ECLI:NL:RBAMS:2025:10371

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/13/763032 / HA ZA 25-107
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • E.A. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:271 BWArt. 6:277 BWArt. 6:96 BWArt. 3:7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugbetaling financiering en onrechtmatig handelen Holiday Sport

CAAF vordert terugbetaling van een financiering aan Holiday Sport, vermeerderd met kredietvergoeding en vertragingsrente. De rechtbank oordeelt dat Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hoofdsom van €222.668,24 op grond van de financieringsovereenkomst en onrechtmatige daad. De vordering tot betaling van de contractuele 'overdue rente' wordt afgewezen omdat de financieringsovereenkomst is ontbonden.

De rechtbank stelt vast dat Holiday Sport vervalste betalingsbewijzen heeft verstrekt om financiering te verkrijgen en dat zij voertuigen aan het pandrecht van CAAF heeft onttrokken. Dit onrechtmatig handelen wordt ook toegerekend aan [gedaagde 1] als feitelijk handelend persoon en aan [gedaagde 4] als bestuurder. Voor [gedaagde 2] is onvoldoende bewijs voor onrechtmatig handelen.

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van beslagkosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toe aan CAAF, en veroordeelt de aansprakelijke partijen hoofdelijk tot betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €222.668,24 en bijkomende kosten wegens niet-nakoming en onrechtmatig handelen; vordering tegen [gedaagde 2] wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/763032 / HA ZA 25-107
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
CA AUTO FINANCE NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: CAAF,
advocaat: mr. H.H. Tan,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2] (Duitsland),
3.
HOLIDAY SPORT B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
4.
[gedaagde 4] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , Holiday Sport en [gedaagde 4] ,
en samen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P.H.A. Mulder.

1.Korte samenvatting

1.1.
CAAF vordert terugbetaling van de financiering die zij aan Holiday Sport heeft verstrekt, vermeerderd met de daarover verschuldigde kredietvergoeding (totaal:
€ 222.668,24). Daarnaast vordert CAAF betaling van een contractueel overeengekomen vertragingsrente (‘overdue rente’). CAAF stelt dat Holiday Sport de financieringsovereenkomst behoort na te komen. Ook stelt CAAF dat Holiday Sport en haar (voormalig) indirect bestuurders [gedaagde 4] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door haar te misleiden met het oogmerk om de financiering te verkrijgen. Volgens CAAF zijn zij daarom aansprakelijk voor de schade die daardoor is ontstaan.
1.2.
De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hoofdelijk verplicht zijn tot betaling van de hoofdsom van € 222.668,24. Voor Holiday Sport en [gedaagde 4] volgt deze verplichting uit de financieringsovereenkomst. Voor Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] is deze verplichting hiernaast (ook) op hun onrechtmatig handelen gebaseerd. De vordering tot betaling van ‘overdue rente’ is niet toewijsbaar. Ook is niet komen vast te staan dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering tegen [gedaagde 2] wijst de rechtbank daarom af.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 januari 2025;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 23 juli 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; en
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 oktober 2025, en de daarin genoemde processtukken.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
CAAF is een financieringsmaatschappij. Zij richt zich op de financiering van (onder meer) autodealerbedrijven en verkoop-/garagebedrijven op het gebied van (gemotoriseerde) twee-, drie- en vierwielers.
3.2.
Holiday Sport is een onderneming die actief is op het gebied van onder meer het verkopen, verhuren en leasen van verschillende soorten voertuigen, waaronder caravans en campers. Voor zover hier relevant, ziet de bedrijfsstructuur van Holiday Sport er als volgt uit:
  • [gedaagde 4] is sinds 17 juli 2023 enig bestuurder van Holiday Sport.
  • Tot 17 december 2024 werd [gedaagde 4] bestuurd door [gedaagde 2] .
  • Sinds 17 december 2024 is [gedaagde 1] enig bestuurder van [gedaagde 4] .
NB: op 20 maart 2024 is [gedaagde 2] persoonlijk failliet verklaard. Tijdens de onderhavige procedure is dit faillissement opgeheven.
3.3.
Op 4 november 2024 is tussen CAAF en Holiday Sport een financieringsovereenkomst gesloten voor de financiering van door Holiday Sport aangekochte (gebruikte) voertuigen tot een maximumbedrag van € 500.000,-. Op grond van deze overeenkomst dient Holiday Sport voor ieder te financieren voertuig een verzoek tot financiering in. Als CAAF dit verzoek accepteert, verstrekt zij aan Holiday Sport het te financieren bedrag (hierna: deelfinanciering). Over elke deelfinanciering is Holiday Sport rente verschuldigd (hierna: kredietvergoeding). Steeds als Holiday Sport een deelfinanciering bij CAAF aanmeldt voor terugbetaling, bijvoorbeeld omdat het betreffende voertuig is verkocht, komt er nieuwe financieringsruimte beschikbaar. De terugbetaling gebeurt via automatische incasso.
