Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen twee partijen, aangeduid als [eisers] en [gedaagde]. [Eisers] vorderde betaling van een boete van 10% van de koopprijs van een woning, omdat [gedaagde] haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet was nagekomen. De koopovereenkomst, die op 8 oktober 2025 was gesloten, stipuleerde dat de woning in de eerste week van december 2025 aan [gedaagde] zou worden opgeleverd, maar [gedaagde] had de waarborgsom niet gestort en reageerde niet op verzoeken van [eisers] om alsnog tot betaling over te gaan. Na een ingebrekestelling op 24 oktober 2025, waarin [eisers] melding maakte van de boete, heeft [gedaagde] per e-mail laten weten niet te zullen nakomen. Hierop heeft [eisers] de koopovereenkomst ontbonden en aanspraak gemaakt op de boete van € 725.000,00.
Tijdens de mondelinge behandeling op 16 december 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. [Eisers] stelde dat de Algemene Bepalingen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie van toepassing waren, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat de verwijzingen naar deze bepalingen in de koopovereenkomst onvoldoende concreet waren om de boete te rechtvaardigen. Bovendien was niet aangetoond dat [gedaagde] zich bewust was van het boetebeding. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen spoedeisend belang was voor de gevorderde betaling van de boete, vooral omdat [eisers] had aangegeven dat de woning inmiddels was verkocht voor een lager bedrag dan de oorspronkelijke koopprijs.
Uiteindelijk heeft de rechtbank de vorderingen van [eisers] afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde]. De totale proceskosten werden begroot op € 1.375,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving.