Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10509

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
25/3911
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onjuiste dagkaartbetaling

Eiser parkeerde op 13 april 2025 om 11:21 uur op een plek waar parkeerbelasting verschuldigd was en betaalde om 11:27 uur met een dagkaart die volgens de heffingsambtenaar pas vanaf 12:00 uur geldig was. Eiser voerde aan dat hij niet wist dat de dagkaart niet de hele dag gold en dat het betaalsysteem onduidelijk was.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet zonder meer mocht aannemen dat een dagkaart de hele dag geldig is, mede omdat 13 april 2025 een zondag was en er afwijkende parkeerregelingen kunnen gelden. Eiser heeft onvoldoende concreet bewijs geleverd dat de dagkaart ook voor 12:00 uur geldig was of dat dit duidelijk was aangegeven.

De rechtbank stelt dat het op de weg van eiser lag om te controleren of de dagkaart de gehele parkeertijd dekte. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Ook is geen sprake van schending van de motiveringsplicht door de heffingsambtenaar.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt het griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door rechter K.M.A. van der Heijden op 23 december 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3911

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] (België), eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Met een besluit van 13 april 2025 heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. Met een uitspraak op bezwaar van 19 juni 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen via een videoverbinding, de heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

5. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag aan eiser opgelegd, omdat een parkeercontroleur heeft vastgesteld dat de auto van eiser op 13 april 2025 om 11:21 uur ter hoogte van de [adres] te [plaats] stond geparkeerd zonder dat parkeerbelasting was voldaan.
6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. Eiser stelt dat hij om 11:21 uur heeft geparkeerd en om 11:27 uur heeft betaald. Hij onderbouwt dit met een betaalafschrift. De heffingsambtenaar legt pas in het verweerschrift uit dat eiser een naheffingsaanslag heeft gekregen, omdat eiser een dagkaart heeft gekocht die pas vanaf 12:00 uur geldig was. Volgens eiser is deze uitleg te laat. Eiser heeft niet gezien en niet begrepen dat de dagkaart niet voor de hele dag gold. Eiser vindt dat het betaalsysteem onduidelijk en onnodig ingewikkeld is. Hij heeft te goeder trouw geprobeerd de betaling snel en correct af te handelen. Volgens eiser moet de fout die hierdoor is ontstaan voor rekening van de heffingsambtenaar komen.
9. Niet in geschil is dat eiser heeft geparkeerd op een plek waar parkeerbelasting verschuldigd is. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeren terecht heeft opgelegd, ondanks dat eiser een dagkaart heeft gekocht.
10. Eiser heeft de rechtbank de gang van zaken ten tijde van het parkeren duidelijk gemaakt. Ook heeft hij duidelijk gemaakt dat hij geen enkele reden had om ervan uit te gaan dat hij niet voor 12:00 uur had betaald. Maar de rechtbank ziet geen grond om te twijfelen aan de stelling van de heffingsambtenaar dat de dagkaart op 13 april 2025 niet voor 12:00 uur geldig was. Voor zover eiser het tegendeel beweert, is dit niet concreet onderbouwd. Eiser heeft niet gesteld dat op het scherm van de parkeerautomaat of de dagkaart uitdrukkelijk was vermeld dat de kaart ook voor 12:00 uur geldig was. Eiser had verder niet zonder meer kunnen aannemen dat een dagkaart per definitie de hele dag geldt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat 13 april 2025 een zondag was en voor parkeren op zondagen een afwijkende regeling voor parkeren kan gelden. De rechtbank begrijpt dat eiser daarbij niet heeft stilgestaan. Maar het lag op de weg van eiser om bij de betaling te controleren of de dagkaart de gehele parkeertijd dekte en om ervoor te zorgen dat hij de juiste parkeerbelasting voldeed. Voor zover hij stelt dat deze informatie niet kenbaar was, is met die enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval was.
11. Nu voor eiser redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn dat hij de parkeerbelasting verschuldigd was en betaling daarvan ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag niet had plaatsgevonden, heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.
12. Tot slot stelt eiser dat de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van de motiveringsplicht. De reactie van de heffingsambtenaar is weliswaar summier, maar in de uitspraak op bezwaar is ingegaan op alle gronden die eiser in bezwaar heeft aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
is verhinderd deze uitspraakte ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.