3.4.
Artikel 7.5 van de financieringsovereenkomst en artikel 2.1k van bijlage 1 bij de financieringsovereenkomst bepalen - samengevat - dat als Holiday Sport de financiering niet op tijd terugbetaalt, zij, zo lang zij niet nakomt, ook ‘overdue rente’ verschuldigd is van 8%. Deze ‘overdue rente’ komt bovenop de vaste kredietvergoeding.
3.5.
Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de financieringsovereenkomst heeft Holiday Sport aan CAAF bij voorbaat een pandrecht verstrekt op de voertuigen die door CAAF worden gefinancierd.
3.6.
Hiernaast is tussen CAAF en [gedaagde 4] een hoofdelijkheidsovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde 4] zich jegens CAAF als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden voor alles dat CAAF van Holiday Sport te vorderen heeft of te vorderen mocht krijgen op grond van de financieringsovereenkomst.
3.7.
Holiday Sport heeft voor verschillende voertuigen financiering gekregen van CAAF. Doordat Holiday Sport tussendoor deelfinancieringen heeft aangemeld voor terugbetaling, is hierbij steeds nieuwe financieringsruimte vrijgekomen. Hierdoor kon de financiering die door CAAF aan Holiday Sport werd verstrekt het financieringslimiet van
€ 500.000,- overstijgen, tot een bedrag van circa € 700.000,-.
3.8.
Vanaf 11 december 2024 zijn meerdere incasso’s van door Holiday Sport aan CAAF terug te betalen bedragen gestorneerd, tot een bedrag van € 270.476,50. Hierop heeft CAAF Holiday Sport en [gedaagde 4] (eerst) op 16 december 2024 gesommeerd tot betaling van het bedrag dat op dat moment open stond, uiterlijk op 17 december 2024.
3.9.
Vervolgens heeft CAAF Holiday Sport en [gedaagde 4] op 19 december 2024 het volgende bericht:
“Het verzuim met het voldoen aan uw betalingsverplichtingen geeft ons reden de financieringsovereenkomst hierbij met onmiddellijke ingang te ontbinden.
Wij eisen het volledige door u aan ons verschuldigde bedrag van € 708.290,43 hierbij op. Wij verzoeken u dit bedrag uiterlijk vrijdag 20 december aan ons te hebben voldaan.”
3.10.
Hiernaast heeft CAAF zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland gewend om verlof te vragen voor het leggen van beslag. Dit heeft (onder andere) geleid tot de volgende beslagen:
  • Op 19 december 2024 heeft CAAF tien voertuigen in vuistpand genomen. De overige negentien aan CAAF verpande voertuigen zijn in het bedrijfspand van Holiday Sport in [vestigingsplaats 2] niet aangetroffen.
  • Op 30 december 2024 en daarna opnieuw op 16 januari 2025 heeft CAAF bankbeslag gelegd op de rekeningen van Holiday Sport bij de ING Bank en de Coöperatieve Rabobank.
  • Op 31 december 2024 heeft CAAF eigenbeslag gelegd op de overschrijvingsbewijzen die zij onder zich hield. Overschrijvingsbewijzen zijn nodig om voertuigen die nog niet op kenteken zijn gesteld op kenteken te stellen.
  • Op 24 januari 2025 en 27 januari 2025 heeft CAAF conservatoir beslag gelegd op de overschrijvings- dan wel eigendomsbewijzen van een aantal caravans die onderdeel uitmaakten van de handelsvoorraad van Holiday Sport.
3.11.
Op 13 januari 2025 heeft CAAF [gedaagden] gedagvaard. Op dat moment bedroeg de hoofdsom van de terugbetalingsverplichting van Holiday Sport in totaal € 705.326,50. Daarna heeft Holiday Sport verschillende aflossingen gedaan, in totaal voor een bedrag van € 460.385,-, en heeft CAAF de hoofdsom van haar vordering overeenkomstig verminderd.

4.Het geschil

4.1.
CAAF vordert – samengevat – dat [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van € 222.668,24 (de hoofdsom), vermeerderd met ‘overdue rente’ van 8% samengesteld op jaarbasis, vanaf 1 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. De hoofdsom bestaat uit (het restant van) de financiering die door CAAF aan Holiday Sport is verstrekt, inclusief de daarover verschuldigde kredietvergoeding.
4.2.
Tegen Holiday Sport en [gedaagde 4] legt CAAF hier de verplichtingen die voortvloeien uit de financieringsovereenkomst, de hoofdelijkheidsovereenkomst en de pandakte aan ten grondslag.
4.3.
Hiernaast stelt CAAF dat de betaling van dit bedrag ook hoofdelijk door [gedaagden] verschuldigd is op grond van onrechtmatige daad. Volgens CAAF hebben [gedaagden] CAAF namelijk misleid door het verstrekken van valse informatie met het oogmerk financiering te verkrijgen.
4.4.
Naast betaling van het bedrag van € 222.668,24 plus ‘overdue rente’, vordert CAAF dat [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-, de beslagkosten van € 38.354,16 (vermeerderd met wettelijke rente) en de proceskosten (inclusief nakosten).
4.5.
Tussen partijen is de verplichting tot terugbetaling van het bedrag van € 222.668,24 door Holiday Sport en [gedaagde 4] niet in geschil. Voor het overige, worden de vorderingen van CAAF door [gedaagden] betwist. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van CAAF, dan wel tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van CAAF in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De vordering van CAAF tot veroordeling van [gedaagden] in de betaling van het bedrag van € 222.668,24 plus ‘overdue rente’ is, kort gezegd, gebaseerd op een drietal grondslagen: (1) de financieringsovereenkomst, (2) de pandakte en (3) onrechtmatige daad. Deze drie grondslagen zullen achtereenvolgens besproken worden, gevolgd door een beoordeling van de vorderingen tot vergoeding van de beslagkosten, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
(1) De financieringsovereenkomst
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat op Holiday Sport (op grond van de financieringsovereenkomst) en op [gedaagde 4] (op grond van de hoofdelijkheidsovereenkomst) hoofdelijk de verplichting rust het op dit moment nog openstaande bedrag van € 222.668,24 aan CAAF terug te betalen. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de financieringsovereenkomst ontbonden is en, zo ja, of [gedaagden] bovenop dit bedrag ook ‘overdue rente’ verschuldigd zijn. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
5.3.
Op 19 december 2024 heeft CAAF Holiday Sport en [gedaagde 4] het volgende bericht: “Het verzuim met het voldoen aan uw betalingsverplichtingen geeft ons reden de financieringsovereenkomst hierbij met onmiddellijke ingang te ontbinden.” Anders dan CAAF stelt, leest de rechtbank dit bericht niet slechts als een aankondiging van een eventuele ontbinding, maar als een verklaring dat CAAF de financieringsovereenkomst per direct, dus met ingang van 19 december 2024, ontbindt. De rechtbank baseert zich hierbij op de intentie die uitgaat van de woorden “hierbij” en “met onmiddellijke ingang”. Ook weegt mee dat CAAF in de dagvaarding zelf expliciet gesteld heeft dat zij de financiering heeft opgezegd, onder verwijzing naar het bericht van 19 december 2024. Daarnaast overweegt de rechtbank dat CAAF in dat bericht als reden voor de opzegging dan wel ontbinding van de overeenkomst vermeldt dat sprake is van “verzuim van de betalingsverplichtingen”, terwijl het bestaan van een toerekenbare tekortkoming en verzuim wettelijke grond is voor een rechtsgeldige ontbinding. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank dus vast dat financieringsovereenkomst met ingang van 19 december 2024 door CAAF is ontbonden.
5.4.
Wat overblijft is de vraag of CAAF, ondanks dat de financieringsovereenkomst is ontbonden, recht heeft op de contractueel overeengekomen ‘overdue rente’ over het bedrag van € 222.668,24.
5.5.
Op grond van artikel 6:271 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bevrijdt ontbinding de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Dat wil zeggen: de verbintenis en de afspraken die daarin zijn opgenomen, houden op te bestaan. Dat is anders voor zover de verbintenis al is nagekomen. In dat geval blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand en ontstaat een verbintenis tot ongedaanmaking van de ontvangen prestaties. Dat betekent in dit geval dat alles wat onder de financieringsovereenkomst aan Holiday Sport betaald is bij wijze van ongedaanmakingsverplichting aan CAAF terugbetaald moet worden – hetgeen ook niet door Holiday Sport en/of [gedaagde 4] wordt bestreden –, maar dat CAAF geen nakoming meer kan vorderen, ook niet van het ‘overdue rente’-beding.
5.6.
In sommige gevallen kan naast deze terugbetalingsverplichting ook een verplichting bestaan tot het vergoeden van de schade die wordt geleden doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt (art. 6:277 BW Pro). Het gaat hierbij om de vergoeding van het ‘positief contractsbelang’. Toegespitst op het onderhavige geschil, betekent dit dat de omvang van de schade moet worden vastgesteld door twee situaties met elkaar te vergelijken: (i) de hypothetische situatie waarin CAAF zou hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming van de financieringsovereenkomst; en (ii) de feitelijke situatie waarin CAAF na de ontbinding van de financieringsovereenkomst verkeert.
5.7.
In de feitelijke situatie sinds ontbinding bestaat, zoals hiervoor is overwogen, geen mogelijkheid meer tot het vorderen van nakoming. Strikt genomen, betekent dit dat er ook geen basis meer bestaat voor het berekenen van een kredietvergoeding over het uitgeleende bedrag. In de hypothetische situatie zou CAAF, naast de terugbetaling van de financiering, echter ook steeds een kredietvergoeding hebben ontvangen. Hierdoor heeft CAAF ook in geval van ontbinding nog recht op een kredietvergoeding, een en ander zoals ook in het gevorderde bedrag van € 222.668,24 is verdisconteerd. In de hypothetische situatie zou CAAF echter geen ‘overdue rente’ hebben ontvangen, omdat juist de verschuldigdheid van deze rente gekoppeld is aan de omstandigheid dat Holiday Sport haar betalingsverplichtingen onder de financieringsovereenkomst niet tijdig en dus niet ‘onberispelijk’ nakomt.
5.8.
Dit betekent dat artikel 6:227 BW Pro wel een grondslag biedt voor vergoeding van de contractuele rente over het financieringsbedrag, maar niet voor de ‘overdue rente’.
Tussenconclusie
5.9.
Op grond van de financieringsovereenkomst is de vordering van CAAF tegen Holiday Sport en [gedaagde 4] hoofdelijk toewijsbaar tot het bedrag van € 222.668,24.
(2) De pandakte
5.10.
CAAF stelt zich op het standpunt dat Holiday Sport, naast haar verplichtingen onder de financieringsovereenkomst, in verzuim is met haar verplichtingen uit de pandakte, met als gevolg dat de verpande voertuigen niet tot zekerheid en verhaal voor CAAF kunnen dienen.
5.11.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of Holiday Sport wel/niet is tekort geschoten in haar verplichtingen uit de pandakte. Het pandrecht volgt op grond van artikel 3:7 BW Pro namelijk de rechtstoestand van het hoofdrecht waaraan het verbonden is. Er bestaat als gevolg van de ontbinding van de financieringsovereenkomst geen recht op nakoming meer van de verplichtingen uit die overeenkomst. Voor zover het pandrecht strekt tot zekerheid voor de nakoming van die verplichtingen, is dat dus eveneens teniet gegaan. Uit de pandakte volgt geen zelfstandige betalingsverplichting. Het toewijzen van schadevergoeding onder de pandakte zou dus niet leiden tot een andere uitkomst.
(3) Onrechtmatige daad
5.12.
CAAF stelt dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld en op grond van artikel 6:162 BW Pro hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die zij daardoor heeft geleden. Kort gezegd, stelt CAAF dat [gedaagden] haar hebben misleid door het verstrekken van valse informatie met het oogmerk financiering te verkrijgen. Dit is volgens CAAF op twee momenten gebeurd: (i) bij het sluiten van de financieringsovereenkomst en (ii) bij het aanvragen van deelfinancieringen.
5.13.
De rechtbank zal bij haar beoordeling dit onderscheid aanhouden. In algemene zin, merkt de rechtbank daarbij op dat de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld, op grond van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rusten op CAAF.
1) Het handelen bij sluiting van de financieringsovereenkomst
5.14.
Over het handelen bij sluiting van de financieringsovereenkomst, maakt CAAF [gedaagden] drie verwijten: (a) de jaarrekening 2023 van [gedaagde 4] is vervalst, (b) de suggestie is gewekt dat het jaarverslag 2023 van [gedaagde 4] door een derde is opgemaakt en (c) [gedaagden] hebben CAAF niet in kennis gesteld van het persoonlijk faillissement van [gedaagde 2] . Als CAAF wel van deze omstandigheden op de hoogte zou zijn geweest, zou zij de financiering niet hebben verstrekt. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
5.15.
In de jaarrekening 2023 van [gedaagde 4] staat dat [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] een lening heeft verstrekt van € 1.699.900,-. Volgens CAAF is niet gebleken dat dit geld daadwerkelijk ter beschikking is gesteld aan [gedaagde 4] . Hierdoor leek [gedaagde 4] over meer liquide middelen te beschikken dan zij feitelijk deed en werd een rooskleuriger beeld geschept, aldus CAAF. [gedaagden] hebben dit betwist. [gedaagden] betwisten daarnaast ook dat als deze lening niet was verstrekt, CAAF de financieringsovereenkomst niet zou hebben gesloten.
5.16.
Zowel de stelling van CAAF dat [gedaagde 1] de betreffende lening niet aan [gedaagde 4] heeft verstrekt, als de betwisting van [gedaagde 1] van die stelling, zijn summierlijk onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat hoewel de stelplicht en bewijslast in beginsel op CAAF rusten, ook [gedaagden] verplicht zijn hun betwisting te motiveren. Daarbij was het voor [gedaagden] niet ingewikkeld geweest om te laten zien dat de lening door [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] is verstrekt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om deze stellingen nader te onderzoeken. Ook als vast zou komen te staan dat de genoemde lening niet door [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] is verstrekt, heeft CAAF namelijk niet voldoende onderbouwd dat de financieringsovereenkomst niet zou zijn gesloten bij een juiste voorstelling van zaken omtrent de geldlening van [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] . Hoewel deze lening betekend zou hebben dat [gedaagde 4] beschikking had over meer liquide middelen, zou dit ook geleid hebben tot een significante schuld van [gedaagde 4] aan [gedaagde 1] . CAAF heeft onvoldoende concreet onderbouwd waarom desalniettemin juist deze lening van [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] maakte dat zij overging tot het sluiten van een financieringsovereenkomst met Holiday Sport, en zij deze bij het ontbreken van deze lening niet had gesloten of onder andere voorwaarden. Dit betekent dat de vordering van CAAF op deze grond niet slaagt.
