ECLI:NL:RBAMS:2025:10355

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11652437 \ CV EXPL 25-5972
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:136 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaand factuurdeel catering op dance event toegewezen

Eiser, een cateringbedrijf, verzorgde tijdens een door gedaagde georganiseerd dance event de catering waarbij bezoekers met consumptiemunten konden betalen. Na afloop stuurde eiser een factuur gebaseerd op het aantal ingenomen munten. Gedaagde betaalde slechts een deel van de factuur en voerde verweer over de plaatsing van foodtrucks, de muntentelling en prijsstelling van munten.

De rechtbank oordeelde dat gedaagde onvoldoende had onderbouwd dat de muntentelling met specifieke software had moeten plaatsvinden en dat eiser de munten correct had geteld. Het vermoeden van bijdrukken van munten door eiser werd niet bewezen. Wel werd vastgesteld dat voor 194 crewmunten een lagere prijs van €2 per munt in plaats van €4 per munt had moeten worden gehanteerd.

Hierdoor werd het openstaande bedrag verminderd met €257,63. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €4.487,27, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 28 november 2024 en buitengerechtelijke incassokosten van €577,29. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van €1.475,40. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €4.487,27 met rente en incassokosten na catering op dance event.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11652437 \ CV EXPL 25-5972
Vonnis van 14 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W.A. van Sambeek,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.Zaak in het kort

