ECLI:NL:RBAMS:2025:10651

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
4 januari 2026
Zaaknummer
C/13/713418 / HA ZA 22-120
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 lid 2 onder b BWArt. 3:300 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van landerijen tussen erfgenamen met vergoeding overwaarde en proceskostenveroordeling

In deze civiele bodemzaak vorderen twee erfgenamen de verdeling van diverse landerijen die gezamenlijk eigendom zijn van twee families. De rechtbank overweegt dat niemand verplicht kan worden in onverdeeldheid te blijven en dat de belangen van eisers zwaarder wegen dan die van de gedaagden, zodat verdeling mogelijk is.

De rechtbank wijst de primaire verdelingswijze af omdat een gedaagde belang heeft bij behoud van bepaalde percelen voor zijn bedrijf. De subsidiaire verdeling waarbij percelen worden toegewezen aan verschillende deelgenoten wordt wel vastgesteld, met de verplichting dat overbedeelde partijen een vergoeding betalen aan onderbedeelde partijen ter compensatie van de overwaarde.

De vergoeding van de overwaarde wordt vastgesteld op 75% van de marktwaarde, omdat een vergoeding op volledige marktwaarde niet redelijk en billijk is gelet op de rechtsverhouding en eerdere transacties. De rechtbank bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste akten indien een deelgenoot weigert medewerking te verlenen.

Verder wordt het door eisers in depot gestorte bedrag voor deskundigenonderzoek terugbetaald, en worden de proceskosten van de procedure hoofdelijke aan gedaagden opgelegd, met compensatie tussen eisers en een andere gedaagde partij. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank stelt de subsidiaire verdeling van landerijen vast met vergoeding van overwaarde op 75% van marktwaarde en veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/713418 / HA ZA 22-120
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van

1.DE ERFGENAAM VAN [erflater]2. [eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat: mr. B.J. Mekkelholt te Den Helder.
tegen

1.de heer [gedaagde 1] ,2. de heer [gedaagde 2] ,3. de heer [gedaagde 3] ,4. de heer [gedaagde 4] ,

allen wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijssens te Den Haag,
5.
DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [erflaatster],
tot haar overlijden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. M. Bonefaas te Hoorn,
Eisers worden hierna afzonderlijk [eiser 1] (1) en [eiser 2] (2) genoemd.
Gedaagden worden hierna afzonderlijk [gedaagde 1] (1) en [gedaagde 2] (2) [geslachtsnaam gedaagde 1 en 2] , [gedaagde 3] (3) en [gedaagde 4] (4) [geslachtsnaam gedaagde 3 en 4] en (gezamenlijk) [gedaagden 5] (5) genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 2 april 2025 en de daarin genoemde stukken,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 september 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
In aanvulling op de in het tussenvonnis van 24 mei 2023 vastgestelde feiten geldt dat de volgende landerijen onderwerp zijn van deze procedure:
Objectomschrijving
Kadastrale gegevens
1
[object 1] (ongenummerd) te [plaats 1]
[gemeente 1] , [sectieletter 3] , Nummer(s) [sectienummer 1 (11 nrs)]
2
[object 2] (ongenummerd) te [plaats 2]
[gemeente 1] , [sectieletter 1] , Nummer(s) [sectienummer 2 (8 nrs)]
3
[object 3] (ongenummerd) te [plaats 2]
[gemeente 1] , [sectieletter 4] , Nummer(s) [sectienummer 3 (2 nrs)]
4
[object 4] (ongenummerd) te [plaats 3]
[gemeente 1] , [sectieletter 2] , Nummer(s) [sectienummer 4 (13 nrs)]
5
[object 5] (nummer [nummer] ) te [plaats 3]
[gemeente 1] , [sectieletter 2] , Nummer(s) [sectienummer 5 (2 nrs)]
6
[object 6] (ongenummerd) te [plaats 3]
[gemeente 1] , [sectieletter 2] , Nummer [sectienummer 6]
7
[object 7] (ongenummerd) te [plaats 4]
[gemeente 2] , [sectieletter 5] , Nummer(s) [sectienummer 7 (2 nrs)]
8
[object 8] (ongenummerd) te [plaats 5]
[gemeente 3] , [sectieletter 2] , Nummer(s) [sectienummer 8 (3 nrs)]

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen na eiswijziging – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. ten aanzien van de economische eigendom van de maatschappen:
