ECLI:NL:RBAMS:2025:10485

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
13/312984-24 (A) en 13/038941-25 (B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zware mishandeling en openlijk geweld tijdens uitgaan op een voetbalclub

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling en openlijk geweld. De zaak betreft twee incidenten die plaatsvonden op 28 en 29 september 2024. In het eerste incident, dat zich afspeelde voor café The River in Uithoorn, heeft de verdachte [benadeelde partij 1] met een harde klap in het gezicht geslagen, wat resulteerde in zwaar lichamelijk letsel, waaronder meerdere fracturen van de schedel en blijvend gehoorverlies. De rechtbank oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van dit letsel. In het tweede incident, op het terrein van de voetbalclub RKDES in Kudelstaart, heeft de verdachte samen met anderen openlijk geweld gepleegd tegen [benadeelde partij 2]. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan dit geweld. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 117 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 300 uren. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partijen, waaronder [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/312984-24 (A) en 13/038941-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 23 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 december 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.J. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. de Vries, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en wat mr. W. van Egmond, advocaat van [benadeelde partij 1] , en mr. I. Adeel, medewerker Slachtofferhulp Nederland namens [benadeelde partij 3] , naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
Feit 1:
Primair:het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 1] , op 29 september 2024 in Uithoorn;
Subsidiair: mishandeling van [benadeelde partij 1] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, op 29 september 2024 in Uithoorn;
Feit 2:
Primair: poging tot het opzettelijk toebrengen zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 4] , op 29 september 2024 in Uithoorn;
Subsidiair: mishandeling van [benadeelde partij 4] , op 29 september 2024 in Uithoorn.
Zaak B:
Feit 1: het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen [benadeelde partij 2] , op 28 september 2024 in Kudelstaart;
Feit 2: mishandeling van [benadeelde partij 3] , op 28 september 2024 in Kudelstaart.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in
zaak Aonder feit 1 primair ten laste gelegde (zware mishandeling van [benadeelde partij 1] ) wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A onder feit 2 primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 4] ) en te worden veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 4] .
Ten aanzien van
zaak Bheeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er wettig en overtuigend bewijs is voor beide ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van
zaak Averzocht om verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde (zware mishandeling van [benadeelde partij 1] en poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 4] ). Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte kon voorzien dat de klap in het gezicht van [benadeelde partij 1] zodanig was dat het letsel een logisch gevolg daarvan was. De onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 1] met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge kan wel worden bewezen.
Ten aanzien van
zaak Bheeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde (openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij 2] en mishandeling van [benadeelde partij 3] ). De verklaringen van de verschillende getuigen lopen zodanig uiteen dat niet eenduidig is vast te stellen of verdachte in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] . Ten aanzien van feit 2 bevat het dossier enkel de verklaringen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] , maar geen verklaringen van objectieve getuigen. Verder volgt uit de letselverklaring van [benadeelde partij 3] niet dat zij is mishandeld door verdachte en is het niet uit te sluiten dat [benadeelde partij 3] het vermeende letsel per ongeluk heeft opgelopen tijdens het ertussen springen bij het geweldsincident.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Zaak A
3.3.1.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen die in
bijlage IIzijn opgenomen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
De vechtpartij voor café The River
In de nacht van 29 september 2024 vindt er op straat voor café The River in Uithoorn een vechtpartij plaats tussen twee groepen. Verdachte loopt in eerste instantie achter de vechtende mannen aan, waarna hij ten val komt. Verdachte staat vervolgens op, loopt richting [benadeelde partij 4] , geeft hem met zijn rechtervuist een vuistslag en loopt direct weg. [benadeelde partij 1] loopt op dat moment richting de vechtende personen. Verdachte loopt in haar richting. Op het moment dat verdachte langs [benadeelde partij 1] loopt, haalt hij met zijn rechterarm uit richting het gezicht van [benadeelde partij 1] , waardoor het hoofd van [benadeelde partij 1] een zwaai naar achteren maakt en zij direct neervalt. [benadeelde partij 1] blijft bewegingloos liggen. Verdachte loopt hierna weg en draait zich enkele seconden later om en rent terug. Verdachte maakt vervolgens zes maal met zijn rechterarm een slaande beweging in de richting van het gezicht van [benadeelde partij 4] .
Letsel [benadeelde partij 1]
Uit het dossier blijkt dat [benadeelde partij 1] als gevolg van de klap op haar gezicht letsel heeft opgelopen. Uit de Letselrapportage van de Forensisch Geneeskundige van de GGD van 30 september 2024 en het Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI van 13 mei 2025 volgt dat het letsel aan het hoofd bestond uit een aantal bloeduitstortingen, een schaafwond en botbreuken van de aangezichtsschedel in en links naast de middellijn met uiteindelijk een scheefstand van de neus naar rechts. Daarvoor wordt een operatieve correctie voorgesteld. Daarnaast bestond het letsel uit een bloeduitstorting en schaafwonden op de linkeroorschelp, in combinatie met botbreuken van het slaapbeen/bot achter het linkeroor, met bijkomende ontwrichting van de gehoorbeenketen en daaraan gerelateerde gehoorvermindering, met tevens voortzetting van deze breuken in de schedelbasis tot in het slaapbeen/bot achter het rechteroor.
In het rapport van het NFI is verder vermeld dat voor het letsel aan de gehoorbeenketen een operatieve correctie is voorgesteld en uit een medische rapportage van de KNO-arts volgt dat [benadeelde partij 1] aan haar linkeroor gehoorverlies van 27 decibel heeft opgelopen. Wat het gehoorverlies door schade aan de gehoorbeenketen links en de standsafwijking van de neus betreft kon op basis van de beschikbare informatie ten tijde van het forensisch onderzoek geen uitspraak worden gedaan over de prognose, omdat de resultaten van (operatieve) vervolgbehandelingen nog niet bekend waren en er nog geen eindtoestand was bereikt.
In relatie met het hoofdletsel waren er verschijnselen van een licht traumatisch hoofdhersenletsel (LTH) zonder radiologische aanwijzingen voor bloeduitstortingen of kneuzingen in de hersenen en/of schade aan de hersenvliezen.
Uit de medische stukken die namens [benadeelde partij 1] als benadeelde partij zijn ingediend blijkt dat [benadeelde partij 1] op 2 mei 2025 aan haar linkeroor is geopereerd waarbij een ketenreconstructie is uitgevoerd.
Letsel [benadeelde partij 4]
In het dossier zitten foto’s van [benadeelde partij 4] die hij tijdens het verhoor op 29 september 2024 aan de politie heeft verstrekt. Op de foto’s is een striem op zijn rechterarm en een kras in zijn nek te zien. Verder heeft [benadeelde partij 4] verklaard pijn te voelen aan zijn kaak en was de binnenkant van zijn mond kapot.
3.3.1.2.
Vrijspraak poging zware mishandeling [benadeelde partij 4] (zaak A, feit 2 – primair)
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 4] . De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [benadeelde partij 4] op twee verschillende momenten met de vuist is geslagen door verdachte. De handelingen van verdachte, zoals die uit de camerabeelden zijn gebleken, kunnen naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm niet worden geacht gericht te zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat [benadeelde partij 4] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
3.3.1.3.
Bewezenverklaring zware mishandeling [benadeelde partij 1] (zaak A, feit 1 primair)
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde partij 1] eenmaal in haar gezicht heeft geslagen, waarna zij op de grond viel en als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte bij het slaan van [benadeelde partij 1] opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Juridisch kader voorwaardelijk opzet
Voor het aannemen van zware mishandeling dient verdachte hierop (voorwaardelijk) opzet te hebben gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat een verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Voorwaardelijk opzet
Uit het dossier volgt niet dat verdachte daadwerkelijk het doel had om [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waardoor geen sprake is van vol opzet. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] en overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij 1] in het gezicht heeft geslagen, waardoor zij op de grond is gevallen en bewegingloos is blijven liggen. Uit de camerabeelden en de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] volgt dat verdachte op [benadeelde partij 1] is afgelopen en op het moment van voorbijlopen uitgehaald heeft in de richting van het gezicht van [benadeelde partij 1] . Het hoofd van [benadeelde partij 1] maakte vervolgens een zwaai naar achteren en zij viel direct op de grond. Hieruit volgt dat de klap waarmee verdachte [benadeelde partij 1] in haar gezicht heeft geslagen een harde klap is geweest. Naar algemene ervaringsregels bestaat een aanmerkelijke kans dat bij iemand onder deze omstandigheden, door onverhoeds een harde klap tegen het hoofd, het meest kwetsbare deel van het lichaam, te geven, zwaar lichamelijk letsel ontstaat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de aard en uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, de aanmerkelijke kans dat door zijn klap zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] zou kunnen ontstaan bewust heeft aanvaard, zodat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De verklaring van verdachte dat het nooit zijn bedoeling is geweest om letsel aan [benadeelde partij 1] toe te brengen, doet daaraan niet af. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie
De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [benadeelde partij 1] en dat hij hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zware mishandeling, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd.