1.1.
[eiser] heeft op een door [gedaagde] georganiseerd dance event een deel van de catering verzorgd. Bezoekers konden bij [eiser] betalen met consumptiemunten. Na afloop van het event heeft [eiser] aan de hand van het aantal ingenomen munten een factuur naar [gedaagde] verstuurd. [gedaagde] heeft deze gedeeltelijk voldaan. [eiser] vordert in deze procedure betaling van het openstaande deel van de factuur van € 4.744,90. [gedaagde] voert verweer. Zij zegt dat [eiser] de foodtrucks verkeerd heeft neergezet, de muntentelling niet op een juiste wijze heeft bijgehouden/laten controleren en voor een deel van de munten een te hoge prijs heeft gerekend. Ook heeft [gedaagde] het sterke vermoeden dat [eiser] munten heeft laten bijdrukken en daarvoor ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht.
1.2.
De vordering van [eiser] wordt grotendeels toegewezen. Alleen het verweer van [gedaagde] ten aanzien van de prijs van een deel van de munten slaagt. Hierdoor wordt een bedrag van € 257,63 op de vordering van [eiser] in mindering gebracht. [gedaagde] zal dus worden veroordeeld tot betaling van
een bedrag van € 4.487,27. Ook moet zij de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] betalen.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 april 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het tussenvonnis van 3 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; en
- de mondelinge behandeling van 30 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is een onderneming gericht op publieks, party- en eventcatering.
[naam 1] ( [naam 1] ) is bestuurder van [eiser] .
3.2.
[gedaagde] organiseert dance events. [naam 2] ( [naam 2] ) is bestuurder van [gedaagde] .
3.3.
Op 16 november 2024 vond het door [gedaagde] georganiseerde dance event ‘ [evenement] ’ plaats. [eiser] heeft tijdens dit event, zoals ook tijdens eerdere edities van dit event, vanuit food trucks eten verkocht, waarvoor bezoekers konden betalen met door [gedaagde] uitgegeven consumptiemunten.
3.4.
Twee dagen na het event, op 18 november 2024, heeft [naam 1] ( [eiser] ) naar [naam 2] ( [gedaagde] ) gemaild dat, uitgaande van 3.445,5 ingenomen munten met een muntprijs van € 4,-, een omzet van € 12.644,99 inclusief BTW was behaald. [naam 1] ( [eiser] ) gaf in deze e-mail de volgende berekening voor een op te maken factuur:
3.5.
Op 20 november 2024 heeft [eiser] conform deze berekening een factuur naar [gedaagde] verstuurd met een betalingstermijn van zeven dagen.
3.6.
[naam 1] ( [eiser] ) heeft op 19, 20 en 24 december 2024 via WhatsApp aan [naam 2] ( [gedaagde] ) gevraagd om deze factuur te voldoen.
3.7.
[eiser] heeft de bij haar ingeleverde munten in januari 2025 langsgebracht bij het kantoor van [gedaagde] .
3.8.
Op 31 januari 2025 heeft [gedaagde] een deel van € 4.410,48 van het factuurbedrag van € 9.155,38 aan [eiser] voldaan.
3.9.
De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] bij e-mail van 5 maart 2025 gesommeerd over te gaan tot betaling van het resterende bedrag en daarbij meegedeeld dat bij het uitblijven van betaling een procedure aanhangig zal worden gemaakt en [eiser] in dat geval aanspraak zal maken op buitengerechtelijke incassokosten.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.744,90, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 28 november 2024. [eiser] legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde] dit deel van haar factuur van 20 november 2024, met een betalingstermijn van zeven dagen, niet heeft voldaan. Ook vordert [eiser] een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 599,49.
4.2.
[gedaagde] voert tegen de vordering van [eiser] verweer. Zij zegt dat het personeel van [eiser] de foodtrucks de dag vóór het event op een verkeerde plek heeft neergezet en niet bereid was om deze – ondanks het verzoek daartoe – te verplaatsen. [gedaagde] zegt dat zij hierdoor € 290,- ex BTW aan kosten heeft moeten maken. Ook zegt zij dat [eiser] de muntentelling tijdens het event met Whizzkit-software had moeten bijhouden en de munten in de ochtend van het event, dat eindigde om 07:00 uur, samen met personeel van [gedaagde] had moeten tellen. Doordat zij dit niet heeft gedaan, heeft [gedaagde] niet kunnen controleren of het door [eiser] gefactureerde aantal munten juist is. [gedaagde] zegt dat zij op basis van omzetgegevens van eerdere edities van [evenement] het sterke vermoeden heeft dat [eiser] munten heeft laten bijdrukken en voor die munten ook kosten in rekening heeft gebracht. Voorts voert [gedaagde] aan dat [eiser] voor alle munten € 4,- per munt heeft gerekend, terwijl partijen van tevoren hadden afgesproken dat [gedaagde] voor munten voor de crew € 2,- per munt zou rekenen. Dit gaat volgens [gedaagde] om 194 munten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Hoe zouden de munten worden geteld?
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] tijdens [evenement] eten heeft verkocht en [gedaagde] haar daarvoor aan de hand van het aantal ingenomen munten een bedrag zou moeten betalen. Evenmin is in geschil dat [eiser] 30% van de behaalde bruto omzet, gebaseerd op het aantal ingenomen munten, aan [gedaagde] als pacht zou afdragen. Partijen verschillen wel van mening over de wijze waarop de munten zouden worden geteld en hoe deze muntentelling zou worden gecontroleerd.
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] tegenover de betwisting door [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat met [eiser] was afgesproken dat de muntentelling op het event [evenement] met zogenoemde Whizzkit-software zou worden bijgehouden en dat de munten op de ochtend van het event samen met het personeel van [gedaagde] zouden worden geteld. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van dit standpunt namelijk alleen een ongedateerd screenshot van een pagina van het boekhoudprogramma Twelve en een handgeschreven afrekening van een eerder gehouden event met datum 1 december 2019 ingediend. Het door [gedaagde] ingediende screenshot betreft echter een screenshot van het programma Twelve en niet van de software waarvan [gedaagde] zelf stelt dat [eiser] daarmee op het event had moeten werken (Whizzkit). Dit vormt dus geen bewijs voor de stelling dat [eiser] de muntentelling met Whizzkit had moeten bijhouden. Uit de handgeschreven afrekening uit 2019 volgt ook niet dat [eiser] de ingenomen munten direct na afloop met [gedaagde] had moeten tellen. Als dit in 2019 al op deze manier is gedaan, betekent dit op zichzelf niet dat dit in 2024 ook had moeten gebeuren. Het had gelet op de langdurige relatie tussen partijen – [gedaagde] huurt [eiser] al minimaal tien jaar in – op de weg van [gedaagde] gelegen nader te onderbouwen hoe de muntentelling bij eerdere edities is gegaan en welke afspraken voor de editie in 2024 zouden zijn gemaakt. Nu zij dat niet heeft gedaan, geldt als uitgangspunt dat [eiser] de munten na afloop van het event mocht meenemen, zelf mocht tellen en op basis daarvan een factuur mocht opmaken, de wijze waarop het, zoals zij stelt, al jaren is gegaan.