- benoeming van deskundigen ter:
waardering van de in de maatschappen 1 tot en met 3 (zoals weergegeven in het tussenvonnis van 24 mei 2023) in economisch eigendom ingebrachte landerijen naar de waarde in het economisch verkeer (marktwaarde) in zowel verpachte als onverpachte staat per 31 december 2024, dan wel de datum van verdeling, waarbij in de waardering van het land [object 4, 5, 6] de aanwezigheid van een spoorwegovergang, een recht van overpad en een schuur wordt betrokken,
opstelling van de jaarrekening van 2021 van de maatschappen 1 tot en met 3. Indien Koopman & Co tot deskundige wordt benoemd, dienen [eiser 1] en [eiser 2] in de gelegenheid te worden gesteld de door Koopman & Co opgestelde jaarrekening te laten controleren door een eigen deskundige en zo nodig commentaar te geven alvorens de jaarrekening van 2021 definitief wordt vastgesteld,
bepaling van de waardeverandering van de hiervoor in 3.1 onder 1 bedoelde getaxeerde landerijen ten opzichte van de waarde bij inbreng,
bepaling van de vermogenspositie van elke vennoot in de maatschappen 1 tot en met 3, met inachtneming van het advies van de deskundige ten aanzien van de hiervoor in 3.1 onder 3 bedoelde waardeverandering,
bepaling van de vermogenspositie van [eiser 1] en [eiser 2] in de maatschappen 1 tot en met 3, met inachtneming van de door de te benoemen deskundigen uitgebrachte adviezen,
opstelling van de slotbalans en winst- en verliesrekening van de maatschappen 1 tot en met 3 per 31 december 2021 tot aan de datum van de verdeling,
- veroordeling van:
7. [gedaagde 1] , [gedaagde 4] en [gedaagden 5] tot het verlenen van medewerking aan uitkering aan [eiser 1] en [eiser 2] van hun vermogensposities in de maatschap 1, zoals door de rechtbank bepaald,
8. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] tot het verlenen van medewerking aan uitkering aan [eiser 1] en [eiser 2] van hun vermogensposities in de maatschap 2, zoals door de rechtbank bepaald,
9. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot het verlenen van medewerking aan uitkering aan [eiser 1] en [eiser 2] van hun vermogensposities in de maatschap 3, zoals door de rechtbank bepaald,
- bepaling dat zowel de definitieve kosten als het te verstrekken voorschot op de kosten van de te benoemen deskundigen ten laste komen van de maatschappen 1 tot en met 3,
II. ten aanzien van de juridische eigendom van landerijen:
de navolgende verdeling te bepalen en te gelasten:
primair:
- toedeling aan:
o [eiser 1] en [eiser 2] van de onroerende zaken aan [object 2] te [plaats 2] (13 hectare) en de [object 7] te [plaats 4] (19 hectare),
o [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en [gedaagden 5] (al dan niet gezamenlijk) van de overige onroerende zaken,
een en ander onder verplichting van de overbedeelde partij om een bedrag aan de onderbedeelde partij te betalen ter vergoeding van de overwaarde,
subsidiair:
- toedeling aan:
o [eiser 1] en [eiser 2] van de onroerende zaak gelegen aan de [object 1] te [plaats 1] (29 hectare),
o [gedaagden 5] van de onroerende zaak gelegen aan de [object 3] te [plaats 2] (12 hectare),
o [gedaagde 4] en [gedaagde 3] van de onroerende zaak gelegen aan de [object 7] te [plaats 4] (19 hectare),
o [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van de resterende landerijen,
een en ander onder verplichting van de overbedeelde partijen om een bedrag aan de onderbedeelde partijen te betalen ter vergoeding van de overwaarde,
meer subsidiair:
- toedeling aan:
o [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagden 5] van de onroerende zaken gelegen aan de [object 1] te [plaats 1] (29 hectare) en de [object 3] te [plaats 2] (12 hectare),
o [gedaagde 4] en [gedaagde 3] van de onroerende zaak gelegen aan de [object 7] te [plaats 4] (19 hectare),
o [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van de resterende landerijen,
een en ander onder verplichting van de overbedeelde partijen een bedrag aan de onderbedeelde partijen te betalen ter vergoeding van de overwaarde,
- bepaling dat dit vonnis in de plaats van de akte zal treden indien een deelgenoot – ondanks hiertoe deugdelijk te zijn opgeroepen – weigert medewerking te verlenen aan de rechtshandeling die vereist is om aan leveringsformaliteiten te voldoen en de verdeling te voltooien,