3.3.1.4.
Bewezenverklaring mishandeling [benadeelde partij 4] (feit 2 subsidiair)
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat verdachte [benadeelde partij 4] heeft mishandeld door met een vuist in het gezicht van [benadeelde partij 4] te slaan. De rechtbank concludeert dat de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 4] wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3.2.
Zaak B
3.3.2.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen die in
bijlage IIzijn opgenomen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Het geweldsincident bij RKDES
Op 28 september 2024 heeft een vechtpartij tussen spelers van het team Legmeervogels JO19 en hun invallend coach [benadeelde partij 2] plaatsgevonden. Aanleiding voor het incident is een woordenwisseling tussen de spelers en [benadeelde partij 2] , nadat de spelers van hem te horen kregen dat zij op de reservebank moesten zitten, omdat zij te laat waren. Na deze woordenwisseling is [benadeelde partij 2] geslagen en geschopt door meerdere personen. Op enig moment slaat een persoon de moeder van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , met een vuist in het gezicht.
3.3.2.2.
Vrijspraak mishandeling [benadeelde partij 3] (feit 2)
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte degene is geweest die [benadeelde partij 3] heeft geslagen. Zij overweegt daartoe het volgende.
[benadeelde partij 3] heeft verklaard dat degene die haar heeft geslagen zich later met de eerder ontstane ruzie tussen de twee spelers en [benadeelde partij 2] bemoeide, terwijl [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat verdachte een van de twee spelers was die aan begin van de ruzie dreigend op hem is afgekomen. Deze verklaringen komen dus niet met elkaar overeen, voor zover zij er beiden vanuit gaan dat verdachte [benadeelde partij 3] heeft geslagen. [benadeelde partij 2] heeft wel verklaard dat hij heeft gezien dat het verdachte was die zijn moeder heeft geslagen, maar het is de vraag of hij goed in staat was om dit waar te nemen, omdat hij volgens zijn eigen verklaring door meerdere personen werd geschopt en getrapt, waaronder door verdachte. [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat zij is geslagen nadat [benadeelde partij 2] op de grond lag en werd geschopt. Daar komt bij dat de drie spelers op dat moment identieke voetbaltenues van Legmeervogels droegen. De verklaring van [benadeelde partij 3] dat verdachte haar heeft geslagen vindt verder geen steun in andere bewijsmiddelen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de beschuldiging dat verdachte [benadeelde partij 3] heeft geslagen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 3] .
3.3.2.3.
Bewezenverklaring openlijke geweldpleging (feit 1)
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen in het dossier van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte op 28 september 2024 openlijk en in vereniging samen met twee andere personen geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Om geweld aan te merken als openlijk geweld moet sprake zijn van het openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen, in dit geval, [benadeelde partij 2] . Daarvoor moet worden bewezen dat verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Door de verdediging is betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij geen opzet had op het in vereniging plegen van geweld.
Uit de aangifte van [benadeelde partij 2] volgt dat het verdachte is geweest die hem als eerste geslagen en vervolgens geschopt heeft. Uit de verklaring van getuige [getuige] (de grensrechter) volgt dat twee jongens [benadeelde partij 2] hebben geschopt terwijl hij op de grond lag. Eén van die jongens was verdachte, aldus [getuige] . De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij 2] en [getuige] . De verklaringen zijn op essentiële onderdelen consistent met elkaar. Bovendien kent [benadeelde partij 2] verdachte en heeft hij verklaard dat verdachte hem als eerste heeft geslagen. Dat uit de verklaring van [benadeelde partij 3] zou volgen dat het verdachte niet kan zijn geweest die [benadeelde partij 2] zou hebben geschopt en geslagen, acht de rechtbank om de hierboven vermelde redenen van onvoldoende gewicht om de andere verklaringen onbetrouwbaar te achten.