Hoeveel munten heeft [eiser] ingenomen?
5.3.
Hoewel [gedaagde] zegt dat zij het sterke vermoeden heeft dat [eiser] munten heeft bijgedrukt en het aantal gefactureerde munten dus niet klopt, zal op dit punt worden uitgegaan van de juistheid van het door [eiser] genoemde aantal munten van 3.445,5. [gedaagde] heeft deze beschuldiging, die in feite neerkomt op fraude, namelijk slechts onderbouwd met omzetgegevens van eerdere edities van [evenement] (2019, 2022 en 2023). Dit is onvoldoende. Nog los van het feit dat de omzet uit de verkoop van eten bij een event met de omvang van [evenement] – 10.000 tot 11.000 bezoekers in 2024 – per jaar flink kan verschillen, overtuigen de door [gedaagde] aangevoerde cijfers niet. Daaruit blijkt volgens haar dat [eiser] tijdens [evenement] 2023 voor 2.668 munten aan eten heeft verkocht, terwijl die editie 268 minder bezoekers had. Het verschil in munten ten opzichte van [evenement] bedraagt dus 777,5 munten. Dit is gelet op de verschillen in de bezoekersaantallen van deze twee edities volstrekt onvoldoende om de vergaande beschuldiging van het laten bijdrukken van munten te kunnen dragen. [naam 1] ( [eiser] ) heeft hierover bovendien op zitting verklaard dat hij niet eens weet hoe hij consumptiemunten zou moeten laten bijdrukken. Het voorgaande maakt dat wordt uitgegaan van de juistheid van het door [eiser] genoemde aantal munten.
Welke prijs/prijzen mocht [eiser] per munt rekenen?
5.4.
[gedaagde] wordt gevolgd in haar stelling dat [eiser] voor de munten voor de crew € 2,- in plaats van € 4,- per munt had moeten rekenen. [naam 1] ( [eiser] ) heeft hierover op zitting verklaard dat deze munten er kennelijk niet
“uit zijn gehaald”en dat, als het verschuldigde bedrag daardoor lager zou zijn geweest, hij daarin meegaat. Volgens [gedaagde] gaat dit om 194 munten. [eiser] heeft dit aantal niet echt betwist. Op de vraag van de kantonrechter om hoeveel munten het ging, heeft [naam 1] ( [eiser] ) geantwoord: “misschien 40?”. Omdat [eiser] hiervan kennelijk geen administratie heeft bijgehouden (en op haar de bewijslast rust), wordt uitgegaan van het door [gedaagde] gestelde aantal. [eiser] had op haar factuur dus voor 194 munten een muntprijs van € 2,- in plaats van € 4,- moeten rekenen. Dit zal hierna worden verdisconteerd in het door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde bedrag.
[gedaagde] heeft geen tegenvordering ingesteld en kan niet verrekenen
5.5.
De stelling van [gedaagde] dat zij voor € 290,- ex BTW aan kosten heeft gemaakt doordat het personeel van [eiser] de foodtrucks een dag voor het event verkeerd heeft neergezet en niet bereid was deze te verplaatsen, zal worden gepasseerd. [gedaagde] heeft hier namelijk geen tegenvordering aan verbonden. Voor zover zij hiermee een beroep op verrekening met de vordering van [eiser] beoogt te doen, wordt daaraan voorbijgegaan omdat de gegrondheid van deze gestelde tegenvordering, gelet op de betwisting door [eiser] , in deze procedure niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. [1]
Conclusie
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende berekening van het bedrag dat [gedaagde] na afloop van het event aan [eiser] verschuldigd was:
reguliere muntprijs incl. BTW
€ 4,-
reguliere muntprijs ex BTW
€ 3,67
muntprijs crew incl. BTW
€ 2,-
muntprijs crew ex BTW
€ 1,83
afdrachtpercentage
30%
afdracht per reguliere munt
€ 1,11
afdracht per crew munt
€ 0,55
aantal verkochte reguliere munten
3.251,5
€ 11.933,01 ex BTW
aantal verkochte crew munten
194
€ 355,02 ex BTW
afdracht reguliere munten
3.251,5 x € 1,11
€ 3.609,17
afdracht crew munten
194 x € 0,55
€ 106,70
totaal afdracht (pacht)
€ 3.715,87
totaal ex BTW vóór afdracht
€ 12.288,03
- afdracht (pacht)
- € 3.715,87
totaal ex BTW na afdracht
€ 8.572,16
+ BTW 9%
€ 12.288,03
€ 1.105,92
- BTW 21%
- € 3.715,87
- € 780,33
totaal inclusief BTW
€ 8.897,75
5.7.
Omdat [gedaagde] al € 4.410,48 aan [eiser] heeft betaald, moet zij nog € 4.487,27 (= € 8.897,75 - € 4.410,48) aan [eiser] betalen. [gedaagde] zal daartoe worden veroordeeld.
Wettelijke handelsrente
5.8.
[eiser] vordert vergoeding van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 28 november 2024. [gedaagde] betwist weliswaar dat zij wettelijke rente verschuldigd is, maar heeft op dit punt geen inhoudelijk verweer gevoerd. Zij zal worden veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke handelsrente over het toe te wijzen bedrag vanaf 28 november 2024, omdat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een handelsovereenkomst en de factuur van [eiser] van 20 november 2024 een betalingstermijn van zeven dagen heeft, zodat [gedaagde] op 28 november 2024 in verzuim is komen te verkeren.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.9.
[eiser] vordert ook vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 599,49. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht (er zijn meerdere aanmaningen verstuurd). Zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden, conform het deel van de hoofdsom dat is toegewezen, dit komt neer op een bedrag van € 577,29.
Proceskosten
5.10.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.475,40
5.11.
[eiser] vordert ook betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten. Dit wordt toegewezen voor het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe worden betaald. [gedaagde] zal de wettelijke rente over de proceskosten in dat geval aan [eiser] verschuldigd zijn vanaf de vijftiende dag na deze aanschrijving.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.487,27, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, met ingang van 28 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 577,29 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.475,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van de vijftiende dag na deze aanschrijving, tot de dag van volledige betaling, te vermeerderen met de kosten van betekening, als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, kantonrechter, bijgestaan door
mr. W.B. Fonville, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 6:136 BW Pro: De rechter kan een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.