Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10507

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
25 / 3639
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.6 Parkeerverordening Amsterdam 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens overschrijding redelijke aanmeldtijd

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde op 24 april 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser omdat diens auto op 18 april 2025 zonder betaling geparkeerd stond. Eiser maakte bezwaar, dat op 3 juni 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank Amsterdam.

Tijdens de zitting op 17 november 2025 was de gemachtigde van de heffingsambtenaar aanwezig, eiser verscheen niet. Eiser stelde dat hij tijdens de controle nog in de auto zat en bezig was de parkeerapp te activeren, wat pas zes minuten na de naheffingsaanslag lukte. Hij voerde aan dat dit binnen een redelijke aanmeldtijd viel en dat hij geen opzet had om niet te betalen.

De rechtbank oordeelde dat volgens de Parkeerverordening Amsterdam 2025 een redelijke termijn om te betalen doorgaans niet langer dan tien minuten is en dat de handelingen direct na het parkeren moeten worden gestart en zonder onderbreking worden voortgezet. Uit het parkeersysteem bleek dat het kenteken pas om 10:51 uur was aangemeld, ruim een uur na de controle om 09:44 uur. Dit werd bevestigd door het betaalbewijs van eiser.

De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en dat het feit dat eiser de intentie had te betalen niet relevant is voor de objectieve belastingplicht. Er waren geen bijzondere omstandigheden die overmacht aannemelijk maakten. Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd en werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn voor betaling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3639

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Met een besluit van 24 april 2025 heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. Met een uitspraak op bezwaar van 3 juni 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

5. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag aan eiser opgelegd, omdat een parkeercontroleur heeft vastgesteld dat de auto van eiser op 18 april 2025 om 09:44 uur ter hoogte van [adres] te [plaats] stond geparkeerd zonder dat parkeerbelasting was voldaan.
6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. Eiser vindt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte is opgelegd. Hij stelt dat hij tijdens de controle nog in de auto zat en bezig was om de parkeerapp te activeren. Het lukte hem pas zes minuten na het opleggen van de naheffingsaanslag om de app te starten. Volgens eiser valt dit nog binnen een redelijke aanmeldtijd. Eiser benadrukt dat hij geen belasting wilde ontwijken en niet opzettelijk onbetaald heeft geparkeerd
9. Volgens artikel 1.6, tweede lid, van de Parkeerverordening Amsterdam 2025 van de gemeente Amsterdam is parkeerbelasting verschuldigd vanaf het moment dat het parkeren begint. Een parkeerder moet, afhankelijk van de omstandigheden, een redelijke termijn krijgen om de handelingen uit te voeren die nodig zijn om te betalen. Die handelingen moeten wel direct na het parkeren worden gestart en zonder onderbreking worden voortgezet. Hoe lang die redelijke termijn is, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen is deze termijn echter niet langer dan tien minuten. [1]
10. De heffingsambtenaar stelt dat uit het parkeersysteem blijkt dat het kenteken van de auto van eiser pas om 10.51 uur is aangemeld, terwijl de controle om 09.44 uur plaatsvond. Het verschil tussen de constatering en de aanmelding is dus één uur en zeven minuten. De rechtbank stelt vast dat dit ook blijkt uit het betaalbewijs dat eiser heeft overgelegd. Daarmee is de redelijke termijn overschreden.
11. Het standpunt van eiser dat hij de intentie had om parkeerbelasting te betalen en dat zijn kenteken op de dag van de naheffingsaanslag anderhalf uur lang was aangemeld, verandert het oordeel van de rechtbank niet. Parkeerbelasting is een zogenoemde objectieve belasting en geen boete. Dit betekent dat het niet van belang is dat eiser wel de intentie had om te betalen. Het enkele feit dat hij op het moment van de controle niet had betaald, is voldoende om een naheffingsaanslag op te leggen. [2] Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd om overmacht aan te nemen. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
is verhinderd deze uitspraakte ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.
2.Zie de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1838.