ECLI:NL:RBAMS:2025:10361

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
13/195396-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring van doodslag en poging tot doodslag met ontslag van rechtsvervolging en tbs

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 14 juni 2024 in Amsterdam betrokken was bij een steekincident. De verdachte heeft bekend dat hij zowel [slachtoffer] als [benadeelde partij 1] heeft gestoken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte lijdt aan een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type en een verslavingsstoornis, wat heeft geleid tot een verminderd toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van moord en poging tot moord, maar heeft doodslag en poging tot doodslag bewezen verklaard. De verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging en er is een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opgelegd. De rechtbank heeft ook vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waaronder affectieschade en immateriële schadevergoeding. De rechtbank heeft de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel op één dag bepaald.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/195396-24
Datum uitspraak: 18 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] ,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 november en 18 december 2025. Op de laatstgenoemde zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten en van wat verdachte en zijn raadslieden mr. A.J. van der Velden en mr. R.B. Venema naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat mr. S.M. Diekstra namens benadeelde partij [benadeelde partij 1] en mr. W. van Egmond namens benadeelde partij [benadeelde partij 2] naar voren hebben gebracht. Daarnaast zijn ter zitting de deskundigen A.C. Hoek, psychiater, J.M. Oudejans, psycholoog, D. Vinkers, psychiater, G. Jansen, psycholoog, en [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging ter terechtzitting van 18 november 2025, – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 juni 2024 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

1. moord dan wel doodslag op [slachtoffer] ;

2. poging tot moord dan wel poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Feiten en omstandigheden
De tenlastegelegde feiten zullen, vanwege de samenhang in onder andere tijd en context, hierna gezamenlijk worden besproken. De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Gebeurtenissen in de nacht van 14 juni 2024
Verdachte was op de avond van 13 juni 2024 met twee vrienden, slachtoffer [benadeelde partij 1] en getuige [getuige] , in de woning van verdachte aan [adres 2] . Zij gebruikten cocaïne en er werd wiet gerookt. Op enig moment, rond 00.30 uur, liep verdachte naar de keuken. Daarna stond verdachte ineens achter [benadeelde partij 1] , die op de bank zat, en sloeg hij [benadeelde partij 1] uit het niets keihard met een mes van achteren achter diens oor. [benadeelde partij 1] vluchtte daarop de woning uit, maar verdachte kwam achter hem aan. Er volgde een worsteling in de trappenhal, waarbij verdachte [benadeelde partij 1] met het mes in diens buik stak. Daarna is verdachte weggelopen en heeft [benadeelde partij 1] om hulp geroepen. [2] De ter plaatse gekomen verbalisanten troffen om 01.25 uur [benadeelde partij 1] bloedend op de grond aan. [3] [benadeelde partij 1] had een steekwond in zijn hals en een steekwond aan de linkerzijde van zijn romp, ter hoogte van zijn buik. [4] De verbalisanten zagen bloedspetters op de centrale portiekdeur, de grond, de trap naar de eerste verdieping en de overloop van adres [perceelnummer 1] . Op de deur van nummer [perceelnummer 2] zaten vegen en afdrukken van bloed. Op het tussenplateau tussen de overloop van huisnummers [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] en de overloop van huisnummers [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] lag een grote plas bloed. In de woning aan [adres 2] troffen de verbalisanten door de gehele woning een grote hoeveelheid bloedspetters. Achter de bank lag een grote plas bloed. [5]
Om 01.31 uur kwamen verbalisanten ter plaatse bij bakkerij [naam bakkerij] aan de [straatnaam 3] te Amsterdam naar aanleiding van een melding van een steekincident. Zij troffen slachtoffer [slachtoffer] liggend op de grond in een grote plas bloed aan. Ze reageerde vertraagd op het aanroepen door de verbalisanten en hapte naar lucht. De verbalisant constateerde een snee van ongeveer twee à drie centimeter aan de rechterzijde van de nek nabij het sleutelbeen van [slachtoffer] , waar veel bloed uit kwam. [6] Zij werd overgebracht naar het ziekenhuis, waar zij op 16 juni 2024 overleed. Uit het schouwverslag blijkt dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verbloeding door scherp vaatletsel in haar slagader, doordat zij met een scherp voorwerp is aangevallen en een wond is veroorzaakt in de rechter halsregio net boven het sleutelbeen. [7] Het sectieverslag van het NFI bevestigt dat [slachtoffer] , 46 jaar oud, is overleden aan de gevolgen van één steekletsel ter hoogte van het rechtersleutelbeen. [8]
De partner van [slachtoffer] , getuige [benadeelde partij 2] , heeft verklaard dat hij in de avond en nacht van 13 op 14 juni 2024 met [slachtoffer] in de bakkerij aanwezig was, toen er plotseling een man door de openstaande achterdeur kwam en uit het niets [slachtoffer] aanviel. Volgens [benadeelde partij 2] sloeg de man [slachtoffer] met zijn vuisten. Hij kon niet zien of de man iets in zijn handen had. De man was ineens weer buiten. Vervolgens zag [benadeelde partij 2] dat [slachtoffer] helemaal onder het bloed zat. [9]
Verbalisanten die op 14 juni 2024 rond 01.20 uur onderweg waren naar het steekincident op de [straatnaam 1] zagen bij een bushalte aan de [straatnaam 2] een persoon staan, die verward en met bloed aan zijn handen op het politievoertuig afliep. Dit was verdachte, die verklaarde: “jullie moeten mij hebben, ik heb gestoken. Ik heb hulp nodig, ik ben gewond, ik ga naar de hel, het is helemaal fout”. Hierop is verdachte aangehouden. [10]
Forensisch onderzoek
Bij de doorzoeking van de bakkerij is onder meer een mes in beslag genomen (goednummer 6514030) dat op een bakplaat direct naast de achterdeur lag en waarvan het heft en het lemmet bebloed waren. [11] Er is een bemonstering genomen van het bloed op het heft (SIN AARB3228NL) en het bloed tussen de snijrand en het heft en het begin van de snijrand (SIN AARB3227NL) van dat mes. Uit de bemonsteringen van dat bloed op het snijvlak van het lemmet (AARB3227NL) en van het bloed op het heft van het mes (SIN AARB3228NL) is een DNA-profiel verkregen van minimaal één persoon. Het DNA-profiel van [slachtoffer] komt overeen met dit profiel. Voor beide bemonsteringen geldt dat het DNA-profiel uit de bemonstering 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer – kort gezegd – [slachtoffer] de donor is dan wanneer dit niet zo is. [12] Op de [straatnaam 3] , tussen de bakkerij en de [straatnaam 4] , is een heft met afgebroken lemmet aangetroffen en door Forensische Opsporing (FO) in beslag genomen (goednummer: 6514107). Van dit heft met afgebroken lemmet werd een bemonstering genomen (SIN AAQO6699NL) waaruit een DNA profiel is verkregen waarmee het DNA-profiel van verdachte overeenkomt. Voor deze bemonstering geldt dat het DNA-profiel uit de bemonstering 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer – kort gezegd – verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is [13]
De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat [slachtoffer] de donor is van het celmateriaal op het snijvlak van het lemmet en het heft van het mes, en dat verdachte donor is van het celmateriaal op het heft van het afgebroken lemmet.
Verklaringen verdachte
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend dat hij [benadeelde partij 1] en [slachtoffer] heeft gestoken. Met betrekking tot het steken van [benadeelde partij 1] heeft verdachte verklaard dat hij met [benadeelde partij 1] en [getuige] (de rechtbank begrijpt: [benadeelde partij 1] en [getuige] ) cocaïne gebruikte en dat hij stemmen hoorde. De stemmen vertelden verdachte dat [benadeelde partij 1] de boosdoener was. Hij moest eraan of er zou verdachte iets gebeuren. Verdachte is toen naar de keuken gelopen en zag daar een mes liggen. De stemmen vertelden verdachte dat [benadeelde partij 1] dood moest. Toen heeft verdachte [benadeelde partij 1] gestoken. [benadeelde partij 1] ging naar buiten de trap af, daar is verdachte achteraan gegaan. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] toen opnieuw gestoken. Daarna is verdachte naar buiten gelopen en heeft hij het mes in een prullenbak gegooid. [14] Hij was onderweg naar de politie, omdat hij bang was dat hem iets zou overkomen. Verdachte kwam langs de achterkant van de bakkerij en zag dat deze open was. Hij dacht dat er een tunnel onder de grond zou zijn, net als in Gaza. Verdachte dacht dat als hij door de tunnel zou gaan, hij ergens vandaan boven zou komen. Er was een kelder onder de bakkerij. Verdachte liep daar naar beneden om de tunnel te zoeken. Hij ging een slaapkamer in en zag daar een mes liggen. Verdachte hoorde toen van de stem dat de vrouw die in de bakkerij was, [slachtoffer] , er ook aan moest geloven. Hij had in de weken ervoor, toen hij al verward was, gezien dat [slachtoffer] duivelse trekjes vertoonde. Verdachte is vervolgens naar boven gelopen en heeft [slachtoffer] gestoken. Daarna is hij weggelopen. Hij heeft het mes achtergelaten. [15]
4.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijke standpunt – gerekwireerd tot partiële vrijspraak van de onder feit 1 en 2 tenlastegelegde voorbedachte raad en tot bewezenverklaring van doodslag (feit 1) en poging tot doodslag (feit 2).
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben bepleit dat ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde geen sprake is van voorbedachte raad, zodat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van moord. De raadslieden hebben zich met betrekking tot de tenlastegelegde doodslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadslieden hebben ten aanzien van feit 2 primair integrale vrijspraak betoogd. Hoewel verdachte een groot risico heeft genomen door een mes te bewegen in de richting van de halsstreek en buik van slachtoffer [benadeelde partij 1] , kan niet worden vastgesteld dat hiermee een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel in het leven is geroepen. Slachtoffer [benadeelde partij 1] heeft vlak na het incident een verklaring afgelegd en uit de letselverklaring blijkt dat hij stabiel was, dezelfde dag van de intensive care is overgeplaatst naar een verpleegafdeling en kort daarna is ontslagen uit het ziekenhuis. Voorts is te weinig bekend over het steekvoorwerp, de aard en ernst van het toegebrachte letsel en met welke kracht, intensiteit en frequentie het letsel is toegebracht, om te kunnen beoordelen of er een aanmerkelijke kans was op dodelijk letsel. Subsidiair hebben de raadslieden partiële vrijspraak van de tenlastegelegde voorbedachte raad betoogd.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
4.4.1
Feit 1
Partiële vrijspraak voorbedachte raad
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte wordt dan ook partieel vrijgesproken van moord.
Bewezenverklaring doodslag
Gelet op de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 14 juni 2024 [slachtoffer] in de halsregio heeft gestoken, met het opzet om haar te doden. [slachtoffer] is ten gevolge hiervan op 16 juni 2024 overleden. De rechtbank verklaart de onder feit 1 tenlastegelegde doodslag bewezen.
4.4.2
Feit 2
Partiële vrijspraak voorbedachte raad
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte wordt dan ook partieel vrijgesproken van poging tot moord.
Bewezenverklaring poging tot doodslag
Op basis van de feiten en omstandigheden die blijken uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 14 juni 2025 [benadeelde partij 1] met een mes in de nek en de buik heeft gestoken.
Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte vol opzet op de dood van [benadeelde partij 1] oplevert. Van vol opzet is sprake wanneer kan worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens heeft gehandeld. Verdachte heeft verklaard dat de stemmen in zijn hoofd hem opdracht gaven om [benadeelde partij 1] om te brengen. Hij heeft daarop een mes gepakt en [benadeelde partij 1] eerst keihard [16] in zijn nek gestoken en, toen [benadeelde partij 1] weg probeerde te komen, hem in zijn buik gestoken. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat na opname op de intensive care geconstateerd werd dat sprake was van een steekverwonding linker hemiabdomen met hematoom ventraal van de maag en een steekverwonding links die postauriculair gehecht werd. [17] Het is evident dat bij het met kracht steken in voornoemde vitale delen van het lichaam, naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk is te achten dat daardoor dodelijk letsel ontstaat.
Gelet op dit alles acht de rechtbank bewezen dat verdachte willens en wetens heeft gehandeld en dus opzet heeft gehad op het plegen van doodslag op [benadeelde partij 1] . Nu [benadeelde partij 1] de aanval heeft overleefd, is het bij een poging gebleven.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
rubriek 4vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1
op 14 juni 2024 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met een mes in de halsregio ter hoogte van het rechtersleutelbeen te steken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op 16 juni 2024 is overleden;
2
op 14 juni 2024 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij 1] met een mes in de nek en in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

7.1
Juridisch kader
In het strafrecht is het uitgangspunt dat men kan worden bestraft voor strafbare feiten die men begaat. In artikel 39 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is een uitzondering hierop geformuleerd. Hierin is – voor zover voor deze zaak relevant – bepaald dat hij die een feit begaat dat hem vanwege een psychische stoornis niet kan worden toegerekend, niet strafbaar is. Hiervoor moet aan drie vereisten zijn voldaan:
i) Er moet sprake zijn van een psychische stoornis op het moment van het tenlastegelegde feit;
ii) er dient sprake te zijn van een causaal verband tussen deze stoornis en het feit;
iii) de stoornis moet zodanig zijn dat deze aan de toerekening van het feit aan de verdachte in de weg staat.
In het arrest van 17 oktober 2023 [18] heeft de Hoge Raad aan dit toetsingskader een nadere invulling gegeven. De Hoge Raad heeft hierin bepaald dat de rechter kan beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was
ofniet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.
7.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Bij verdachte is sprake van een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type, en een stoornis in het gebruik van cocaïne en cannabis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben het denken en handelen van verdachte beïnvloed. Verdachte heeft echter zelf bijgedragen aan de toestand waarin hij zich bevond ten tijde van deze feiten door te stoppen met medicatiegebruik, psychiatrische zorg af te houden en drugs te gebruiken. In zoverre is dus sprake van
culpa in causa. Gelet hierop gaat het Openbaar Ministerie uit van verminderde toerekeningsvatbaarheid.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Volgens de verdediging doet de conclusie dat er sprake zou zijn van
culpa in causaen dat verdachte de ontregeling deels aan zichzelf te wijten heeft, geen recht aan de meervoudige problematiek waarvan bij hem sprake is.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij haar oordeel over de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de volgende Pro Justitia-rapportages over verdachte, opgemaakt door:
psycholoog G.M. Jansen van 30 november 2024;
psychiater D.J. Vinkers van 26 november 2024;
psycholoog J.M. Oudejans van 15 juli 2025; en
psychiater A.C. Hoek van 18 juli 2025.
De stoornissen en het causale verband:
De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van deze vier deskundigen dat verdachte lijdt aan een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type en aan een diepgewortelde en langdurig bestaande stoornis in het gebruik van cocaïne en cannabis. De rechtbank neemt ook de conclusie van de vier deskundigen over dat deze twee stoornissen aanwezig waren ten tijde van de delicten. Volgens de deskundigen was ten tijde van de delicten als gevolg van de schizoaffectieve stoornis sprake van een manisch-psychotisch toestandsbeeld dat werd gekenmerkt door paranoïde wanen en akoestische bevelshallucinaties. Die paranoïde wanen en akoestische bevelshallucinaties zijn volgens de deskundigen cruciaal geweest bij de doorbraak van de ernstige agressie en het geweld richting de slachtoffers.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich diep schaamt voor wat hij heeft gedaan en heeft spijt betuigd. Destijds hoorde hij stemmen die hem onder druk zetten waardoor hij zeker wist dat hij zijn vriend [benadeelde partij 1] moest doden of anders zou hij er zelf aan gaan. Hij meende in zijn waan dat [slachtoffer] iets met hekserij te maken had en dat er in de slaapkamer speciaal voor hem een mes was neergelegd om met haar af te rekenen. Hij kon aan deze wanen geen weerstand bieden.
Gelet op de ernst van zijn stoornissen en de invloed daarvan op het denken en doen van verdachte, is de rechtbank (net zoals de vier deskundigen) van oordeel dat er causaal verband bestaat tussen deze stoornissen en de delicten, waarbij de stoornissen zodanig ernstig zijn dat ze in de weg staan aan de toerekening.
Vervolgens is de vraag of verdachte als gevolg van die psychische stoornissen niet kon begrijpen dat deze feiten wederrechtelijk waren
ofniet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van deze feiten.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier en de verklaringen van verdachte dat hij wel enig besef had van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. De rechtbank baseert dit op de omstandigheid dat verdachte, direct na de delicten en vlak voordat hij werd aangehouden, tegen de politie verklaarde: “
jullie moeten mij hebben, ik heb gestoken. Ik heb hulp nodig, ik ben gewond, ik ga naar de hel, het is helemaal fout.
De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte als gevolg van zijn psychische stoornissen niet in staat was om in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van de feiten. Het manisch-psychotische toestandsbeeld bij verdachte, dat ontstaan was uit de schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type, stond dusdanig op de voorgrond dat verdachte geen keuzevrijheid had ten tijde van deze delicten.
Geen culpa in causa
De Hoge Raad overweegt verder in het hierboven genoemde arrest uit 2023 dat gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de stoornis als bedoeld in artikel 39 Sr voorafgaan, in de weg kunnen staan aan het oordeel dat de tenlastegelegde feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, 'maar slechts onder bijzondere omstandigheden'.
De rechtbank buigt zich daarom vervolgens over de vraag of verdachte, zoals de officier van justitie stelt, zelf heeft bijgedragen aan de manisch-psychotische toestand waarin hij zich bevond ten tijde van de delicten door te stoppen met medicatiegebruik, psychiatrische zorg af te houden en drugs te gebruiken (
culpa in causa).
Uit de verschillende rapportages komt het volgende beeld naar voren. Verdachte heeft vanaf 2007 terugkerende psychoses met ontremming, paranoïde wanen en hallucinaties. De decennia daarna werd hij geregeld gedwongen opgenomen maar hij had geen ziektebesef of -inzicht, hetgeen samenhangt met zijn schizoaffectieve stoornis. Door de psychiatrische aandoening namen zijn intellectuele capaciteiten af, zo blijkt uit het rapport van psycholoog Oudejans. Hij gebruikte al jaren voorafgaand aan de delicten geen antipsychotische medicatie meer. Daarnaast ontwikkelde hij een ernstige verslavingsziekte en ondanks vele afkickpogingen lukte het hem niet om langdurig te stoppen. Zoals psycholoog Jansen het verwoordt zijn de schizoaffectieve stoornis en de verslavingsproblematiek inmiddels geheel met elkaar verweven geraakt.
De vier deskundigen spraken ter zitting van een ernstig verstoorde realiteitstoetsing die verdachte sterk heeft beperkt in zijn gedragskeuzes. De deskundigen verschillen van mening over de mate van toerekening, waarbij Jansen, Vinkers en Hoek het gebruik van middelen als reden voor enige mate van toerekening zien, terwijl Oudejans concludeert tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Wel zijn de deskundigen het erover eens dat verdachte drugs gebruikte als inadequate zelfmedicatie: de middelen dempten zijn angsten en somberheid, die weer voortkwamen uit zijn schizoaffectieve stoornis.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte niet in de weg staan aan het oordeel van de rechtbank dat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend.
Verdachte heeft immers slechts een beperkt ziektebesef. Daarnaast kenmerkt de schizoaffectieve stoornis zich door een neiging tot (grandioze) zelfoverschatting en een vluchtig, associatief en gefragmenteerd denken. Dit belemmert verdachte in zijn vermogen om informatie adequaat te verwerken en oorzakelijke verbanden te leggen. Waarschuwingen over de risico’s van stoppen met medicatie en beginnen met middelengebruik beklijven daarom niet. Zijn intelligentie is bovendien door zijn stoornissen verminderd.
De rechtbank is van oordeel dat de ernstige verslavingsziekte een integraal onderdeel vormt van de pathologie bij verdachte. De stoornissen waaraan verdachte lijdt zijn verknoopt geraakt en versterken elkaar bovendien. Door de schizoaffectieve stoornis voelt verdachte zich structureel slecht en zoekt hij manieren om de effecten van de stoornis te dempen. Het gebruik van medicatie kan ertoe leiden dat hij zich tijdelijk beter voelt, waardoor hij – mede gevoed door de eerdergenoemde zelfoverschatting als onderdeel van de schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type – weer stopt met medicatie gebruiken dan wel onder invloed van de verslavingsziekte middelen gaat gebruiken, als een soort zelfmedicatie. Verdachte zoekt aldus een verdovend roeseffect om de symptomen van de schizoaffectieve stoornis te bestrijden.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar en wordt daarom ten aanzien van alle feiten ontslagen van alle rechtsvervolging.

8.Terbeschikkingstelling

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht (8) jaren, met aftrek van voorarrest en dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege voor ongemaximeerde duur wordt opgelegd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben verzocht om aan verdachte, conform het advies van de reclassering, tbs met voorwaarden op te leggen. De reclassering heeft voorwaarden geformuleerd waarmee het risico op recidive afdoende kan worden ingeperkt en verdachte heeft zich bereid verklaard om zich hieraan te houden. Een dergelijk langdurig en intensief traject van toezicht in een gedwongen kader is niet eerder geprobeerd. Indien verdachte zich niet zou houden aan de voorwaarden, zou de maatregel alsnog kunnen worden omgezet in tbs met verpleging van overheidswege.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft als gevolg van een manisch-psychotische toestand slachtoffers [slachtoffer] en [benadeelde partij 1] in een redeloze uitbarsting van agressie aangevallen en gestoken met een mes. De aanvallen waren willekeurig en zonder reële aanleiding. Verdachte heeft [slachtoffer] zo ernstig verwond dat zij na enkele dagen is komen te overlijden. Met zijn handelen heeft hij onherstelbaar leed toegebracht aan haar nabestaanden, in bijzonder haar partner [benadeelde partij 2] , die getuige is geweest van de dodelijke aanval. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] ernstig verwond en heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij 1] . Het geweld dat verdachte tegen [benadeelde partij 1] heeft gebruikt, heeft niet enkel fysiek letsel tot gevolg gehad, maar heeft ook psychische schade veroorzaakt. Zo lijdt [benadeelde partij 1] als gevolg van de aanval aan PTSS, zoals blijkt uit de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding.
Naast de gevolgen voor de direct betrokkenen, hebben incidenten als dit – waarbij willekeurige personen slachtoffer worden van ernstig geweld – ook een grote invloed op het algemene veiligheidsgevoel in de maatschappij.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 augustus 2024. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en bedreiging.
Zowel de psychiaters Hoek en Vinkers als de psychologen Jansen en Oudejans schatten het recidiverisico op ernstig, onvoorspelbaar impulsief en gewelddadig gedrag als hoog in. De kans dat verdachte, indien hij zonder begeleiding of behandeling terugkeert in de maatschappij, medicatietrouw en abstinent van middelen zal blijven wordt klein geacht. Hiermee kan de kans op psychotische ontregeling al op korte termijn oplopen van matig tot hoog, hetgeen grote risico’s op herhaling van geweldsdelicten met zich meebrengt. De deskundigen adviseren daarom allen om aan verdachte een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen, nu intensieve behandeling noodzakelijk is om de kans op recidive te verkleinen. Gelet op het gebrek aan ziekte-inzicht en medicatietrouw bij verdachte, in samenhang met het hoge recidiverisico, is een behandeling in een klinische setting met een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk. Voor het risicomanagement is verzekerde toediening van antipsychotica in depotvorm en abstinentie van middelen noodzakelijk. Zijn gedrag en toestand moeten goed gemonitord worden.
Alleen een behandeling in het juridische kader van de tbs met verpleging van overheidswege biedt voldoende mogelijkheden om verdachte effectief te behandelen en biedt voldoende waarborgen voor de beveiliging van de maatschappij.
Tbs-maatregel met verpleging van overheidswege
De rechtbank concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld wordt met verpleging van overheidswege en dat aan de formele voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type en een stoornis in het gebruik van cocaïne en cannabis bestond. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts vereist de veiligheid van anderen, gelet op het hoge recidiverisico als verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij, het opleggen van die maatregel.
De rechtbank concludeert dat enkel de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege een passend kader is voor de behandeling van verdachte. De tbs met voorwaarden biedt een onvoldoende stringent kader en – gelet op de ernstige meervoudige pathologie, die gepaard gaat met onder meer een beperkt ziekte-inzicht, en gezien de ernst van de feiten waarvoor verdachte wordt veroordeeld – volstaat deze maatregel niet voor de beveiliging van de maatschappij. Verdachte is ook niet in staat zich langdurig te conformeren aan voorwaarden omdat hij de gevolgen van zijn gedrag niet overziet. Dat verdachte niet eerder in een forensisch klinisch toezichtskader is behandeld, doet hier niet aan af. Daarbij komt dat bij verdachte sprake is van complexe en reeds langjarige pathologie, waarvan de behandeling naar verwachting langdurig zal zijn. Gelet op al het voorgaande legt de rechtbank aan verdachte een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op.
Ongemaximeerd
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat de bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

9.Beslag

In het onderzoek zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 1 STK Mes (G6514396);
- 1 STK Mes (G6514030);
- 1 STK Mes (G6514038);
- 1 STK Mes (G6514106);
- 1 STK Mes (G6514107);
- 1 STK Rookwaar (G6513955);
- 1 STK Mes (G6513959);
- 1 STK Aansteker (G6513963);
- 1 STK Mes (G6513964).

Onttrekking aan het verkeer

Nu met behulp van het mes met goednummer (G6514030) het onder feit 1 bewezen geachte is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De overige in beslag genomen voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.1
De vorderingen
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 20.000 affectieschade en € 13.000 schokschade. Benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert in totaal € 10.000 immateriële schadevergoeding voor lichamelijk en psychisch letsel. Beide benadeelde partijen verzoeken hun vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
10.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde vergoedingen van beide benadeelde partijen in het geheel kunnen worden toegewezen.
10.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt primair dat beide benadeelde partijen niet ontvankelijk in hun vorderingen zijn omdat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging en niet aan de formele vereisten voor voeging is voldaan omdat een door hen getekend machtigingsformulier ontbreekt.
Specifiek ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 2] stelt de verdediging subsidiair dat de gevorderde € 20.000 voor affectieschade kan worden toegewezen. De vordering voor € 13.000 aan schokschade is echter in het geheel niet onderbouwd en [benadeelde partij 2] moet daarom niet ontvankelijk worden verklaard in deze vordering.
Specifiek ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] stelt de verdediging subsidiair dat toewijzing van een schadevergoeding van € 5.000 billijk zou zijn.
