3.3.1.Zaak A
3.3.1.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen die in
bijlage IIzijn opgenomen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
De vechtpartij voor café The River
In de nacht van 29 september 2024 vindt er op straat voor café The River in Uithoorn een vechtpartij plaats tussen twee groepen. Verdachte loopt in eerste instantie achter de vechtende mannen aan, waarna hij ten val komt. Verdachte staat vervolgens op, loopt richting [benadeelde partij 4] , geeft hem met zijn rechtervuist een vuistslag en loopt direct weg. [benadeelde partij 1] loopt op dat moment richting de vechtende personen. Verdachte loopt in haar richting. Op het moment dat verdachte langs [benadeelde partij 1] loopt, haalt hij met zijn rechterarm uit richting het gezicht van [benadeelde partij 1] , waardoor het hoofd van [benadeelde partij 1] een zwaai naar achteren maakt en zij direct neervalt. [benadeelde partij 1] blijft bewegingloos liggen. Verdachte loopt hierna weg en draait zich enkele seconden later om en rent terug. Verdachte maakt vervolgens zes maal met zijn rechterarm een slaande beweging in de richting van het gezicht van [benadeelde partij 4] .
Letsel [benadeelde partij 1]
Uit het dossier blijkt dat [benadeelde partij 1] als gevolg van de klap op haar gezicht letsel heeft opgelopen. Uit de Letselrapportage van de Forensisch Geneeskundige van de GGD van 30 september 2024 en het Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI van 13 mei 2025 volgt dat het letsel aan het hoofd bestond uit een aantal bloeduitstortingen, een schaafwond en botbreuken van de aangezichtsschedel in en links naast de middellijn met uiteindelijk een scheefstand van de neus naar rechts. Daarvoor wordt een operatieve correctie voorgesteld. Daarnaast bestond het letsel uit een bloeduitstorting en schaafwonden op de linkeroorschelp, in combinatie met botbreuken van het slaapbeen/bot achter het linkeroor, met bijkomende ontwrichting van de gehoorbeenketen en daaraan gerelateerde gehoorvermindering, met tevens voortzetting van deze breuken in de schedelbasis tot in het slaapbeen/bot achter het rechteroor.
In het rapport van het NFI is verder vermeld dat voor het letsel aan de gehoorbeenketen een operatieve correctie is voorgesteld en uit een medische rapportage van de KNO-arts volgt dat [benadeelde partij 1] aan haar linkeroor gehoorverlies van 27 decibel heeft opgelopen. Wat het gehoorverlies door schade aan de gehoorbeenketen links en de standsafwijking van de neus betreft kon op basis van de beschikbare informatie ten tijde van het forensisch onderzoek geen uitspraak worden gedaan over de prognose, omdat de resultaten van (operatieve) vervolgbehandelingen nog niet bekend waren en er nog geen eindtoestand was bereikt.
In relatie met het hoofdletsel waren er verschijnselen van een licht traumatisch hoofdhersenletsel (LTH) zonder radiologische aanwijzingen voor bloeduitstortingen of kneuzingen in de hersenen en/of schade aan de hersenvliezen.
Uit de medische stukken die namens [benadeelde partij 1] als benadeelde partij zijn ingediend blijkt dat [benadeelde partij 1] op 2 mei 2025 aan haar linkeroor is geopereerd waarbij een ketenreconstructie is uitgevoerd.
Letsel [benadeelde partij 4]
In het dossier zitten foto’s van [benadeelde partij 4] die hij tijdens het verhoor op 29 september 2024 aan de politie heeft verstrekt. Op de foto’s is een striem op zijn rechterarm en een kras in zijn nek te zien. Verder heeft [benadeelde partij 4] verklaard pijn te voelen aan zijn kaak en was de binnenkant van zijn mond kapot.
3.3.1.2.
Vrijspraak poging zware mishandeling [benadeelde partij 4] (zaak A, feit 2 – primair)
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 4] . De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [benadeelde partij 4] op twee verschillende momenten met de vuist is geslagen door verdachte. De handelingen van verdachte, zoals die uit de camerabeelden zijn gebleken, kunnen naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm niet worden geacht gericht te zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat [benadeelde partij 4] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
3.3.1.3.
Bewezenverklaring zware mishandeling [benadeelde partij 1] (zaak A, feit 1 primair)
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde partij 1] eenmaal in haar gezicht heeft geslagen, waarna zij op de grond viel en als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte bij het slaan van [benadeelde partij 1] opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Juridisch kader voorwaardelijk opzet
Voor het aannemen van zware mishandeling dient verdachte hierop (voorwaardelijk) opzet te hebben gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat een verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Voorwaardelijk opzet
Uit het dossier volgt niet dat verdachte daadwerkelijk het doel had om [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waardoor geen sprake is van vol opzet. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] en overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij 1] in het gezicht heeft geslagen, waardoor zij op de grond is gevallen en bewegingloos is blijven liggen. Uit de camerabeelden en de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] volgt dat verdachte op [benadeelde partij 1] is afgelopen en op het moment van voorbijlopen uitgehaald heeft in de richting van het gezicht van [benadeelde partij 1] . Het hoofd van [benadeelde partij 1] maakte vervolgens een zwaai naar achteren en zij viel direct op de grond. Hieruit volgt dat de klap waarmee verdachte [benadeelde partij 1] in haar gezicht heeft geslagen een harde klap is geweest. Naar algemene ervaringsregels bestaat een aanmerkelijke kans dat bij iemand onder deze omstandigheden, door onverhoeds een harde klap tegen het hoofd, het meest kwetsbare deel van het lichaam, te geven, zwaar lichamelijk letsel ontstaat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de aard en uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, de aanmerkelijke kans dat door zijn klap zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] zou kunnen ontstaan bewust heeft aanvaard, zodat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De verklaring van verdachte dat het nooit zijn bedoeling is geweest om letsel aan [benadeelde partij 1] toe te brengen, doet daaraan niet af. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie
De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [benadeelde partij 1] en dat hij hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zware mishandeling, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd.