Uit de verklaring van [benadeelde partij 2] volgt dat hij door de vuist in zijn gezicht en schop op zijn been pijn heeft gehad.
Uit het dossier volgt dat verdachte en de andere spelers samen welbewust op [benadeelde partij 2] zijn afgegaan. Zij zijn een discussie met [benadeelde partij 2] begonnen over hun opstelling voor de wedstrijd waarna de geweldshandelingen zijn verricht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd om te kunnen spreken van in vereniging gepleegd geweld richting [benadeelde partij 2] . Door zijn handelen, heeft verdachte blijk gegeven van zijn intentie die was gericht op het gezamenlijk plegen van geweld richting [benadeelde partij 2] . Opzet hierop volgt uit de uitvoeringshandelingen. Dit geweld vond plaats op een voor een ieder toegankelijke locatie, namelijk op het terrein van de voetbalclub RKDES in Kudelstaart, en in het bijzijn van anderen. Hiermee is het openlijk handelen gegeven.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] .

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A:

1. primair

op 29 september 2024 te Uithoorn aan [benadeelde partij 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere fracturen van de schedel en het aangezicht, heeft toegebracht door met kracht met zijn arm en/of hand in het gezicht van die [benadeelde partij 1] te slaan;
2.
subsidiair
op 29 september 2024 te Uithoorn [benadeelde partij 4] heeft mishandeld door met een vuist in het gezicht van die [benadeelde partij 4] te slaan;
Zaak B
1.
op 28 september 2024 te Kudelstaart, openlijk, te weten, op het terrein van voetbalclub RKDES aan de [adres] in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] , welk geweld bestond uit het
- eenmaal met kracht slaan in het gezicht en tegen het lichaam van die [benadeelde partij 2] en
- meermalen met kracht schoppen tegen het bovenbeen en de nek en het lichaam van die [benadeelde partij 2] .

5.Strafbaarheid van de feiten en van verdachte

5.1.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de in zaak A onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 4] bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorafgaand aan het incident was verdachte in café The River in elkaar geslagen door jongens die onderdeel uitmaakten van de vechtende menigte op straat. Verdachte vreesde voor zijn leven toen hij buiten door [benadeelde partij 4] tegen de grond werd geslagen. Hij werd overmand door emoties en voelde de noodzaak zich te verdedigen.
5.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsvrouw moet worden verworpen, omdat geen sprake was van een noodweersituatie.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is allereerst een noodweersituatie vereist. Hiervoor dient sprake te zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de verdachte zich moest verdedigen.
Dat sprake was van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Bij de beoordeling van het bewijs heeft de rechtbank immers vastgesteld dat verdachte tijdens de vechtpartij als eerste naar [benadeelde partij 4] uithaalt. Dat [benadeelde partij 4] verdachte daarvoor eerst heeft geslagen volgt niet uit het dossier. Dat verdachte tijdens een eerder geweldsincident die nacht in elkaar was geslagen, bang was weer geslagen te worden en daarom naar [benadeelde partij 4] heeft uitgehaald, levert geen noodweersituatie op, omdat verdachte zich op dat moment niet hoefde te verdedigen tegen [benadeelde partij 4] . Omdat de rechtbank niet aannemelijk acht dat zich een noodweersituatie heeft voorgedaan, wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen.
Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de straffen

6.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en agressieregulatie training.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat hij na de tenlastegelegde feiten ook niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie. Daarnaast heeft verdachte veel spijt van wat er is gebeurd. Verdachte heeft zich door emoties laten leiden nadat hij eerder die nacht was mishandeld, het café waar hij was mishandeld was uitgezet en de politie niks voor hem deed. Daarnaast was verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten pas achttien jaar oud en te jong om de gevolgen van zijn daden goed te overzien. Tot slot heeft verdachte aan de mishandeling in het café aan litteken boven zijn wenkbrauw overgehouden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met twee anderen op het terrein van een voetbalclub schuldig gemaakt aan het openlijk plegen van geweld tegen de invallend coach van zijn voetbalteam. Voor de rechtbank is het handelen van verdachte een triest voorbeeld van zinloos geweld, ontstaan omdat verdachte en de medeverdachten boos waren dat zij op de reservebank moesten beginnen. Het is zorgelijk dat dit heeft geresulteerd in geweld, terwijl jong en oud aanwezig waren voor een sportieve middag. Maar daar bleef het niet bij. Verdachte heeft zich twaalf uur na het incident bij de voetbalclub schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een jonge vrouw die met haar vriend en een vriendin op stap was geweest. Verdachte heeft haar met een harde klap in het gezicht geslagen waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen, te weten, meerdere breuken in het gezicht, scheefstand van de neus en blijvend (licht) gehoorverlies aan een oor. Dat de gevolgen heftig voor haar zijn geweest en nog steeds zijn, heeft zij verwoord in de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Verdachte heeft daarnaast ook haar vriend mishandeld.
Door zijn handelen heeft verdachte bovendien bijgedragen aan het plegen van geweld op een door uitgaanspubliek bezocht plein in het centrum van Uithoorn. Het gevoel van onveiligheid wordt door dit soort incidenten in sterke mate negatief beïnvloed. Dit gedrag van verdachte is dan ook niet acceptabel.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 16 september 2025. Hieruit blijkt dat een risico verhogende factor voor het plegen van geweldsfeiten de manier is waarop verdachte omgaat met problemen en stressoren in dergelijke situaties. Positief is volgens de reclassering dat verdachte serieus bezig is met zijn studie, hij werkt en daarnaast actief sport. Hij komt over als zelfredzaam, beschikt over een steunend familienetwerk en er zijn, voor zover bekend, geen aanwijzingen voor psychische of psychiatrische klachten. Verder heeft het NIFP in oktober 2024 geconcludeerd dat er geen indicaties zijn voor een Pro Justitia onderzoek bij verdachte. De reclassering concludeert dat reclasseringstoezicht niet nodig is.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert dat voor een gevangenisstraf contra-indicaties zijn, omdat verdachte studeert en werkt.
Toepassing van het volwassenstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 18 jaar oud en dus meerderjarig.
Bij de veroordeling van een jongvolwassene tot 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, indien omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan, daartoe aanleiding geven.
Uit het voornoemde reclasseringsrapport blijkt dat ten aanzien van zijn handelingsvaardigheden verdachte een leeftijdsadequate indruk maakt. Er is geen vermoeden van een licht verstandelijke beperking of beperkte handelingsvaardigheden. De reclassering adviseert daarom om het volwassenstrafrecht toe te passen. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben ter terechtzitting ook niet naar voren gebracht dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De rechtbank ziet op grond van het bovenstaande geen reden om het jeugdstrafrecht toe te passen en zal dan ook het volwassenstrafrecht toepassen.
Strafoplegging
De aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf ook gekeken naar deze oriëntatiepunten. Het uitgangspunt voor zware mishandeling zonder gebruik te maken van een wapen is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Voor openlijke geweldpleging zonder lichamelijk letsel geldt als oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uren.
De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van de verdachte, het feit dat hij studeert, naast zijn studie een aantal uren per week werkt en zelf eerder die nacht slachtoffer is geworden van een geweldsincident in café The River. De rechtbank acht het van belang dat verdachte zijn studie kan voortzetten en zijn werk kan behouden. Het opleggen van een (relatief) kortdurende onvoorwaardelijke gevangenisstraf doorkruist dit. Om deze redenen ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten en verdachte geen langere gevangenisstraf op te leggen dan hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en verdachte de ernst van zijn handelen te laten inzien, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf en een zeer forse taakstraf van na te noemen duur aangewezen. De rechtbank vindt een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijk gedrag te vertonen. De rechtbank legt een na te melden taakstraf op die het in artikel 22c, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht genoemde maximum van 240 uren overschrijdt, omdat er sprake is van meerdaadse samenloop van de bewezenverklaarde feiten. Het in dat artikel genoemde maximum van 240 uur geldt per bewezen verklaard feit en niet voor de strafoplegging als geheel.
Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 117 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 300 uren. Omdat de reclassering geen voorwaarden heeft geadviseerd, zal de rechtbank die niet opleggen.

7.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert betaling van € 6.657,17 aan vergoeding voor materiële schade en € 32.500,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
  • eigen risico 2025 € 385,-
  • kosten fysiotherapie € 45,60
  • reis- en parkeerkosten € 226,57
  • medische kosten neuscorrectie € 6.000,-
Namens de benadeelde partij is de gestelde immateriële schade als gevolg van lichamelijk letsel schriftelijk onderbouwd met medische gegevens. De raadsvrouw heeft toegelicht dat zij kampt met concentratieproblemen en structurele vermoeidheid, die haar functioneren in het dagelijks leven langdurig belemmeren. De gevolgen zijn verstrekkend: waar zij voorheen als jonge vrouw actief deelnam aan het sociale leven, voelt zij zich nu grotendeels aan huis gekluisterd door een diepgeworteld gevoel van onveiligheid en de fysieke beperkingen die zij heeft overgehouden. Ondanks haar wens om haar leven te hervatten en het trauma te verwerken, wordt zij dagelijks geconfronteerd met de fysieke en psychische nasleep van het geweld. Zij heeft door het incident ernstig en blijvend psychisch en emotioneel leed ondervonden, met gevolgen voor haar dagelijks functioneren, haar sociale leven en haar toekomstperspectief. Dit alles rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade van € 32.500,-, die recht doet aan de aard en ernst van het haar aangedane leed. Bij de begroting van het bedrag is aansluiting gezocht bij de in de Rotterdamse schaal 2025 genoemde categorieën: licht tot middelzwaar hersenletsel zonder blijvende neurologische schade, fracturen van het aangezicht of de kaak en blijvend gehoorverlies aan één oor.
7.1.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De vordering is duidelijk en voldoende onderbouwd.
7.1.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de materiële schade verzocht om het gedeelte dat betrekking heeft op de neuscorrectie niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Op dit moment is onduidelijk of de kosten ooit gemaakt zullen worden en, indien de benadeelde partij de operatie zal ondergaan, wat de kosten voor deze operatie dan daadwerkelijk zijn. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen. De rechtbank wordt verzocht de Rotterdamse schaal 2025 als uitgangspunt te nemen waarin bij licht gehoorverlies een schadevergoeding tot € 5.000,- wordt voorgesteld.
7.1.3.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan [benadeelde partij 1] door de zware mishandeling rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde materiële schade, voor zover deze betrekking heeft op de kosten van het eigen risico in 2025, reis- en parkeerkosten en kosten van een behandeling door de fysiotherapeut, is voldoende met stukken onderbouwd en kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van in totaal € 657,17.
De rechtbank acht de gevorderde medische kosten voor de neuscorrectie onvoldoende onderbouwd, omdat niet duidelijk is of de kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden en wat de exacte kosten zullen zijn. De rechtbank zal [benadeelde partij 1] in dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Zij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De materiële schade is gelet op het voorgaande toewijsbaar tot een totaalbedrag van € 657,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de terechtzitting (9 december 2025), omdat de kosten op verschillende data na de zware mishandeling zijn gemaakt en uit het dossier niet blijkt wanneer de vordering is ingediend.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [benadeelde partij 1] als gevolg van de zware mishandeling eveneens rechtstreeks immateriële schade geleden. Dit geeft haar reeds daarom op de voet van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Hiervoor is bij het vaststellen van de feiten uiteengezet waaruit het letsel bestond dat [benadeelde partij 1] aan de zware mishandeling heeft overgehouden. Uit de vordering en overlegde medische gegevens blijkt dat [benadeelde partij 1] op
2 mei 2025 aan haar linkeroor is geopereerd in verband met gehoorverlies en dat in augustus 2025 sprake was van een fraaie genezing van het oor na de ingreep. Uit de medische gegevens blijkt niet of wat betreft het gehoorverlies een eindtoestand is bereikt. Uit het dossier komt wel naar voren, en dat is op de zitting ook bevestigd door [benadeelde partij 1] , dat zij op dit moment gehoorverlies aan het linkeroor van 20 decibel heeft en dat zij in de toekomst gehoorondersteuning nodig zal hebben. De rechtbank acht een vergoeding van een geldbedrag van € 5.000,- voor het licht gehoorverlies (van 20 decibel) aan het linkeroor billijk.