10.4
Het oordeel van de rechtbank
De ontvankelijkheid van beide benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1]
Het verweer van de verdediging dat beide benadeelde partijen niet ontvankelijk in hun vorderingen zijn gaat op grond van artikel 361, lid 2, onder a Wetboek van Strafvordering niet op. Verdachte wordt namelijk een maatregel opgelegd, te weten de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.
Ook het verweer dat strekt tot niet ontvankelijkheid omdat getekende machtigingsformulieren ontbreken gaat niet op. In de vordering benadeelde partij die mr. S.M. Diekstra namens [benadeelde partij 1] heeft ingediend staat namelijk dat hij door de wettelijk vertegenwoordiger (
de bewindvoerder) van [benadeelde partij 1] uitdrukkelijk gevolmachtigd is om hem in deze strafzaak te vertegenwoordigen. Dit heeft hij ter terechtzitting nog een keer expliciet herhaald. Ook in het verzoek tot schadevergoeding dat mr. W. van Egmond namens [benadeelde partij 2] heeft ingediend staat expliciet dat zij uitdrukkelijk door [benadeelde partij 2] is gemachtigd om het verzoek te ondertekenen en in te dienen. Ook zij heeft dit ter terechtzitting nog een keer expliciet herhaald.
De gevorderde affectieschade van [benadeelde partij 2]
heeft gesteld dat hij de levensgezel van [slachtoffer] was en dit is door de verdediging niet betwist. Op grond van artikel 6:108 lid 3 en lid 4 aanhef, sub b, BW juncto artikel 1 Besluit vergoeding affectieschade heeft hij daarom recht op een bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade en dit bedrag wordt toegewezen.
De gevorderde schokschade van [benadeelde partij 2]
Voor vergoeding van schokschade is op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b BW vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Hiermee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat de emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen ernstig is en in voldoende mate objectiveerbaar is. [benadeelde partij 2] heeft niet onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor beschreven zin. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten die voor vergoeding van schokschade gelden. [benadeelde partij 2] wordt daarom niet ontvankelijk verklaard in deze vordering.
Dat neemt niet weg dat de rechtbank zich heel goed kan voorstellen dat de onmiddellijke en indringende confrontatie met de doodslag op zijn levenspartner bij [benadeelde partij 2] een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht.
De gevorderde immateriële schade van [benadeelde partij 1]
De rechtbank is van oordeel dat verdachte rechtstreeks immateriële schade aan [benadeelde partij 1] heeft toegebracht. Hij heeft daarom op grond van artikel 6:106 eerste lid en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van deze schade.
In de eerste plaats stelt [benadeelde partij 1] dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Door de messteken kon hij een periode niet goed bewegen en moest hij rollend van de bank afkomen. Het aanspannen van zijn buikspieren lukte niet en veroorzaakte extreem veel pijn. Ook de verwonding in zijn hals veroorzaakte veel pijn en ongemak. Hij was niet in staat zich vrij te bewegen zonder pijn te hebben. De verwondingen hebben blijvende littekens achtergelaten. Soms ondervindt hij nog gevoeligheid en trekkende pijn in het littekenweefsel, met name bij bewegingen waarbij de huid van de hals of buik wordt opgerekt. Zijn linkeroor is gedeeltelijk gevoelloos. Deze stellingen zijn niet betwist door de verdediging waardoor de rechtbank er als vaststaand vanuit gaat dat [benadeelde partij 1] blijvend lichamelijk letsel heeft opgelopen.
In de tweede plaatst stelt [benadeelde partij 1] dat hij ook op andere wijze in zijn persoon is aangetast doordat hij psychisch letsel heeft opgelopen. Sinds het bewezenverklaarde ervaart hij namelijk hevige PTSS-gerelateerde klachten. Dit is onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een psycholoog die verklaart dat bij hem PTSS is vastgesteld. Ook deze stelling is door de verdediging niet betwist waardoor de rechtbank er als vaststaand vanuit gaat dat [benadeelde partij 1] psychisch letsel heeft opgelopen. Dat hij deze PTSS, blijkens de verklaring van de psycholoog, nog niet heeft laten behandelen doet er niet aan af dat hij daarvan nadeel ondervindt hetgeen toewijzing van een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding rechtvaardigt. De rechtbank gaat bij de begroting van deze immateriële schade uit van de Rotterdamse Schaal, categorie 14.2., te weten de minder ernstige vorm van PTSS, omdat de psycholoog heeft aangegeven dat zij geen zicht hebben op de huidige klachtenpresentatie c.q. het beloop en/of de ernst van een PTSS.
