Uitspraak
1.Zaak in het kort
een bedrag van € 4.487,27. Ook moet zij de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] betalen.
3.De feiten
[naam 1] ( [naam 1] ) is bestuurder van [eiser] .
4.Het geschil
5.De beoordeling
“uit zijn gehaald”en dat, als het verschuldigde bedrag daardoor lager zou zijn geweest, hij daarin meegaat. Volgens [gedaagde] gaat dit om 194 munten. [eiser] heeft dit aantal niet echt betwist. Op de vraag van de kantonrechter om hoeveel munten het ging, heeft [naam 1] ( [eiser] ) geantwoord: “misschien 40?”. Omdat [eiser] hiervan kennelijk geen administratie heeft bijgehouden (en op haar de bewijslast rust), wordt uitgegaan van het door [gedaagde] gestelde aantal. [eiser] had op haar factuur dus voor 194 munten een muntprijs van € 2,- in plaats van € 4,- moeten rekenen. Dit zal hierna worden verdisconteerd in het door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde bedrag.
6.De beslissing
mr. W.B. Fonville, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.