ECLI:NL:RBAMS:2025:10563

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
13-225860-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging ex-partner en veroordeling voor wapenbezit en drugshandel

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder bedreiging van zijn ex-partner, wapenbezit en drugshandel. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de bedreiging van zijn ex-partner, omdat er onvoldoende bewijs was om deze beschuldiging te ondersteunen. De bedreiging zou hebben plaatsgevonden op 29 juni 2025, maar de rechtbank oordeelde dat het bewijs, waaronder een foto van een vuurwapen, niet voldoende was om de verdachte te veroordelen.

De rechtbank heeft echter wel bewezen geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, evenals voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs en het bezit van methamfetamine. De feiten vonden plaats op 19 augustus 2025, toen de politie de woning van de verdachte doorzocht en een geladen vuurwapen, munitie en chemicaliën aantrof die gebruikt kunnen worden voor de productie van drugs. De verdachte ontkende wetenschap te hebben van de aangetroffen goederen, maar de rechtbank oordeelde dat het DNA van de verdachte op verschillende voorwerpen was aangetroffen, wat zijn beschikkingsmacht over de kelderbox en de inhoud ervan bevestigde.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft ook de in beslag genomen voorwerpen, waaronder het vuurwapen en de drugs, verbeurd verklaard. De benadeelde partij, die schadevergoeding had gevorderd, werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, omdat de verdachte was vrijgesproken van de bedreiging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/225860-25
Parketnummer vordering tul: 10/307510-21
Datum uitspraak: 5 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in: [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.E.D. de Koning, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. het voorhanden hebben van een vuurwapen, te weten een (getransformeerd) pistool, op 19 augustus 2025 in Amsterdam;
2. het voorhanden hebben van munitie, te weten (minimaal) 4 volmantel rondneuspatronen, op 19 augustus 2025 in Amsterdam;
3. bedreiging van [benadeelde partij] op 29 juni 2025 in Amsterdam;
4. het plegen van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10 van de Opiumwet op 19 augustus 2025 in Amsterdam;
5. het (mede)plegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 45,08 gram methamfetamine op 19 augustus 2025 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1, 2, 4 en 5 omdat hij over al de met deze feiten verband houdende en in de kelderbox aangetroffen spullen (het vuurwapen, de munitie, de chemicaliën en de drugs) geen wetenschap en/of beschikkingsmacht heeft gehad. Ten aanzien van de methamfetamine geldt bovendien dat de drugs slechts indicatief zijn getest, zodat ook om die reden vrijspraak voor dit feit dient te volgen. Bovendien verbleef verdachte ten tijde van de vondst van de drugs al in detentie en hadden anderen ook toegang tot de kelderbox. Ook van de bedreiging van [benadeelde partij] (feit 3) moet verdachte worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Uit het dossier blijkt dat de politie op 19 augustus 2025 naar [adres] in Amsterdam is gegaan, omdat de ex-partner van de melder ( [benadeelde partij] ) voor de deur zou staan en bij buren zou aanbellen. Voor de deur heeft de politie met [benadeelde partij] gesproken, die aangaf op 30 juni 2025 door verdachte te zijn bedreigd met een vuurwapen (feit 3). Dit zou hetzelfde vuurwapen zijn dat zij op 11 augustus 2025 op een kastje bij de deur in de woning van verdachte had zien liggen en waarvan zij toen een foto heeft gemaakt. Deze foto heeft [benadeelde partij] getoond aan de politie. Toen de politie aanbelde bij verdachte en hij de deur open deed, zagen zij dat de foto van het vuurwapen op deze locatie moest zijn genomen. Hierop is de woning van verdachte doorzocht, waarbij zijn sleutelbos is aangetroffen met daaraan de sleutel van [kelderbox] . Deze kelderbox is doorzocht en daar is een geladen vuurwapen (feit 1) aangetroffen met daarin munitie (feit 2). Ook lagen er flessen en jerrycans met daarin chemicaliën, waaronder dichloormethaan, methylamine en methanol (feit 4). Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de kelderbox van de buurvrouw is en niet van hem. Toen de politie op 1 oktober 2025 naar aanleiding van deze verklaring terugging naar de kelderbox voor een buurtonderzoek, hebben ze patronen zien liggen op de deurpost. De kelderbox is vervolgens opnieuw doorzocht en daarbij is methamfetamine aangetroffen (feit 5).
Uit onderzoek naar het wapen en de munitie is gebleken dat deze echt zijn. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat de aangetroffen stoffen in de jerrycans en flessen daadwerkelijk dichloormethaan, methylamine en methanol bevatten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO) blijkt dat deze chemicaliën kunnen worden gebruikt bij de vervaardiging en/of de bewerking van (synthetische) drugs. Verder zijn ook de aangetroffen drugs definitief getest en uit een proces-verbaal van bevindingen van de politie blijkt dat het om 33,34 gram methamfetamine gaat.
