ECLI:NL:RBAMS:2025:10657

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
11733711 CV EXPL 25-7985
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:127 BWArt. 6:119 BWArt. 3:45 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling verhuiskostenvergoeding ondanks lopende huurachterstand en verrekening

Eiser vordert betaling van een verhuiskostenvergoeding van Stadgenoot na beëindiging van een tijdelijke huurovereenkomst wegens sloop van de woning. Stadgenoot voert verweren aan dat de vergoeding verrekend mag worden met een lopende huurachterstand en dat uitkering onaanvaardbaar zou zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van Stadgenoot tot verrekening niet slaagt omdat de huurachterstand nog niet opeisbaar is vanwege een lopende betalingsregeling die door eiser volledig wordt nagekomen. Stadgenoot heeft stilzwijgend ingestemd met het aflossingsbedrag van € 50,- per maand en heeft niet adequaat gereageerd op verzoeken tot aanpassing.

Het verweer dat uitkering onaanvaardbaar zou zijn faalt eveneens omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen. De verhuiskostenvergoeding en huurachterstand zijn zelfstandige vorderingen met een eigen karakter. Stadgenoot wordt veroordeeld tot betaling van de vergoeding, rente en proceskosten.

Uitkomst: Stadgenoot wordt veroordeeld tot betaling van de verhuiskostenvergoeding van € 7.428,00 met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11733711 \ CV EXPL 25-7985
Vonnis van 23 december 2025
in de zaak van
[eiser]handelend onder de naam [handelsnaam] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van
[betrokkene] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser] en [betrokkene] ,
gemachtigde: mr. M.M. Janssens,
tegen
de stichting
STICHTING STADGENOOT,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stadgenoot,
gemachtigde: Van der Hoeden/Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen.
De zaak in het kort
[eiser] vordert in deze procedure betaling van een verhuiskostenvergoeding. Stadgenoot voert tegen die vordering twee verweren. Ten eerste voert Stadgenoot aan dat zij deze vergoeding heeft mogen verrekenen met een huurschuld die [eiser] bij Stadgenoot heeft. Ten tweede voert Stadgenoot het verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als zij de vergoeding aan [eiser] moet uitkeren. De verweren slagen niet. Stadgenoot moet de verhuiskostenvergoeding uitkeren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 mei 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 26 augustus 2025, waarin de mondelinge behandeling is bevolen,
- de aanvullende producties van de zijde van [eiser] .
1.2.
Op 18 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig [eiser] en [betrokkene] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens de gemachtigde van Stadgenoot was mr. R.G. Matti aanwezig. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Hiervan heeft de griffier aantekeningen gemaakt, die in het dossier zijn gevoegd. De spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] zijn ook in het dossier gevoegd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[betrokkene] huurde van Stadgenoot vanaf 1 oktober 2019 tot 24 oktober 2024 de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). Daarbij was sprake van een tijdelijke huurovereenkomst jongerenhuisvesting, voor de duur van vijf jaren.
2.2.
Op enig moment is er een huurachterstand ontstaan en is [betrokkene] door Stadgenoot gedagvaard. Bij vonnis van de kantonrechter van 28 februari 2023 is de huurovereenkomst (voorwaardelijk) ontbonden en is [betrokkene] veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van € 5.938,45. Daarbij is, voor zover hier relevant, het volgende bepaald:
“10. Gelet op de ingrijpende gevolgen van de veroordeling tot ontruiming voor [betrokkene] zijn partijen ter zitting een betalingsregeling overeengekomen voor de duur van drie maanden waarbij de ontbinding en ontruiming slechts voorwaardelijk worden toegewezen, met dien verstande dat Stadgenoot daar geen rechten aan kan ontlenen indien: (…) b) [betrokkene] de volgende in dit vonnis toe te wijzen bedragen betaalt (…) Totaal € 7.893,06
