ECLI:NL:RBAMS:2025:10480

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11763183 \ CV EXPL 25-8794
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling achterstallige en resterende leasetermijnen auto en schadevergoeding

In deze bodemzaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen HILTERMANN LEASE B.V. en een gedaagde partij, die handelde onder een handelsnaam. De eisende partij vorderde betaling van achterstallige en resterende leasetermijnen voor een Ford Transit Connect, alsook een schadevergoeding. De gedaagde had een huurkoopovereenkomst gesloten, maar kwam in betalingsproblemen en leverde de auto in. De kantonrechter oordeelde dat de gedaagde tekort was geschoten in de nakoming van de overeenkomst door achterstallige betalingen. De rechter matigde de rente tot de wettelijke rente en oordeelde dat de gedaagde ook verantwoordelijk was voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter ontbond de leaseovereenkomst en veroordeelde de gedaagde tot betaling van een totaalbedrag van € 8.615,20, vermeerderd met rente en kosten. De persoonlijke omstandigheden van de gedaagde werden niet als reden voor matiging van de betalingsverplichting geaccepteerd. De proceskosten werden toegewezen aan de eisende partij.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11763183 \ CV EXPL 25-8794
Vonnis van 11 december 2025
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
eisende partij,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende en zaakdoende te [woon-/vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 juni 2025, met producties,
- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord,
- het tussenvonnis van 17 juli 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 16 september 2025. Namens Hiltermann is verschenen [naam] met mr. S.J. Houweling namens de gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen, hoewel hij daartoe wel behoorlijk was opgeroepen. Op dat moment in de procedure werd [gedaagde] nog niet vertegenwoordigd door de gemachtigde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Hiltermann haar standpunten nader toegelicht en heeft zij vragen van de kantonrechter beantwoord. Zij is ook in de gelegenheid gesteld een nadere akte te nemen, en [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De volgende stukken zijn uitgewisseld:
- de akte van Hiltermann van 16 september 2025, met producties,
- de akte van [gedaagde] van 2 oktober 2025, met producties,
- de akte van Hiltermann van 30 oktober 2025, met een betalingsoverzicht.
1.3.
Nadat [gedaagde] heeft aangegeven geen nadere reactie te hebben op het betalingsoverzicht van Hiltermann, is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft op 29 januari 2024 met Hiltermann een huurkoopovereenkomst gesloten voor een Ford Transit Connect (hierna: de auto). De overeenkomst bepaalt dat de leaseprijs van in totaal € 19.702,56 bij vooruitbetaling in 48 maandelijkse termijnen van € 410,47 moet worden voldaan.
2.2.
In artikel 2.7 van de overeenkomst staat:
‘De Eindgebruiker verklaart dat hij het Object uitsluitend in de uitoefening van een bedrijf of een zelfstandig uitgeoefend beroep zal gebruiken.’
2.3.
Op de overeenkomst zijn de ‘Algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop) versie 1 december 2021’ van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). Hierin staat, voor zover van belang, het volgende:
‘15. Indien de Eindgebruiker in gebreke blijft met de tijdige betaling van een Leasetermijn, dan wel enig ander door hem uit hoofde van de Overeenkomst en/of deze algemene voorwaarde verschuldigd bedrag, zal hij hierover een vertragingsrente verschuldigd zijn gelijk aan 1,5 % per maand of de geldende wettelijke rente indien die hoger mocht zijn dan voormeld percentage, te rekenen vanaf de vervaldag tot en met de dag der betaling, waarbij een gedeelte van een maand voor een gehele maand wordt gerekend.’
‘43. Indien de Eindgebruiker een op hem rustende verplichting jegens de Leasemaatschappij niet of niet tijdig nakomt, (…) dan is de Leasemaatschappij gerechtigd het nog niet betaalde deel van de Leaseprijs, na de Eindgebruiker in geval van de niet of niet tijdige nakoming van een (betalings)verplichting eerst schriftelijk in gebreke te hebben gesteld, onmiddellijk vervroegd op te eisen. Door de vervroegde opeising van de Leaseprijs eindigt de Overeenkomst en is de Eindgebruiker niet langer gerechtigd het Object te gebruiken en zal de Leasemaatschappij het Object onmiddellijk tot zich kunnen nemen.(…)”
‘44. Bij tussentijdse beëindiging van de Overeenkomst, dient de Eindgebruiker terstond bij het einde van de Overeenkomst voor eigen rekening en risico het Object compleet, gebruiksklaar en in goede staat van onderhoud en vrij van schade af te (doen) leveren op een door Leasemaatschappij aangegeven adres in Nederland. (…) Na afgifte of inname van het Object heeft de Eindgebruiker recht op vergoeding van de door de Leasemaatschappij naar redelijkheid vast te stellen verkoopwaarde van het Object, welke vergoeding kan worden verrekend met de vervroegd opgeëiste Leaseprijs.’