III. ten aanzien van de maatschap [naam maatschap] Senioren (voorwaardelijk):
- bepaling van (de wijze van) verdeling van het aandeel in het vermogen van de maatschap [naam maatschap] Senioren in maatschap 1, met inachtneming van hetgeen wordt geoordeeld over de in 3.1 onder I genoemde vordering,
ten aanzien van maatschap [naam maatschap] Junioren (voorwaardelijk):
- bepaling van (de wijze van) verdeling van het aandeel in het vermogen van de maatschap [naam maatschap] Junioren in de maatschap 2 respectievelijk de maatschap 3, met inachtneming van hetgeen wordt geoordeeld over de in 3.1 onder I genoemde vordering,
IV. ten aanzien van de kosten:
- hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en [gedaagden 5] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
De in 3.1 onder III genoemde vorderingen zijn voorwaardelijk indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat de maatschap [naam maatschap] Senioren respectievelijk [naam maatschap] Junioren kwalificeren als maatschappen als bedoeld in artikel 7A:1665 e.v. BW.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
[gedaagden 5] refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De verdere beoordeling

De wijze van verdeling van de landerijen
4.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen na eiswijziging – zoals hiervoor weergegeven in 3.1 onder II – kort gezegd dat de rechtbank de landerijen op een dusdanige wijze verdeelt dat ieder der deelgenoten één of meer verschillende landerijen toebedeeld krijgt. Die toebedeling dient (zoveel mogelijk) te geschieden naar rato van zijn of haar aandeel in het gezamenlijk eigendom van de verschillende landerijen. Voor [eiser 1] en [eiser 2] vormt het geen bezwaar als zij en [gedaagden 5] gezamenlijk één of meer landerijen toebedeeld krijgen. Met de door [eiser 1] en [eiser 2] beoogde wijze van verdeling kan voor het overgrote deel worden tegemoetgekomen aan de belangen van alle betrokken partijen. Voor [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagden 5] geldt dat zij niet langer gedwongen verbonden zijn aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . Voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] geldt dat zij gezamenlijk eigenaar worden althans blijven van een dusdanig aantal percelen dat het voor [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zonder meer mogelijk zal zijn hun respectievelijke eigen bedrijven voort te zetten. Aldus steeds [eiser 1] en [eiser 2] .
4.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn het daar niet mee eens. Volgens hen is de door [eiser 1] en [eiser 2] beoogde vaststelling van de wijze van verdeling van de landerijen in strijd met de tussen partijen gemaakte samenwerkingsafspraken en met beslissingen die eerder in deze procedure door de rechtbank genomen zijn.
4.3.
[gedaagden 5] refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] stellen zich op het standpunt dat de door [eiser 1] en [eiser 2] beoogde vaststelling van de wijze van verdeling van de landerijen in strijd is met de samenwerkingsafspraken die partijen in het verleden hebben gemaakt. Daarin worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet gevolgd. De rechtbank memoreert in dit verband dat het uitgangspunt is dat niemand kan worden verplicht om in onverdeeldheid te blijven. Dit betekent dat als iemand vraagt om een gezamenlijk goed te verdelen, de rechter dit ook zal moeten doen. Alleen in bijzondere gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken, namelijk als de belangen van degene die niet tot verdeling wil overgaan aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van degene die wel wil verdelen. De rechtbank heeft reeds in het tussenvonnis van 24 mei 2023 overwogen dat de belangen van [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagden 5] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , zodat nu kan worden verdeeld. Omstandigheden die leiden tot een ander oordeel, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] daarna niet meer genoemd en zijn ook niet gebleken.