Gelet op de geleden pijn die [benadeelde partij 1] van de steekpartij heeft ondervonden, de blijvende littekens en de opgelopen PTSS en gelet op bedragen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding voor het lichamelijke en psychisch letsel naar billijkheid op € 10.000,00. Deze vordering van [benadeelde partij 1] wordt dan ook volledig toegewezen.
Wettelijke rente
Aangezien dit is gevorderd en niet betwist worden de toegewezen schadevergoedingen vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van het moment waarop de schade toebrengende feiten zich hebben voorgedaan, namelijk op 14 juni 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partijen wordt als extra waarborg voor betaling aan hen de
maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
Gijzeling ex 36f Sv
De rechtbank overweegt dat verdachte een beperkt arbeidsverleden en beperkte financiële middelen heeft. Gezien de bij verdachte vastgestelde psychische problematiek en de in dit vonnis op te leggen tbs-maatregel, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat de verdachte in staat is, en over aanzienlijke tijd zal zijn, om aan de verplichting tot betaling te voldoen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de duur van de gijzeling ex artikel 36f, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering te bepalen op één dag.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 5is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
doodslag.
Ten aanzien van feit 2:
poging tot doodslag.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en
ontslaat hem van alle rechtsvervolgingter zake daarvan.
Gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij
van overheidswege wordt verpleegd.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- 1 STK Mes (G6514030).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
- 1 STK Mes (G6514396);
- 1 STK Mes (G6514038);
- 1 STK Mes (G6514106);
- 1 STK Mes (G6514107);
- 1 STK Rookwaar (G6513955);
- 1 STK Mes (G6513959);
- 1 STK Aansteker (G6513963);
- 1 STK Mes (G6513964).
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 20.000,00 (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 10.000,00 (tienduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,
mr. W.M.C. van den Berg en mr. N. Versteeg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. Willeboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.
[(...)]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2024, doorgenummerde p. 1 01 voorlaatste en laatste alinea en p. 1 02 eerste alinea.
3.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2024, doorgenummerde p. 1 01 vierde alinea.
4.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2024, doorgenummerde p. 1 25 tweede en vijfde alinea.
5.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2024, doorgenummerde p. 1 06 zesde, zevende en laatste alinea en p. 1 07 derde alinea.
6.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2024, doorgenummerde p. 2 05 tweede en derde alinea.
7.Een geschrift, te weten een schouwverslag d.d. 16 juni 2024, opgemaakt door [persoon 1] , doorgenummerde p. 2 32 eerste tot en met derde alinea en p. 2 33 halverwege en voorlaatste alinea.
8.Een geschrift, te weten een rapport van een Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, d.d. 21 januari 2025 opgemaakt door [arts] , arts en forensisch patholoog, pagina 9 onder Conclusie.
9.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2024, doorgenummerde p. 2 007 voorlaatste alinea.
10.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2024, doorgenummerde p. 1 004 eerste, tweede en vierde tot en met zesde alinea.
11.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2024, doorgenummerde p. 2 58 eerste alinea en p. 2 60 voorlaatste alinea.
12.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2024, doorgenummerde p. 2 60 voorlaatste alinea; een geschrift, te weten een NFI-rapport van 17 september 2024, opgemaakt door [persoon 2] , doorgenummerde p. 2 140 onder 4. en p. 2 141 onder 5.
13.Een aanvullend proces-verbaal p 2 144 van 25 november 2024 en een geschrift, te weten een NFI-rapport van 8 november 2024, opgemaakt door [persoon 3] , doorgenummerde p. 2 150.
14.Een proces-verbaal van uitwerking tweede verhoor van de verdachte d.d. 16 maart 2025, doorgenummerde p. 1 089 zesde alinea, p. 1 090 vierde, zesde en laatste alinea, p. 1 091 eerste, tweede en voorlaatste alinea, p. eerste tot en met zesde, achtste, negende tot en met elfde alinea en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.
15.Een proces-verbaal van uitwerking tweede verhoor van de verdachte d.d. 16 maart 2025, doorgenummerde p. 1 093 zevende en achtste alinea, p. 1 094 eerste alinea, p. 1 095 achtste alinea en p. 1 096 eerste en derde alinea en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.
16.Een proces-verbaal van aangifte (met fotobijlage) d.d. 15 juni 2024, doorgenummerde p. 1 30, vierde alinea.
17.Een geschrift zijnde een geneeskundige verklaring van [arts-assistent] , arts-assistent intensive care en [cardioloog-intensivist] , cardioloog-intensivist, d.d. 14 juni 2024, doorgenummerde p. 1 40.
18.Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.