Verder blijkt uit de vordering dat de gevolgen van de bewezen geachte zware mishandeling groot zijn voor haar dagelijks functioneren, haar sociale leven en haar toekomstperspectief.
Gezien de onderliggende onderbouwing van de vordering en de medische gegevens gaat de rechtbank uit van middelzwaar tot licht hersenletsel zonder blijvende neurologische schade. Voor deze schade acht de rechtbank, rekening houdend met de geldbedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegerekend en de uitgangspunten van de Rotterdamse Schaal 2025, een vergoeding van € 2.000,- billijk.
Voor de fracturen in het gezicht en de gebroken neus acht de rechtbank een geldbedrag van
€ 3.500,- billijk. De rechtbank merkt hierbij op dat dit geldbedrag is gebaseerd op
cosmetische schadeop basis van de beschikbare informatie over de scheefstand van de neus. De rechtbank heeft bij het toewijzen van dit bedrag geen rekening gehouden met mogelijk (toekomstige) medische schade (bijvoorbeeld moeilijker ademen) aan de neus als gevolg van het letsel in het aangezicht. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Gelet op al het letsel dat [benadeelde partij 1] heeft opgelopen en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke gevallen worden toegekend, acht de rechtbank een schadevergoeding van in totaal € 10.500,- billijk. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding voor immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 10.500,- en [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering tot betaling van materiële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 657,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2025 en van immateriële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 10.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (28 september 2024).
Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
7.2.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij vordert betaling van € 1.489,30 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
.De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten: een zonnebril van Cartier ter waarde van € 1.350,- en Apple Airpods ter waarde van € 139,30. Met de vordering zijn ter onderbouwing twee aankoopbonnen overgelegd.
7.2.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en dat de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard.
7.2.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank, gelet op het verzoek verdachte vrij te spreken van de openlijke geweldpleging, primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk en subsidiair de vordering af te wijzen. Op geen enkele wijze onderbouwd waarom deze kosten worden gevorderd en moeten worden vergoed.
7.2.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van de Airpods en zonnebril onvoldoende is onderbouwd. Weliswaar heeft de benadeelde partij aankoopbonnen overgelegd van Airpods en een zonnebril van Cartier, maar uit de toelichting op de vordering volgt niet hoe de gestelde schadeposten in causaal verband staan met het bewezen geachte openlijk geweld. Nergens uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij ten tijde van het geweldsincident Airpods en een zonnebril bij zich had die tijdens de vechtpartij beschadigd zouden zijn. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
7.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij vordert betaling van € 619,07 aan vergoeding van materiële schade en € 650,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
.De medewerker van Slachtofferhulp heeft op de zitting namens de benadeelde partij de vordering toegelicht en de rechtbank verzocht om bij een vrijspraak de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
7.3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevraagd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
7.3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank, gelet op het verzoek om verdachte vrij te spreken van de mishandeling, verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
7.3.3.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte wordt vrijgesproken van de in zaak B onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling van de benadeelde partij waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De rechtbank verklaart daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing
Verklaart het in zaak A onder 2 primair en zaak B onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 primair, zaak A onder 2 subsidiair en zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A, feit 1 primair:
zware mishandeling;
Ten aanzien van zaak A, feit 2 subsidiair:
mishandeling;
Ten aanzien van zaak B, feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
120(
honderdtwintig)
dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
117 (honderdzeventien) dagen, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 300 (driehonderd) uren.
Beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
150 (honderdvijftig) dagen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van
€ 657,17(
zeshonderdzevenenvijftig euro en zeventien eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 december 2025 en
€ 10.500,-(
tienduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat
€ 11.157,17 (elfduizend honderdzevenenvijftig euro en zeventien eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 657,17 vanaf 9 december 2025 en over € 10.500,- vanaf 28 september 2024, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
90 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smayel, voorzitter,
mrs. M. Nieuwenhuijs en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2025.