5.17.
Verder stelt CAAF zich op het standpunt dat [gedaagden] de suggestie hebben gewekt dat het jaarverslag 2023 van [gedaagde 4] door een externe is opgemaakt. CAAF verwijst hierbij naar hetgeen is opgenomen op pagina 2 van het jaarverslag:
“Geachte directie,
Ingevolge uw opdracht hebben wij de jaarrekening 2023 van [gedaagde 4] BV opgesteld en brengen wij u bijgaand rapport uit omtrent onze bevindingen.
1.1
OPDRACHTAANVAARDING
Opdracht
Wij hebben de in dit rapport opgenomen jaarrekening 2023 van [gedaagde 4] BV te [vestigingsplaats 2] samengesteld. De jaarrekening is opgesteld op basis van de door het bestuur verstrekte gegevens. De verantwoordelijkheid voor de juistheid en de volledigheid van die gegevens en de daarop gebaseerde jaarrekening berust bij het bestuur van de entiteit.”
5.18.
Uit deze passage volgt dat het jaarverslag in opdracht van het bestuur van [gedaagde 4] is opgesteld. Hier kan echter niet uit worden opgemaakt dat het jaarverslag daarmee ook door een externe deskundige is opgemaakt, zoals een accountant. Mogelijk hebben [gedaagden] deze suggestie op een andere manier gewekt, maar dat blijkt niet uit wat CAAF naar voren heeft gebracht. Daar komt bij dat CAAF niet gemotiveerd heeft gesteld dat als zij geweten had dat het jaarverslag 2023 van [gedaagde 4] niet door een externe deskundige was opgesteld, zij de financieringsovereenkomst niet, of niet onder andere voorwaarden, was aangegaan met Holiday Sport. Daarmee is het bestaan van causaal verband ook op dit punt niet komen vast te staan.
5.19.
Hetzelfde geldt voor de stelling van CAAF dat [gedaagden] haar hadden moeten mededelen dat [gedaagde 2] , die bij het sluiten van de financieringsovereenkomst bestuurder was van [gedaagde 4] , op 20 maart 2024 persoonlijk failliet is verklaard. Ook die stelling heeft CAAF niet onderbouwd. Meer concreet, heeft CAAF niet gemotiveerd dat en waarom zij de financieringsovereenkomst met Holiday Sport niet zou hebben gesloten, als zij van het persoonlijk faillissement van [gedaagde 2] op de hoogte was geweest.
Tussenconclusie
5.20.
Het is niet komen vast te staan dat het handelen bij sluiting van de financieringsovereenkomst leidt tot aansprakelijkheid van [gedaagden] op grond van artikel 6:162 BW Pro.
2) Het handelen bij de aanvraag van deelfinancieringen
5.21.
Over het handelen bij de aanvraag van deelfinancieringen maakt CAAF [gedaagden] allereerst het verwijt dat aan CAAF vervalste betalingsbewijzen zijn verstrekt met het oogmerk deelfinanciering te verkrijgen. Volgens CAAF hebben [gedaagden] hiermee gedaan alsof Holiday Sport voertuigen had gekocht, die in werkelijkheid nooit door haar gekocht zijn. Dit heeft bovendien tot gevolg gehad dat ook de pandrechten die aan CAAF zijn verstrekt (deels) gevestigd zijn op voertuigen die nooit hebben bestaan. CAAF verwijt [gedaagden] daarom ook dat zij verpande voertuigen aan het pandrecht hebben onttrokken. Beide handelingen zijn volgens CAAF onrechtmatig. [gedaagden] betwisten dat deze handelingen hebben plaatsgevonden, alsmede de aansprakelijkheid daarvoor op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelt als volgt.
5.22.
Uit de correspondentie tussen CAAF en de ING Bank blijkt dat ING heeft vastgesteld dat van de gecontroleerde afschriften drieëndertig betalingsbewijzen handmatig zijn aangepast. Volgens deze betalingsbewijzen zou Holiday Sport voertuigen gekocht hebben van [bedrijf] B.V. en [naam B.V.] . Volgens ING hebben alle veertien betalingen aan [bedrijf] B.V. (in totaal: € 284.188,-) echter niet plaatsgevonden. Voor de overige negentien betalingen aan [naam B.V.] (in totaal:
€ 192.500,-) geldt dat volgens ING wel betalingen hebben plaatsgevonden, maar dat zowel de data van deze betalingen als de bedragen op de door Holiday Sport verstrekte betalingsbewijzen zijn aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft CAAF hiermee voldoende gemotiveerd gesteld dat (i) de betreffende betalingsbewijzen vervalst zijn en (ii) dat hiermee door Holiday Sport de schijn is gewekt dat door haar voertuigen zijn gekocht, die in werkelijkheid nooit zijn gekocht, althans niet op dat moment en/of voor het bedrag dat op de betalingsbewijzen staat.
5.23.
[gedaagden] hebben ter zitting verklaard dat als zij de ING-app zouden openen, te zien zou zijn dat deze afschrijvingen wel degelijk hebben plaatsgevonden, maar zij hebben dit op geen enkele manier met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] hun betwisting van de stelling dat betalingsbewijzen zijn vervalst dus onvoldoende onderbouwd. De rechtbank komt hiermee niet toe aan nader onderzoek, zoals volgens [gedaagden] vereist is. Dit betekent dat vast staat dat Holiday Sport vervalste betalingsbewijzen aan CAAF hebben verstrekt. De onrechtmatigheid van dit handelen van Holiday Sport is hiermee gegeven. Daarbij is niet in geschil dat de financiering op basis van deze betalingsbewijzen is verstrekt, zodat ook het causaal verband vast staat.
5.24.
Vast staat hiernaast dat 19 van de 29 aan CAAF verpande voertuigen niet op het bedrijfsterrein van Holiday Sport in [vestigingsplaats 2] aanwezig waren toen CAAF op 19 december 2024 probeerde deze voertuigen in vuistpand te nemen. [gedaagden] hebben gesteld dat dit verklaard kan worden doordat de betreffende voertuigen in Duitsland zijn gekocht en verkocht, zonder dat zij tussendoor naar Nederland zijn verplaatst. Wat hier ook van zij: dit neemt niet weg dat Holiday Sport de financiering van de betreffende voertuigen niet heeft terugbetaald, terwijl juist het pandrecht op deze voertuigen strekte tot zekerheid voor deze betalingen. Door deze voertuigen niet op het bedrijfsterrein in [vestigingsplaats 2] te houden, heeft Holiday Sport deze voertuigen aan het pandrecht van CAAF onttrokken. Ook de onrechtmatigheid van dit handelen van Holiday Sport is hiermee gegeven.
5.25.
Over de aansprakelijkheid van [gedaagde 4] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor het handelen van Holiday Sport merkt de rechtbank het volgende op. De toerekening van een onrechtmatige daad aan een vennootschap (hier: Holiday Sport) neemt niet weg dat ook de feitelijk handelend persoon hiervoor persoonlijk aansprakelijk kan zijn. In de regel is dit het geval als hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarnaast is het mogelijk dat ook de bestuurder van de betreffende vennootschap aansprakelijk wordt gehouden. Dit is het geval als aan die bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden van de gedragingen van de vennootschap. Hiervan is in ieder geval sprake als vast komt te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Hoge Raad 8 december 2006, LJN AZ0758). De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
5.26.
[gedaagden] hebben niet betwist dat [gedaagde 1] degene is die Holiday Sport vertegenwoordigd heeft bij het sluiten van de financieringsovereenkomst en ook
degene is die bij het aanvragen van de deelfinancieringen de kopieën van gefingeerde betalingsbewijzen aan CAAF heeft verstrekt. Uit de door [gedaagden] gegeven toelichting volgt niet dat (ook) andere medewerkers van Holiday Sport betrokken waren bij het aanvragen van deelfinancieringen en/of het verstrekken van daarvoor benodigde documentatie, zoals de betalingsbewijzen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [gedaagde 1] direct betrokken was bij het vervalsen van de betalingsbewijzen en/of hier wetenschap van had, en desondanks deze betalingsbewijzen aan CAAF heeft verstrekt met het oogmerk financiering te verkrijgen voor Holiday Sport. Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde 1] als feitelijk handelend persoon hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.
5.27.
Verder is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 4] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, in ieder geval vanaf het moment dat [gedaagde 1] op 17 december 2024 aantrad als bestuurder van [gedaagde 4] . Ook indien [gedaagde 4] tot die tijd niet op de hoogte was van het feit dat Holiday Sport (vertegenwoordigd door [gedaagde 1] ) financiering had aangevraagd op basis van vervalste betalingsbewijzen en/of van het feit dat Holiday Sport door haar handelswijze voertuigen aan het pandrecht van CAAF onttrok, kan deze kennis haar na het aantreden van [gedaagde 1] wel worden toegerekend. Uit wat [gedaagden] hebben aangevoerd, kan niet worden opgemaakt dat [gedaagde 4] enige actie heeft ondernomen om het hierdoor ontstaan van schade te voorkomen, terwijl [gedaagde 4] wist of behoorde te begrijpen dat het toelaten van deze handelswijze tot gevolg zou hebben dat Holiday Sport haar verplichtingen tegenover CAAF niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden voor de schade die daardoor zou ontstaan.
5.28.