‘53. (…) De buitengerechtelijke invorderingskosten worden gesteld op tien procent ( 10 % ) van het totale bedrag van de niet betaalde verschenen en nog niet verschenen termijnen, met een minimumbedrag van € 250,-. (…)’
2.4.
Op 24 februari 2025 heeft de gemachtigde van Hiltermann [gedaagde] gesommeerd tot betaling van de achterstallige leasetermijnen van de auto van september tot en met december 2024, vermeerderd met incassokosten en rente. Op 4 maart 2025 is [gedaagde] nogmaals aangeschreven, waarbij de gemachtigde van Hiltermann ook heeft aangekondigd de overeenkomst te zullen ontbinden als de achterstand niet betaald zou worden. Daarbij heeft zij [gedaagde] erop gewezen dat als de overeenkomst wordt ontbonden, [gedaagde] bovenop de achterstallige leasetermijnen ook een schadevergoeding moet betalen, welke bestaat uit het totaal van de leasetermijnen die hij had moeten betalen bij het in stand blijven van de overeenkomst.
2.5.
[gedaagde] heeft de auto op 12 maart 2025 ingeleverd. Deze is op 27 maart 2025 door Hiltermann verkocht voor een bedrag van € 4.082,54 inclusief btw.
2.6.
Op 4 april 2025 heeft de gemachtigde van Hiltermann [gedaagde] gesommeerd tot betaling van een hoofdsom van € 16.177,04, vermeerderd met kosten en rente, verminderd met de verkoopopbrengst van de auto.
2.7.
[gedaagde] en Hiltermann zijn een betalingsregeling overeengekomen, maar deze is [gedaagde] niet nagekomen. Het genoemde bedrag is niet betaald.

3.Het geschil

De vordering
3.1.
Hiltermann vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 16.177,04 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. Een bedrag van € 4.082,54, te weten de verkoopwaarde van de auto, strekt hierop in mindering, zodat Hiltermann een bedrag van € 14.366,67 vordert. Verder verzoekt Hiltermann – na eiswijziging – om de overeenkomst te ontbinden per 7 maart 2025 en een verklaring voor recht hiervoor.
3.2.
Hiltermann legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst door een achterstand te laten ontstaan in de betaling van de maandelijkse leasetermijnen van de auto. [gedaagde] heeft de auto vrijwillig, vóór ontbinding, ingeleverd en moet op grond van artikel 43 van de algemene voorwaarden de resterende leasetermijnen betalen, waarop de verkoopopbrengst van de auto in mindering is gebracht. Omdat [gedaagde] hiermee in gebreke is, heeft Hiltermann buitengerechtelijke incassokosten gemaakt die [gedaagde] moet vergoeden. Ook moet hij rente betalen.
Het verweer
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Hiltermann, althans de vordering, rente en kosten te matigen, met veroordeling van Hiltermann in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. De dagvaarding is naar zijn oude adres gestuurd, waardoor hij feitelijk geen kennis heeft kunnen nemen van de procedure. [gedaagde] heeft de overeenkomst gesloten zodat hij de auto kon gebruiken voor zijn bedrijfsactiviteiten. Door het wegvallen van opdrachten kon hij enkele leasetermijnen niet betalen. Hij heeft de auto vrijwillig ingeleverd in de overtuiging dat daarmee de leaseovereenkomst zou eindigen en hij van verdere betalingsverplichtingen zou worden bevrijd. Hiltermann heeft hem er niet op gewezen dat hij ondanks het inleveren nog een aanzienlijk bedrag zou moeten betalen. Dit is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
3.5.
Van een rechtsgeldige ontbinding in de zin van artikel 43 van de algemene voorwaarden is geen sprake, omdat de overeenkomst nog liep ten tijde van de verkoop van de auto en dus nog niet was ontbonden. Hiltermann had het recht niet de auto te verkopen. Bovendien is de auto tegen een aanzienlijk lager bedrag verkocht dan dat deze in de markt waard is. Hiltermann heeft daarmee haar schadebeperkingsplicht geschonden.
3.6.
Een aantal betalingen van [gedaagde] is ten onrechte niet in mindering gebracht op de vordering van Hiltermann. Tot slot dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] , die als jonge ondernemer door verlies van werk tijdelijk zijn betalingsverplichtingen niet kon nakomen. Hij heeft inmiddels begeleiding van schuldhulpverlening en heeft perspectief om zijn schulden af te lossen.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De procedure
4.1.
[gedaagde] voert allereerst aan dat de dagvaarding naar een oud adres is gestuurd. Uit de overgelegde uittreksels blijkt dat [gedaagde] vanaf 25 april 2025 geregistreerd stond op het adres waarop hij op 18 juni 2025 is gedagvaard. Dat [gedaagde] zich na 25 april 2025 heeft ingeschreven op een ander adres, blijkt nergens uit. Bovendien was [gedaagde] wel aanwezig op de eerste rolzitting en daarmee kennelijk op de hoogte van de procedure, zodat hij niet in zijn belangen is geschaad.
4.2.
Hiltermann voert aan dat de akte van [gedaagde] van 2 oktober 2025 buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat [gedaagde] niet bij de mondelinge behandeling is verschenen en hij daarvóór al bij antwoord heeft gereageerd. Hierin gaat de kantonrechter niet mee. Hiltermann is na de zitting immers zelf in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken in te dienen en daarmee haar standpunt aan te vullen, hoewel zij dit eigenlijk al bij dagvaarding had moeten doen. [gedaagde] heeft hier vervolgens op mogen reageren in het kader van hoor en wederhoor. Hiltermann heeft zich hierna voldoende kunnen uitlaten over de standpunten van [gedaagde] , zodat de kantonrechter geen aanleiding ziet om de akte buiten beschouwing te laten. De akte van [gedaagde] maakt dan ook deel uit van het dossier.
Ambtshalve toetsing
4.3.
Hiltermann stelt dat [gedaagde] niet als consument heeft gehandeld en verwijst daarbij naar artikel 2.7 van de overeenkomst en het uittreksel uit het handelsregister van het bedrijf van [gedaagde] . [gedaagde] geeft zelf ook aan dat hij zelfstandig ondernemer is en de auto nodig had voor zijn bedrijfsactiviteiten. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [gedaagde] bedrijfsmatig heeft gehandeld waardoor ambtshalve toetsing aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht niet aan de orde is.
Leasetermijnen
4.4.
Niet in geschil is dat op de overeenkomst de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Hierin is vastgelegd dat Hiltermann het nog niet betaalde deel van de leaseprijs vervroegd op mag eisen als de wederpartij de betalingsverplichting richting Hiltermann, ook na ingebrekestelling, niet nakomt. [gedaagde] heeft verschillende leasetermijnen niet op tijd betaald; ook niet nadat Hiltermann hem daarvoor heeft aangemaand. Daarom mocht Hiltermann op grond van artikel 43 van de algemene voorwaarden het nog niet betaalde deel van de leaseprijs vervroegd opeisen. Door deze vervroegde opeising is, eveneens op grond van artikel 43, de overeenkomst geëindigd en diende [gedaagde] de auto in te leveren (zie artikel 44). Anders dan [gedaagde] meent, is ontbinding niet een voorwaarde voor beëindiging van de overeenkomst. Omdat dit in de algemene voorwaarden is geregeld, rustte er op Hiltermann geen verplichting om dit (nogmaals) mee te delen aan [gedaagde] . [gedaagde] wordt immers geacht op de hoogte te zijn van de bepalingen in de overeenkomst en in de algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft dus op basis van de algemene voorwaarden kunnen en moeten weten dat hij ook na inlevering van de auto de resterende termijnen moest betalen.
Verkoopwaarde auto
4.5.
Hiltermann was ook gerechtigd de auto na inlevering door [gedaagde] te verkopen: de overeenkomst was immers feitelijk al geëindigd met de inlevering van de auto. Verder oordeelt de kantonrechter dat niet is gebleken dat Hiltermann haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden bij de verkoop van de auto. Op grond van artikel 44 van de algemene voorwaarden moet Hiltermann de verkoopwaarde van de auto in redelijkheid vaststellen en Hiltermann heeft voldoende onderbouwd dat zij dit heeft gedaan. Uit het opnameformulier blijkt namelijk dat de auto bij inlevering schade had en voor een aanzienlijk bedrag gerepareerd zou moeten worden. Hiltermann heeft verder onderbouwd dat de auto is verkocht aan de hoogste van een achttal bieders. Daarmee heeft Hiltermann voldoende onderbouwd dat zij de auto tegen een redelijke prijs heeft verkocht.
Achterstallige en resterende leasetermijnen
4.6.
Gelet op het voorgaande is [gedaagde] dan ook gehouden zowel de achterstallige termijnen als de resterende termijnen te voldoen. Dit komt neer op een bedrag van € 2.221,06 (1 maal € 168,71 en 5 maal € 410,47) aan achterstallige termijnen en een bedrag van € 13.955,98 aan resterende termijnen. Hierop strekt in mindering de verkoopwaarde van de auto, te weten een bedrag van € 4.082,54.
Betalingen
4.7.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat een aantal betalingen niet in mindering is gebracht op de vordering van Hiltermann. De kantonrechter volgt dit verweer deels. Hiltermann heeft namelijk niet toegelicht hoe de online overboekingen en de betalingen via iDeal die [gedaagde] heeft gedaan, zijn verwerkt in haar betalingsoverzicht. Dit had wel op haar weg gelegen, gelet op de betaalbewijzen die [gedaagde] heeft overgelegd. Bij die stand van zaken is niet gebleken dat de door [gedaagde] aangevoerde betalingen door Hiltermann in mindering zijn gebracht op het saldo. Daarom zal de vordering worden verminderd met een bedrag van € 3.479,30 (4 x € 410,47, € 668,57, € 668,85 en € 500,00). De incasso van 29 november 2024 is volgens het overzicht van Hiltermann gestorneerd op 2 december 2024 en moet daarom nog worden betaald door [gedaagde] .
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal een bedrag van € 8.615,20 wordt toegewezen:
- achterstallige leasetermijnen
2.221,06
- resterende leasetermijnen
subtotaal
- verkoopwaarde auto
- betalingen
13.955,98
16.177,04
4.082,54
3.479,30
+
-/-
totaal
8.615,20
Rente
4.9.
Omdat [gedaagde] de bedragen niet op tijd heeft betaald, is hij hierover rente verschuldigd. De gevorderde contractuele rente van 18% per jaar (1,5% per maand) is toewijsbaar over de achterstallige termijnen tot aan de datum van beëindiging van de overeenkomst vanaf de verschillende vervaldata van die termijnen. Nu over de exacte datum van beëindiging niets anders is gesteld of gebleken, gaat de kantonrechter daarvoor uit van de datum van inlevering van de auto, te weten 12 maart 2025. Ook over het bedrag aan resterende leasetermijnen minus de verkoopwaarde van de auto en de betalingen van [gedaagde] moet [gedaagde] rente betalen, maar deze zal de kantonrechter bepalen op de wettelijke rente. Wanneer Hiltermann overgegaan was tot ontbinding – wat blijkens hetgeen zij ter zitting heeft verklaard de vaste procedure is bij Hiltermann in deze situaties – was de contractuele rente of de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar over de resterende leasetermijnen, omdat dat een schadevergoeding betreft en de betalingsverplichting niet voortvloeit uit een handelsovereenkomst. Nu Hiltermann niet is overgegaan tot ontbinding heeft zij daarmee zelf een situatie in haar voordeel gecreëerd dat een hogere rente verschuldigd is, terwijl de overeenkomst met de vervroegde opeising van de resterende leasetermijnen en de inlevering van de auto feitelijk al ten einde was gekomen. Hierin ziet de kantonrechter aanleiding om niet de contractuele rente of handelsrente, maar de wettelijke rente toe te wijzen over de resterende leasetermijnen vanaf de datum van beëindiging van de overeenkomst.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
Hiltermann vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De door Hiltermann gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal worden toegewezen, nu [gedaagde] de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst niet heeft betwist en geen termen aanwezig zijn om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan. Wel zal de hoogte worden aangepast aan het toegewezen bedrag. Daarom zal een bedrag van € 861,52 worden toegewezen. Over de buitengerechtelijke incassokosten is alleen de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijsbaar. Omdat Hiltermann de buitengerechtelijke kosten op 4 april 2025 heeft betaald, is de schade op die datum geleden. De gevorderde rente zal daarom worden toegewezen vanaf die datum.
Ontbinding
4.11.
Onbetwist is gebleven dat [gedaagde] zes termijnen onbetaald heeft gelaten tot het moment dat de auto werd ingeleverd. Gelet op deze tekortkoming is de vordering tot ontbinding toewijsbaar, vanaf de datum van dit vonnis. Een overeenkomst kan namelijk niet met terugwerkende kracht worden ontbonden. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen omdat Hiltermann haar belang hierbij onvoldoende heeft toegelicht.
Persoonlijke omstandigheden
4.12.
Tot slot overweegt de kantonrechter dat de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] niet af doen aan de verschuldigdheid van de vorderingen die Hiltermann op [gedaagde] heeft. Hoewel het goed is dat [gedaagde] inmiddels weer werk heeft en ondersteuning krijgt van schuldhulpverlening, is dit geen reden om zijn betalingsverplichting jegens Hiltermann te matigen. Indien [gedaagde] een betalingsregeling wenst kan hij zich wenden tot de (gemachtigde van) Hiltermann.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hiltermann worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.479,73

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de leaseovereenkomst tussen Hiltermann en [gedaagde] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen een bedrag van € 8.615,20, te vermeerderen met:
  • de contractuele rente van 18% per jaar over € 2.221,06 aan achterstallige termijnen tot 12 maart 2025, vanaf de respectieve vervaldata van de termijnen, tot de dag van volledige betaling,
  • de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 6.394,14 vanaf 12 maart 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen een bedrag van € 861,52 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 4 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.479,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.
57327