3.3.1.4.
Bewezenverklaring mishandeling [benadeelde partij 4] (feit 2 subsidiair)
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat verdachte [benadeelde partij 4] heeft mishandeld door met een vuist in het gezicht van [benadeelde partij 4] te slaan. De rechtbank concludeert dat de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 4] wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3.2.Zaak B
3.3.2.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen die in
bijlage IIzijn opgenomen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Het geweldsincident bij RKDES
Op 28 september 2024 heeft een vechtpartij tussen spelers van het team Legmeervogels JO19 en hun invallend coach [benadeelde partij 2] plaatsgevonden. Aanleiding voor het incident is een woordenwisseling tussen de spelers en [benadeelde partij 2] , nadat de spelers van hem te horen kregen dat zij op de reservebank moesten zitten, omdat zij te laat waren. Na deze woordenwisseling is [benadeelde partij 2] geslagen en geschopt door meerdere personen. Op enig moment slaat een persoon de moeder van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , met een vuist in het gezicht.
3.3.2.2.
Vrijspraak mishandeling [benadeelde partij 3] (feit 2)
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte degene is geweest die [benadeelde partij 3] heeft geslagen. Zij overweegt daartoe het volgende.
[benadeelde partij 3] heeft verklaard dat degene die haar heeft geslagen zich later met de eerder ontstane ruzie tussen de twee spelers en [benadeelde partij 2] bemoeide, terwijl [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat verdachte een van de twee spelers was die aan begin van de ruzie dreigend op hem is afgekomen. Deze verklaringen komen dus niet met elkaar overeen, voor zover zij er beiden vanuit gaan dat verdachte [benadeelde partij 3] heeft geslagen. [benadeelde partij 2] heeft wel verklaard dat hij heeft gezien dat het verdachte was die zijn moeder heeft geslagen, maar het is de vraag of hij goed in staat was om dit waar te nemen, omdat hij volgens zijn eigen verklaring door meerdere personen werd geschopt en getrapt, waaronder door verdachte. [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat zij is geslagen nadat [benadeelde partij 2] op de grond lag en werd geschopt. Daar komt bij dat de drie spelers op dat moment identieke voetbaltenues van Legmeervogels droegen. De verklaring van [benadeelde partij 3] dat verdachte haar heeft geslagen vindt verder geen steun in andere bewijsmiddelen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de beschuldiging dat verdachte [benadeelde partij 3] heeft geslagen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 3] .
3.3.2.3.
Bewezenverklaring openlijke geweldpleging (feit 1)
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen in het dossier van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte op 28 september 2024 openlijk en in vereniging samen met twee andere personen geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Om geweld aan te merken als openlijk geweld moet sprake zijn van het openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen, in dit geval, [benadeelde partij 2] . Daarvoor moet worden bewezen dat verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Door de verdediging is betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij geen opzet had op het in vereniging plegen van geweld.
Uit de aangifte van [benadeelde partij 2] volgt dat het verdachte is geweest die hem als eerste geslagen en vervolgens geschopt heeft. Uit de verklaring van getuige [getuige] (de grensrechter) volgt dat twee jongens [benadeelde partij 2] hebben geschopt terwijl hij op de grond lag. Eén van die jongens was verdachte, aldus [getuige] . De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij 2] en [getuige] . De verklaringen zijn op essentiële onderdelen consistent met elkaar. Bovendien kent [benadeelde partij 2] verdachte en heeft hij verklaard dat verdachte hem als eerste heeft geslagen. Dat uit de verklaring van [benadeelde partij 3] zou volgen dat het verdachte niet kan zijn geweest die [benadeelde partij 2] zou hebben geschopt en geslagen, acht de rechtbank om de hierboven vermelde redenen van onvoldoende gewicht om de andere verklaringen onbetrouwbaar te achten.
Uit de verklaring van [benadeelde partij 2] volgt dat hij door de vuist in zijn gezicht en schop op zijn been pijn heeft gehad.
Uit het dossier volgt dat verdachte en de andere spelers samen welbewust op [benadeelde partij 2] zijn afgegaan. Zij zijn een discussie met [benadeelde partij 2] begonnen over hun opstelling voor de wedstrijd waarna de geweldshandelingen zijn verricht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd om te kunnen spreken van in vereniging gepleegd geweld richting [benadeelde partij 2] . Door zijn handelen, heeft verdachte blijk gegeven van zijn intentie die was gericht op het gezamenlijk plegen van geweld richting [benadeelde partij 2] . Opzet hierop volgt uit de uitvoeringshandelingen. Dit geweld vond plaats op een voor een ieder toegankelijke locatie, namelijk op het terrein van de voetbalclub RKDES in Kudelstaart, en in het bijzijn van anderen. Hiermee is het openlijk handelen gegeven.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] .