4.6.
Daarnaast begrijpt de rechtbank uit de door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gegeven toelichtingen dat zij betogen dat in het tussenvonnis van 24 mei 2023 is vastgesteld dat zij alle landerijen tegen de agrarische waarde kunnen overnemen. Dat betoog is onjuist. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 24 mei 2023 (in rechtsoverwegingen 4.40 en 4.42 tot en met 4.45) – samengevat – overwogen dat het toetsingskader wordt ingekleurd aan de hand van de rechtsbetrekking tussen partijen en aan de hand van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dat wat tussen partijen heeft te gelden, wordt mede bepaald door hetgeen hen vanaf de start van de samenwerking voor ogen stond. Ook het feitelijk handelen van partijen is van belang voor de vaststelling van hetgeen rechtens geldt. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat bij eerdere overdrachten de landerijen steeds tegen de agrarische waarde werden gewaardeerd. In aanvulling daarop geldt dat net zo goed in aanmerking dient te worden genomen dat partijen in het verleden veelvuldig hebben gesproken over een verdeling door toedeling van percelen aan de verschillende deelgenoten. In zoverre sluit de door [eiser 1] en [eiser 2] gevraagde toedeling van percelen aan bij hetgeen partijen op basis van verklaringen en gedragingen uit het verleden van elkaar mogen verwachten en past dit dus binnen het toetsingskader.
4.7.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 24 mei 2023 verder overwogen dat de landerijen niet tegen de marktwaarde moeten worden gewaardeerd, omdat de redelijkheid en billijkheid en hetgeen partijen op basis van verklaringen en gedragingen uit het verleden van elkaar mochten verwachten in de weg staan aan een waardering van de landerijen tegen die waarde. In aansluiting bij het partijdebat heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat – dus – uitgegaan moest worden van een waardering tegen agrarische waarde. Daarbij heeft de rechtbank vooralsnog tot uitgangspunt genomen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onbetwist hadden toegelicht dat zij alle landerijen wilden verkrijgen en dat – met het oog op de lonende exploitatie van hun bedrijven voor henzelf en uiteindelijk hun kinderen – de landerijen moesten worden gewaardeerd op een lagere waarde dan de marktwaarde, te weten de agrarische waarde. In voornoemde overwegingen in het tussenvonnis van 24 mei 2023 ligt aldus
nietbesloten dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] alle landerijen tegen de agrarische waarde moeten kunnen overnemen. Die vaststelling heeft de rechtbank niet gedaan. Bovendien heeft de rechtbank ook bepaald (zie rechtsoverweging 2.23 van het tussenvonnis van 12 februari 2025 en de rolbeslissing van 2 april 2025) dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] openheid van zaken zullen moeten geven wat betreft hun financiële mogelijkheden. Zij dienden hun stelling dat zij hun bedrijven alleen lonend kunnen exploiteren indien zij alle aan eisers toebehorende onverdeelde aandelen in de percelen overnemen nader te onderbouwen aan de hand van bescheiden. Ook dienden zij inzicht te geven in de financierbaarheid van de door hen gewenste overname van onverdeelde aandelen in de percelen, dus welke prijs [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in staat zouden zijn voor de percelen te betalen, ervan uitgaande dat de voortzetting van hun bedrijven nog juist lonend blijft. Ook daaruit volgt dat de rechtbank niet heeft beslist dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] alle landerijen tegen agrarische waarde zouden moeten kunnen overnemen.
4.8.
Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] naar voren gebracht dat [eiser 1] en [eiser 2] enkel aanspraak kunnen maken op de delen van de landerijen waarvan zij onverdeelde mede-eigenaar zijn. Dit standpunt wordt verworpen onder verwijzing naar artikel 3:185 lid 2 onder Pro b BW. Uit voornoemd wetsartikel volgt namelijk dat de rechter ook een wijze van verdeling kan vaststellen waarbij een of meer deelgenoten worden overbedeeld tegen vergoeding van de overwaarde.
4.9.
Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat de door [eiser 1] en [eiser 2] beoogde verdeling van de landerijen door toedeling van percelen in strijd is met de tussen partijen gemaakte samenwerkingsafspraken en met de beslissingen die eerder in deze procedure door de rechtbank genomen zijn. De rechtbank zal daarom hierna de door [eiser 1] en [eiser 2] aangedragen opties voor de verdeling van de landerijen bespreken.
4.10.
De eerste door [eiser 1] en [eiser 2] aangedragen optie (zie hiervoor 3.1 onder II primair) houdt in dat aan hen de landerijen aan [object 2] te [plaats 2] en de [object 7] te [plaats 4] worden toebedeeld en dat de overige landerijen – al dan niet gezamenlijk – aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en [gedaagden 5] worden toebedeeld, een en ander onder verplichting van de overbedeelde partijen een bedrag aan de onderbedeelde partijen betalen ter vergoeding van de overwaarde.
4.11.
De rechtbank zal deze door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderde wijze van de verdeling van de landerijen niet vaststellen. [gedaagde 3] heeft namelijk voldoende toegelicht dat hij er belang bij heeft de landerijen aan de [object 7] te [plaats 4] en [object 2] te [plaats 2] te behouden voor de exploitatie van zijn bloembollenbedrijf, omdat hij het perceel aan de [object 7] zelf gebruikt voor dat bedrijf en het perceel aan [object 2] vlakbij het perceel aan de [object 7] en zijn bedrijfsgebouwen ligt. Omdat er aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] geen specifiek belang is gesteld bij deze toedeling, wordt de primaire vordering van [eiser 1] en [eiser 2] afgewezen.
4.12.
De tweede door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderde wijze van verdeling (zie onder 3.1 onder II subsidiair) houdt in dat i) aan hen het perceel aan de [object 1] te [plaats 1] wordt toebedeeld, ii) aan [gedaagden 5] het perceel aan de [object 3] te [plaats 2] , iii) aan [gedaagde 4] en [gedaagde 3] het perceel het perceel aan de [object 7] te [plaats 4] wordt toebedeeld en iv) aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de resterende landerijen worden toebedeeld. Een en ander ook onder de verplichting dat de overbedeelde partijen een bedrag aan de onderbedeelde partijen betalen ter vergoeding van de overwaarde.
4.13.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] verzetten zich tegen deze vorm van verdeling en stellen zich in dit verband op het standpunt dat zij voor de lonende exploitatie van hun bedrijven alle landerijen in eigendom moeten verkrijgen. Daarin worden zij niet gevolgd. De rechtbank heeft hen bij rolbeslissing van 2 april 2025 op grond van artikel 22 Rv Pro bevolen deze stelling aan de hand van bescheiden te onderbouwen. Uit de door hen vervolgens overgelegde onderbouwing valt – mede gelet op de betwisting daarvan door eisers – niet op te maken dat zij hun bedrijven slechts lonend kunnen voortzetten indien zij alle percelen in eigendom krijgen, alleen al omdat de overgelegde informatie niet volledig en niet verifieerbaar is.
4.14.
[gedaagde 3] heeft hiernaast tegen de tweede optie dezelfde bezwaren opgeworpen als tegen de eerste optie (zie hiervoor 4.11). Die bezwaren gaan hier niet op. Bij deze wijze van toedeling wordt namelijk het perceel aan de [object 7] te [plaats 4] aan hem en [gedaagde 4] toebedeeld en wordt het perceel aan [object 2] [plaats 2] toebedeeld aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Dit betekent dat bij deze wijze van toedeling beide voornoemde percelen (mede) in handen zullen komen van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
4.15.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben geen andere redenen aangevoerd die pleiten tegen deze wijze van toedeling, die naar het oordeel van de rechtbank redelijk is. Met deze toedeling wordt tegemoet gekomen aan de wens van [eiser 1] en [eiser 2] om niet langer via de onverdeelde gemeenschap gebonden te zijn aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . Voor [gedaagde 2] en [gedaagde 3] blijft het mogelijk om hun bedrijven voort te zetten (althans is van het tegendeel niet gebleken). Daarbij komt dat [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagden 5] hebben aangegeven dat zij bereid zijn om met [gedaagde 2] af te spreken dat hij nog gedurende een aantal jaren zijn loonwerkzaamheden mag uitvoeren op de percelen die aan hen worden toebedeeld, zodat hij, indien nodig, tijd en ruimte heeft om op zoek te gaan naar vervangende omzet. Verder heeft [gedaagde 3] niet betwist dat hij grond kan huren of pachten (zoals hij nu ook al doet). Dat het voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk zou zijn om de gronden in eigendom te hebben is met andere woorden niet gebleken. De rechtbank zal de onder 3.1 onder II subsidiair gevorderde toedeling dan ook vaststellen.
4.16.
Partijen twisten verder over de vraag hoe de door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderde vergoeding van de overwaarde aan de onderbedeelde partijen moet worden berekend.
4.17.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat de landerijen over en weer tegen de marktwaarde moeten worden overgedragen en dat de vergoeding aan de onderbedeelde partijen van de overwaarde op die voet moet worden berekend.
4.18.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] gaan in dit verband uit van de agrarische waarde van de landerijen, welke beduidend lager ligt dan de door [eiser 1] en [eiser 2] voorgestelde waarde. [eiser 1] en [eiser 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling van 30 september 2025 terecht aangevoerd dat als gevolg van de eiswijziging – anders dan in het tussenvonnis van 24 mei 2023 – niet langer de vraag voorligt welke waardering van de landerijen voortzetting van de bedrijven nog juist lonend maakt, aangezien daarbij werd uitgegaan van de veronderstelling dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] alle landerijen nodig zouden hebben voor de lonende exploitatie van hun bedrijven. Zoals hiervoor is geoordeeld, ligt nu een specifieke toedeling van landerijen voor en is bovendien niet gebleken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] alle gronden (in eigendom) moeten hebben om hun bedrijven lonend te kunnen exploiteren.
4.19.
Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat nog steeds als uitgangspunt geldt dat een vergoeding van de overwaarde op basis van de marktwaarde in dit geval niet redelijk en billijk is gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen partijen en hetgeen partijen op basis van verklaringen en gedragingen uit het verleden redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten. Ook moet de financierbaarheid in acht worden genomen, waarbij geldt dat dit wel anders is komen te liggen, omdat geen sprake meer is van de situatie dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] alle gronden overnemen.
4.20.
Bij de beoordeling welke waarde redelijk is, is van belang dat de rechtbank [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij rolbeslissing van 2 april 2025 heeft bevolen inzicht te geven in de financierbaarheid van de door hen gewenste overname van onverdeelde aandelen in de landerijen, dus welke prijs zij in staat zijn voor de percelen te betalen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben aan dit bevel uitvoering gegeven door overlegging van een akte met twee bijlagen, met daarin eigen, niet door een accountant gecontroleerde, weergaven van hun financiële posities. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de inhoud van deze stukken – mede aan de hand van een verklaring van accountant de heer [naam 1] van [bedrijf 1] – uitvoerig betwist. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben hun stelling daarop onvoldoende nader onderbouwd. De conclusie is dat de door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verstrekte inzage in hun financiële mogelijkheden incompleet en niet transparant of verifieerbaar is. Daaruit kan in ieder geval niet worden afgeleid dat zij financieel niet in staat zijn om een (beduidend) groter deel van de marktwaarde dan de agrarische waarde te betalen ter compensatie van een overbedeling aan de overige deelgenoten. Bij dat oordeel is mede van belang dat bij een toedeling als hier aan de orde wat financiële draagkracht betreft uiteraard veel minder van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wordt gevraagd dan in het geval van een overname van alle percelen.
4.21.
De rechtbank neemt in dit verband verder in aanmerking dat (één van de bedrijven van) [gedaagde 3] in 2023 tegen 75% van de marktwaarde gronden heeft aangekocht van [eiser 2] en dat in 2029 nog een dergelijke transactie zal plaatsvinden tegen 75% van de marktwaarde.
4.22.
Al het voorgaande brengt mee dat het naar het oordeel van de rechtbank redelijk is dat de landerijen over en weer moeten worden overgedragen tegen 75% van de marktwaarde en dat de vergoeding aan de onderbedeelde partijen van de overwaarde op die voet moet worden berekend. De marktwaarde moet worden bepaald naar de datum van overdracht van de onroerende zaken. Voor die hernieuwde taxatie van de landerijen kunnen partijen zich in overleg tot een erkend taxateur wenden. De subsidiaire vordering van [eiser 1] en [eiser 2] wordt dan ook met dien verstande toegewezen. Gezien dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de meer subsidiaire vordering van [eiser 1] en [eiser 2] .
Dit vonnis treedt in de plaats van de voor de verdeling vereiste akte(n)
4.23.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen verder dat de rechtbank bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van de akte indien een deelgenoot – ondanks hiertoe deugdelijk te zijn opgeroepen – weigert medewerking te verlenen aan de rechtshandeling die is vereist om aan leveringsformaliteiten te voldoen en de verdeling te voltooien.
4.24.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben tegen deze vordering geen verweer gevoerd. De rechtbank zal deze vordering van [eiser 1] en [eiser 2] dan ook op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW Pro toewijzen, met inachtneming van het volgende.
4.25.
De rechtbank acht de door [eiser 1] en [eiser 2] in deze vordering gebezigde term “deelgenoot” onvoldoende concreet, omdat naast de in deze procedure betrokken partijen, er nog drie personen zijn die ieder voor 1/30ste deel eigenaar zijn van een tweetal kleine landerijen. Hetzelfde geldt voor de in deze vordering verwerkte eis dat de desbetreffende deelgenoot “ondanks hiertoe deugdelijk te zijn opgeroepen weigert zijn medewerking te verlenen aan de rechtshandeling die vereist is om aan leveringsformaliteiten te voldoen en de verdeling te voltooien”, nu partijen mogelijk verwikkeld zouden kunnen raken in nieuwe discussies over de vraag wanneer een deelgenoot wel of niet deugdelijk is opgeroepen. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] niet nader gespecificeerd of dit vonnis (ook) in de plaats dient te treden van in verband met de onderhavige verdeling te passeren notariële akte(n).
4.26.
De rechtbank ziet in al het voorgaande aanleiding om te bepalen dat indien één of meer partijen op eerste schriftelijk verzoek van of namens [eiser 1] en [eiser 2] weigert medewerking te verlenen aan de rechtshandelingen die vereist zijn om aan de leveringsformaliteiten te voldoen en de onderhavige verdeling te voltooien, dit vonnis in de plaats zal treden van de medewerking, wilsverklaring en handtekening van één of meer partijen op de, in verband met de hiervoor in 4.15 en 4.22 bedoelde verdeling, te passeren (notariële) akte(n).
De afwikkeling van de maatschappen
4.27.
Partijen zijn het er tijdens de mondelinge behandeling van 30 september 2025 over eens geworden dat zij zelf – met behulp van een accountant – over kunnen gaan tot de afwikkeling van de maatschappen, indien de rechtbank de wijze van de verdeling vaststelt. De rechtbank zal dat hierna in de beslissing doen.
4.28.
Wel ligt in dit verband nog de vraag voor of de maatschappen konden worden opgezegd en zo ja, tegen welke datum. [naam 2] en [eiser 2] hebben de maatschappen per 1 januari 2022 opgezegd. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 4.16 en 4.17 van het tussenvonnis van 24 mei 2023 het standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in dit verband – dat de door [naam 2] en [eiser 2] gehanteerde opzegtermijn van zes maanden te kort was – verworpen. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de maatschappen per 1 januari 2022 rechtsgeldig zijn opgezegd en dat de maatschappen ook tegen die datum moeten worden afgewikkeld.
4.29.
Bij deze stand van zaken hebben [eiser 1] en [eiser 2] geen afzonderlijk belang meer bij hun vorderingen – zoals hiervoor weergegeven in 3.1 onder I – zodat die moeten worden afgewezen.