Verdachte heeft de bedreiging van [benadeelde partij] (feit 3) ontkend en ten aanzien van de goederen die in [kelderbox] zijn aangetroffen verklaard dat hij daar geen wetenschap en/of beschikkingsmacht over heeft gehad. Op de zitting heeft hij verklaard dat meerdere mensen de sleutel van [kelderbox] hadden, omdat de buurvrouw verslaafd is. Hij bewaarde de sleutel voor haar, zodat zij die bij hem kon ophalen als zij haar sleutel kwijt was.
De rechtbank zal allereerst beoordelen of er voldoende bewijs is voor de bedreiging van [benadeelde partij] (feit 3). Vervolgens zal zij beoordelen of verdachte wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over [kelderbox] en de inhoud daarvan (feiten 1, 2, 4 en 5) om zodoende te bepalen of hij als (mede)pleger van de ten laste gelegde feiten kan worden aangemerkt.
3.3.2.
Vrijspraak bedreiging [benadeelde partij] (feit 3)
[benadeelde partij] heeft aangifte gedaan van een bedreiging door verdachte met een vuurwapen op 29 juni 2025. [benadeelde partij] heeft daarbij een foto laten zien van een vuurwapen op een kastje in de woning van verdachte, welke foto in augustus 2025 door haar zou zijn gemaakt. Daarnaast is bij de doorzoeking van de kelderbox een vuurwapen aangetroffen. De mogelijke beschikkingsmacht van verdachte over een vuurwapen biedt echter op zichzelf onvoldoende ondersteuning voor de ten laste gelegde bedreiging die twee maanden daarvoor zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de bedreiging vanwege het ontbreken van voldoende steunbewijs.
3.3.3.
Voorhanden hebben getransformeerd pistool (feit 1) en munitie (feit 2), voorbereidingshandelingen (feit 4) en aanwezig hebben van methamfetamine (feit 5)
Uit het dossier volgt dat verdachte de sleutel van de kelderbox van de buurvrouw aan zijn sleutelbos had hangen. De buurvrouw heeft verklaard dat zij de sleutel van de box jaren geleden heeft overhandigd aan haar buurvrouw van nummer [nummer] – de moeder van verdachte - en dat zij zelf geen toegang meer tot de box heeft. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte, zoals hij stelt, de sleutel van de kelderbox van zijn buurvrouw aan zijn eigen sleutelhanger heeft gehangen enkel en alleen voor het geval dat zij haar sleutel kwijtraakt. Daar komt bij dat in de box diverse spullen zijn aangetroffen waarop het DNA van verdachte zat. Uit DNA-onderzoek op het vuurwapen blijkt namelijk dat er op de ruwe delen van het aangetroffen vuurwapen DNA is aangetroffen dat mogelijk afkomstig is van verdachte, met een waarschijnlijkheidskans van meer dan één miljard. Op de handvaten en doppen van de aangetroffen jerrycans en flessen is eveneens een DNA-match met verdachte gevonden, met een frequentie van voorkomen die kleiner is dan één op één miljard. De verklaring van verdachte, dat hij de jerrycans en flessen in de gang zou hebben verplaatst, biedt geen verklaring voor het feit dat zijn DNA juist ook op de doppen is aangetroffen. Alles afwegende acht de rechtbank de verklaring van verdachte onwaarschijnlijk en volgt uit de aangetroffen sporen dat verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over [kelderbox] en de daarin aangetroffen goederen: het vuurwapen, de munitie, de chemicaliën en de drugs.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van het vuurwapen (feit 1) en de daarin aangetroffen munitie (feit 2). Ook acht zij bewezen dat verdachte handelingen heeft verricht ter voorbereiding van de verwerking en/of bewerking van harddrugs (feit 4).
Met betrekking tot de methamfetamine (feit 5) die pas later, na zijn aanhouding, is aangetroffen merkt de rechtbank nog het volgende op. Verdachte heeft zijn bewering dat ook anderen toegang hadden tot de kelderbox omdat zijn buurvrouw drugsverslaafde is, op geen enkele wijze nader toegelicht of onderbouwd. Ook volgt dit niet uit de verklaring van de buurvrouw. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte als enige de sleutel van de kelderbox in zijn bezit had en dat de drugs dus al ten tijde van zijn aanhouding op 19 augustus 2025 in de kelderbox lagen en hij er op dat moment de beschikkingsmacht over had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte 33,34 gram methamfetamine voorhanden heeft gehad. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken van een gezamenlijke uitvoering van de voorbereidingshandelingen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het medeplegen hiervan.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in
bijlage IIbewezen dat verdachte
Feit 1
op 19 augustus 2025 te Amsterdam,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een getransformeerd pistool, van het merk Zoraki, type M906, kaliber 7,65
mm
zijnde een vuurwapen in de vorm van een \ pistool
voorhanden heeft gehad
Feit 2
op 19 augustus 2025 te Amsterdam,
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
4 volmantel rondneuspatronen van het kaliber 7,65 mm
voorhanden heeft gehad;
Feit 4
op 19 augustus 2025 te Amsterdam,
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken,
vervoeren en/of vervaardigen van (een) middel(len)
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens
het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
- stoffen
voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd
waren tot het plegen van dat feit, door het opzettelijk:
- opslaan en/of voorhanden hebben in een opslagbox/ nabij [adres] van een grote hoeveelheid dichloormethaan en methylamine en methanol zijnde versnijdingsmiddellen geschikt voor de bereiding en/of bewerking en/of verwerking van (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 5
op 19 augustus 2025 te Amsterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
33,34 gram methamfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet;
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 tot en met 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk deel wenst de officier van justitie de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. Indien de rechtbank dit nodig acht, kan zij deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen conform de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met daaraan gekoppeld een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Verdachte is bereid en in staat om daarnaast een taakstraf uit te voeren.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Bij het opleggen van een vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd pistool met bijbehorende munitie. Vuurwapens vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid. Het ongecontroleerde bezit ervan leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het bezit van 33,34 gram methamfetamine en voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs. Handel in harddrugs gaat gepaard met gezondheidsrisico’s en andere vormen van overlastgevende criminaliteit. Verder wijst de rechtbank op de vele risico’s die gepaard gaan met het opslaan en bewerken van diverse chemicaliën, zoals brand, ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige en bijtende dampen, die ook levensgevaarlijk zijn voor mensen die zich in de omgeving bevinden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich hier niet over heeft bekommerd.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 oktober 2025. Hieruit blijkt dat hij langer dan vijf jaar geleden is veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Hij is nog niet eerder veroordeeld voor het bezit van wapens of munitie. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 28 oktober 2025. De reclassering adviseert daar bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht bij reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met [benadeelde partij] , een locatieverbod (zonder elektronische monitoring), dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Deze bijzondere voorwaarden adviseert de reclassering in het kader van de verdenking van de bedreiging van [benadeelde partij] .
Straf
Aangezien de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie, komt zij tot een lagere straf. Daarbij zijn straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd als uitgangspunt genomen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden. De rechtbank ziet geen meerwaarde in een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd, omdat die voorwaarden zijn opgesteld ten aanzien van feit 3, waarvan de rechtbank verdachte zal vrijspreken.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 1 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2025206854-G6698925, Fiocchi 7,65mm);
- 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2025206854-G6698913, Zoraki M906);
- 1 STK Gereedschap (Omschrijving: PL1300-2025206854-G6699055, Weegapparatuur);
- 15 STK Chemicaliën (Omschrijving: PL1300-2025206854-G6699057, Flessen/ Jerrycans).
Verbeurdverklaring
De weegapparatuur behoort aan verdachte toe. Nu dit voorwerp tot het begaan van het onder 4 bewezen geachte is bestemd, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
Onttrekking aan het verkeer
Nu met betrekking tot het vuurwapen, de munitie en de chemicaliën het onder respectievelijk 1, 2 en 4 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden zij onttrokken aan het verkeer.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 7.673,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde en er daarmee niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met een bewezenverklaard feit.
De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 20 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met rolnummer 22/001654-22. In deze zaak is verdachte bij onherroepelijk geworden arrest van 31 augustus 2023 van het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Daarbij is bevolen dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36b, 36c, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,
26 en 55 van de Wet wapens en munitie,
2, 10 en 10a van de Opiumwet.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het
onder 3 ten laste gelegdeniet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart
bewezendat verdachte het
onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegdeheeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van
Feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
Feit 2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Feit 4
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
Feit 5
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Verklaart
verbeurd:
- 1 STK Gereedschap (Omschrijving: PL1300-2025206854-G6699055, Weegapparatuur)
Verklaart
onttrokken aan het verkeer:
- 1 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2025206854-G6698925, Fiocchi 7,65mm)
- 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2025206854-G6698913, Zoraki M906)
- 15 STK Chemicaliën (Omschrijving: PL1300-2025206854-G6699057, Flessen/Jerrycans)
Benadeelde partij
Verklaart [benadeelde partij]
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd arrest van 31 augustus 2023 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann voorzitter,
mrs. D. Bode en B.C. Langendoen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.V. Koppelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2025.
[...]
[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]