongedaanmakingsverbintenissen als gevolg van de (gedeeltelijke) ontbinding van de aannemingsovereenkomsten.
4.13.
Voor de vordering tot schadevergoeding (vordering 3) geldt op grond van artikel 6:83 sub b BW Pro dat het verzuim is ingetreden op de dag dat [geopposeerde] de schade heeft geleden, zodat de termijn waarover [opposant] wettelijke rente verschuldigd is in principe ook die dag is gaan lopen. De kantonrechter kan de datum dat de schade is ontstaan echter niet nauwkeurig vaststellen. Aangezien [opposant] vanaf eind 2023 geen werkzaamheden meer heeft verricht, moet de schade in ieder geval vóór die datum zijn ontstaan. De kantonrechter zal de wettelijke rente over vordering 3 daarom zoals gevorderd toewijzen vanaf 13 februari 2024.
4.14.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
Expertisekosten
4.15.
De door [geopposeerde] gevorderde vergoeding van expertisekosten van € 1.052,70 (rapport Bouwinspecteurs Nederland) wordt toegewezen, omdat hij stelt dat hij deze kosten in redelijkheid heeft moeten maken om de schade en aansprakelijkheid vast te stellen en de hoogte hiervan ook redelijk is. [opposant] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Deze kosten komen op grond van artikel 6:96 BW Pro in aanmerking.
Proceskosten
4.16.
[opposant] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
116,39
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.063,39

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt het op 5 september 2024 tussen partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 11200205\ CV EXPL 24-8410,
5.2.
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 1.923,90, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 10.150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 936,27, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.6.
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 1.052,70,
5.7.
veroordeelt [opposant] in de proceskosten van € 1.063,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [geopposeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.B. Fonville, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.