De voorwaardelijk ingestelde vorderingen
4.30.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben nog twee voorwaardelijke vorderingen – zoals hiervoor weergegeven in 3.1 onder III en 3.2 – ingesteld. De rechtbank komt aan een beoordeling van deze voorwaardelijk ingestelde vorderingen niet toe, omdat partijen het erover eens zijn dat de daarin genoemde maatschappen – te weten [naam maatschap] Senioren en [naam maatschap] Junioren – geen maatschappen zijn en de rechtbank niet is gebleken dat dit (juridisch gezien) anders ligt.
Het in depot gestorte bedrag voor het deskundigenonderzoek
4.31.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een totaalbedrag van € 4.204,75 (€ 2.420 op 25 oktober 2023 en € 1.784,75 op 2 juli 2024) bij de rechtbank in depot gestort in verband met het bij tussenvonnis van 2 augustus 2023 bevolen deskundigenonderzoek. Het daarop gevolgde deskundigenbericht was niet bruikbaar voor de verdere beoordeling van deze zaak en de rechtbank heeft de kosten voor de deskundige op nihil begroot. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 12 februari 2025 overwogen dat zij voornemens was een nieuwe deskundige te benoemen. Met het oog daarop heeft de rechtbank het door [eiser 1] en [eiser 2] in depot gestorte totaalbedrag onder zich gehouden.
4.32.
Gezien de uitkomst van de procedure is een nieuw deskundigenonderzoek niet meer nodig. De rechtbank zal de griffier daarom opdagen het door [eiser 1] en [eiser 2] in depot gestorte totaalbedrag van € 4.204,75 aan hen terug te betalen.
De proceskosten
4.33.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] krijgen dus grotendeels ongelijk en moeten daarom de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] betalen. De proceskosten worden begroot op:
- dagvaardingskosten: € 121,39
- griffierecht: € 314,00
- salaris advocaat: € 17.428,00 (4,0 punten x tarief VIII: € 4.357,00)
- nakosten:
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 18.041,39
4.34.
De over voornoemde proceskostenveroordeling gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.35.
De proceskostenveroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] wordt hoofdelijk uitgesproken, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd.
4.36.
[gedaagden 5] hebben zich gedurende de gehele procedure (grotendeels) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat zij zich steeds (grotendeels) konden vinden in de standpunten van [eiser 1] en [eiser 2] . De rechtbank ziet hierin aanleiding om de proceskosten tussen [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagden 5] te compenseren, in de zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.37.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
stelt de wijze van verdeling van de landerijen als volgt vast:
  • de onroerende zaak gelegen aan de [object 1] te [plaats 1] wordt toebedeeld aan [eiser 1] en [eiser 2] ,
  • de onroerende zaak gelegen aan de [object 3] te [plaats 2] wordt toebedeeld aan [gedaagden 5] ,
  • de onroerende zaak gelegen aan de [object 7] te [plaats 4] wordt toebedeeld aan [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ,
  • de resterende landerijen worden toebedeeld aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
een en ander onder de verplichting van de overbedeelde partijen om een bedrag aan de onderbedeelde partijen te betalen ter vergoeding van de overwaarde, met inachtneming van hetgeen hiervoor in 4.22 is overwogen,
5.2.
bepaalt dat indien één of meer partijen op eerste schriftelijk verzoek van [eiser 1] en [eiser 2] weigert medewerking te verlenen aan de rechtshandeling die vereist is om aan de leveringsformaliteiten te voldoen en de hiervoor onder 5.1 bedoelde verdeling te voltooien, dit vonnis in de plaats zal treden van de medewerking, wilsverklaring en handtekening van één of meer partijen op de, in verband met de hiervoor in 5.1 bedoelde verdeling, te passeren (notariële) akte(n),
5.3.
draagt de griffier op het door [eiser 1] en [eiser 2] in depot gestorte totaalbedrag van € 4.204,75 aan hen terug te betalen,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] begroot op € 18.041,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij hoofdelijk € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.6.
compenseert de proceskosten tussen [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagden 5] , in de zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Singeling, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.