[gedaagde 2] was tot 17 december 2024 enig bestuurder van [gedaagde 4] . Het feit dat [gedaagde 2] het bestuurderschap op 17 december 2024 aan [gedaagde 1] heeft overgedragen – enkele dagen nadat de incasso’s van CAAF storneerden – heeft er alle schijn van dat [gedaagde 2] op de hoogte was van het handelen van [gedaagde 1] en Holiday Sport. Dit enkele vermoeden is echter onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde 2] daadwerkelijk op de hoogte was van dit handelen, dan wel op andere wijze dit handelen heeft toegelaten, en hem daarmee persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hierover heeft CAAF niet voldoende gesteld.
5.29.
Dit betekent dat Holiday Sport bij de aanvraag van deelfinancieringen onrechtmatig heeft gehandeld tegenover CAAF door (i) aan de hand van vervalste betalingsbewijzen te doen alsof Holiday Sport voertuigen had aangekocht en daarvoor deelfinancieringen aan te vragen en (ii) deze (gepretendeerde) voertuigen aan het pandrecht van CAAF te onttrekken. Dit handelen kan naast Holiday Sport ook [gedaagde 1] , als feitelijk handelend persoon, en [gedaagde 4] , als bestuurder van Holiday Sport, worden toegerekend. Het is niet komen vast te staan dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover CAAF.
Schade
5.30.
Op grond van artikel 6:162 BW Pro heeft CAAF recht op vergoeding van de schade die het gevolg is van het onrechtmatig handelen van Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] . Om de schade vast te stellen, moet een vergelijking gemaakt worden tussen:
  • i) de feitelijke situatie waarin CAAF nu verkeert doordat met vervalste betalingsbewijzen gedaan is alsof Holiday Sport voertuigen had gekocht en daarvoor deelfinancieringen zijn verstrekt waarvoor Holiday Sport nu geen verhaal biedt, en
  • ii) de hypothetische situatie waarin dat niet was gebeurd en de betreffende deelfinancieringen dus ook niet waren verstrekt.
5.31.
Uit deze vergelijking volgt dat de door CAAF geleden schade (in ieder geval) bestaat uit de deelfinancieringen die CAAF op basis van vervalste betalingsbewijzen aan Holiday Sport heeft verstrekt en de kredietvergoeding die zij daarover zou hebben gekregen. Daarbij kan in het midden blijven wat de exacte hoogte van deze schade is. Het totaalbedrag van de veertien betalingen aan [bedrijf] B.V. (€ 284.188,-), waarvan ING heeft vastgesteld dat deze in het geheel niet hebben plaatsgevonden en waarvan dus vaststaat dat hiervan geen voertuigen zijn gekocht, overstijgt namelijk al (het restant van) de hoofdsom van de vordering van CAAF (€ 222.668,24). Hiernaast staat vast dat CAAF haar pandrechten op 19 voertuigen niet heeft kunnen uitoefenen en Holiday Sport voor het eventueel resterende waardeverschil geen verhaal biedt. Hieruit volgt dat CAAF in ieder geval € 222.668,24 aan schade heeft geleden.
5.32.
Anders dan CAAF stelt, volgt uit de vergelijking tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie niet dat CAAF daarmee ook recht heeft op vergoeding van de ‘overdue rente’. In de hypothetische situatie dat het onrechtmatig handelen niet had plaatsgevonden, zouden de betreffende deelfinancieringen namelijk niet verstrekt zijn. Daardoor zou Holiday Sport daarover ook geen ‘overdue rente’ verschuldigd zijn geweest. Dat geldt ook voor de financiering waarvan niet is komen vast te staan dat deze is verstrekt op basis van vervalste betalingsbewijzen. Daarvan is namelijk niet vastgesteld dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen.
Tussenconclusie
5.33.
De rechtbank stelt vast dat de hoofdelijkheid van de schadevergoedingsverplichting niet weersproken is. De rechtbank wijst de vordering uit onrechtmatige daad tegen Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] daarom hoofdelijk toe tot een bedrag van € 222.668,24. De rechtbank wijst de vordering van CAAF af voor zover deze betrekking heeft op [gedaagde 2] .
Beslagkosten
5.34.
CAAF vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. De rechtbank stelt vast dat het beslagverlof dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, op 18 december 2024 en 22 januari 2025 heeft verleend, alleen betrekking heeft op de vorderingen van CAAF tegen Holiday Sport op grond van de financieringsovereenkomst en niet (ook) op de vorderingen van CAAF tegen [gedaagden] op grond van onrechtmatige daad. Gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro, is de vordering tot betaling van de beslagkosten daarom hoofdelijk toewijsbaar tegen Holiday Sport en [gedaagde 4] (op grond van de financierings- en hoofdelijkheidsovereenkomsten), maar niet tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (op grond van onrechtmatige daad).
5.35.
De deurwaarderskosten worden op basis van de door CAAF overgelegde specificaties van 6 januari 2025 en 7 februari 2025, en de daaraan ten grondslag gelegde beslagexploten, vastgesteld op € 7.385,70. Hiernaast komen ook de kosten die zijn gemaakt voor het bergen van de voertuigen en het in bewaring nemen van de tenaamstellingsbewijzen en eigendomsbewijzen voor vergoeding in aanmerking, tot een bedrag van € 29.592,46. Deze kosten houden immers direct verband met de beslagen die door CAAF gelegd zijn tot zekerheid van betaling van haar vordering op Holiday Sport. Anders dan [gedaagden] stellen, kunnen ook deze kosten op grond van artikel 706 Rv Pro worden teruggevorderd. [gedaagden] hebben niet (voldoende) gesteld dat de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren.
5.36.
De vordering van CAAF tot vergoeding van het griffierecht voor de beslagrekesten van 18 december 2024 en 23 december 2024 wordt toegewezen tot een bedrag van € 688 (1x griffierecht), omdat op het griffierecht van CAAF voor de onderhavige procedure al een bedrag van € 688,- in mindering is gebracht. De totale beslagkosten worden daarmee vastgesteld op € 7.385,70 + € 29.592,46 + € 688,- = € 37.666,16.
5.37.
Blijkens de akte vermindering van eis van 21 oktober 2025 vordert CAAF ook vergoeding van wettelijke rente over de beslagkosten. Dat vorderde zij daarvoor niet. In die zin is de akte niet alleen een vermindering van eis, maar ook een vermeerdering van eis. Van die vermeerdering van eis heeft CAAF geen melding gemaakt en die vermeerdering is door [gedaagden] en door de rechtbank bij de mondelinge behandeling dan ook onopgemerkt gebleven. Het op die manier vermeerderen van de eis is in strijd met de goede procesorde en die vermeerdering van eis wordt daarom dan ook buiten beschouwing gelaten.
Proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten
5.38.
CAAF vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (het Besluit) is alleen van toepassing op de vordering tegen Holiday Sport en [gedaagde 4] op grond van de financierings- en hoofdelijkheidsovereenkomsten. Omdat de vordering op grond van onrechtmatige daad tegen Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hier direct verband mee houdt, zal de rechtbank de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn desalniettemin voor de gehele vordering toetsen aan de vereisten die gelden op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit.
5.39.
Blijkens de door CAAF overgelegde correspondentie, heeft CAAF Holiday Sport en [gedaagde 4] (eerst) op 16 december 2024 gesommeerd tot betaling van het bedrag dat op dat moment openstond onder de financiering. Vervolgens heeft CAAF op 19 december 2024 de financieringsovereenkomst ontbonden en Holiday Sport en [gedaagde 4] gesommeerd tot betaling van het volledige bedrag dat Holiday Sport onder de financieringsovereenkomst verschuldigd was. Anders dan [gedaagden] , is de rechtbank van oordeel dat CAAF hiermee voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Weliswaar hebben de beslagen de sommaties snel opgevolgd, maar dat maakt niet dat de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. Het staat vast dat ondanks deze sommaties en de gelegde beslagen niet aan de betalingsverplichtingen is voldaan. CAAF heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Bij de hoogte van het bedrag houdt de rechtbank rekening met het feit dat de hoofdsom op het moment van dagvaarden in totaal
€ 705.326,50 bedroeg en dat de deelbetalingen die Holiday Sport vervolgens heeft gedaan, pas zijn gedaan nadat de buitengerechtelijke werkzaamheden waren verricht. Het toe te wijzen bedrag wordt dan ook gebaseerd op de hoofdsom van € 705.326,50. Conform het Besluit, zal een bedrag van € 5.301,63 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Anders dan [gedaagden] stellen, komt dit bedrag de rechtbank niet onredelijk voor.
5.40.
Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van CAAF betalen. Tot deze proceskosten behoren zowel het salaris advocaat voor de onderhavige procedure (€ 8.775,-), als het salaris advocaat in verband met het gelegde beslag (€ 7.004,-). De totale proceskosten van CAAF worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
606,08
(3 × € 151,52)
- griffierecht
6.173,00
- salaris advocaat
8.755,00
(2,5 punten × € 3.502,00)
- salaris advocaat (beslag)
7.004,00
(2,0 punten × € 3.502,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
22.716,08
5.41.
De vordering die CAAF tegen [gedaagde 2] heeft ingesteld, wordt afgewezen. CAAF wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde 2] veroordeeld. Omdat [gedaagden] gezamenlijk en met dezelfde advocaat hebben geprocedeerd en tezamen één bedrag aan griffierecht hebben betaald, worden de proceskosten van [gedaagde 2] echter vastgesteld op nihil.
5.42.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hoofdelijk om aan CAAF te betalen een bedrag van € 222.668,24,
6.2.
veroordeelt Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 37.666,16,
6.3.
veroordeelt Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hoofdelijk in de buitengerechtelijke incassokosten, tot op heden vastgesteld op € 5.301,63,
6.4.
veroordeelt Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hoofdelijk in de proceskosten van CAAF van € 22.716,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt CAAF in de proceskosten van [gedaagde 2] , begroot op nihil,
6.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 tot en met 6.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.