Dit bedrag moet worden voldaan in maandelijkse termijnen van € 50,00 (…).Uiterlijk 1 juni 2023zal worden bezien of een hogere aflossing mogelijk is, afhankelijk van de persoonlijke en financiële situatie van [betrokkene] . Daarbij gaat de kantonrechter ervan uit dat [betrokkene] , dan wel de hulpverlener van [betrokkene] , de gemachtigde van Stadgenoot deugdelijk informeert en voorziet van de financiële stukken ter beoordeling van de aflossingscapaciteit.
Bij deze betalingsregeling geldt dat indien [betrokkene] in gebreke blijft met voornoemde afbetaling, de gehele regeling zal vervallen en het restantbedrag ineens opeisbaar wordt.”
2.3.
Op 28 augustus 2023 heeft de toenmalige schuldhulpverlener van [betrokkene] met Stadgenoot contact opgenomen voor een betalingsregeling. Deze komt na akkoord van Stadgenoot op 29 augustus 2023 tot stand en luidt als volgt:
“Met ingang van heden dient cliënte[Stadgenoot, toevoeging kantonrechter]
de verdere huurtermijnen tijdig ontvangen te hebben;
Met ingang van september 2023 dient ons kantoor voor de periode van 6 maanden op elke 1e van de maand een aflossing van € 50,00 ontvangen te hebben;
Uiterlijk op 15 februari 2024 dient ons kantoor een nieuw voorstel tot een betalingsregeling ontvangen te hebben.”
2.4.
Bij beschikking van 8 december 2023 heeft de kantonrechter een bewind over [betrokkene] ingesteld vanwege problematische schulden, met benoeming van [eiser] tot bewindvoerder.
2.5.
Per e-mail van 24 januari 2024 heeft [eiser] het volgende aan Stadgenoot geschreven:
“(…) Met het oog op de deadline van 15 februari 2024 kan ik u nu al laten weten dat de regeling niet kan worden opgehoogd (zie bijgaand budgetplan). Mevrouw verwacht binnenkort haar eerste kind, dus haar leefgeld zal omhoog moeten, dus de ruimte die nu in het budgetplan zit, kan ik niet gebruiken om u een hogere regeling aan te bieden voor 15 februari. Vanzelfsprekend zal mevrouw ook kinderbijslag ontvangen en kindgebonden budget op het moment dat de baby daar is. Ik zal dat verwerken in het budgetplan zodra dat bekend is. Alsdan zal ik kunnen kijken of de regeling kan worden opgehoogd, maar dat zal dus niet al zijn voor de deadline van 15 februari. (..)”
2.6.
Op 31 juli 2024 heeft Stadgenoot in reactie op deze e-mail het volgende aan [eiser] geschreven:
“(…) In navolging op onderstaande e-mail verzoeken wij u ons kantoor te berichten of de maandelijkse aflossing omhoog kan. Wij verzoeken u om dit te onderbouwen met een recent budgetplan. (..).”. Hierop reageert [eiser] een dag later:
“(..) Wat mij betreft zou de betalingsregeling omhoog kunnen naar 70 euro per maand.”
2.7.
Per e-mail van 21 augustus 2024 heeft [eiser] aan Stadgenoot het volgende geschreven: “
(..) Ik heb nog geen reactie op onderstaande en dat is aan de ene kant fijn. Ik moet namelijk melden dat het bedrag van de betalingsregeling niet omhoog kan naar 70 euro. Graag die dus op 50 euro per maand houden. (…)”
Stadgenoot heeft niet op deze e-mail gereageerd.
2.8.
In verband met de aanstaande renovatie en sloop van de woning heeft [eiser] op 18 september 2024 als volgt aan Stadgenoot bericht:
“Mevrouw [betrokkene] heeft een nieuwe woning gevonden. Middels deze e-mail zeg ik dan ook graag de huur op van haar woning (…) per 24 oktober 2024. Omdat mevrouw gedwongen moest verhuizen, heeft zij recht op een verhuisvergoeding (…)”.
2.9.
De huurovereenkomst is per 24 oktober 2024 geëindigd. [eiser] heeft aanspraak gemaakt op de wettelijke verhuiskostenvergoeding. Stadgenoot heeft medegedeeld dat zij deze vergoeding heeft verrekend met de openstaande huurschuld.
2.10.
Bij brief van 9 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] Stadgenoot verzocht om van verrekening af te zien. Stadgenoot heeft hierop afwijzend gereageerd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert veroordeling van Stadgenoot tot betaling van een verhuiskostenvergoeding van € 7.428,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Stadgenoot heeft de verschuldigdheid van de verhuiskostenvergoeding op zichzelf niet weersproken, maar stelt dat deze door verrekening met haar vordering op [eiser] teniet is gegaan. Daarnaast voert Stadgenoot aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als zij de verhuiskostenvergoeding moet uitkeren.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Hoewel Stadgenoot ter zitting heeft gesteld dat zij slechts uit coulance aan [betrokkene] een verhuiskostenvergoeding heeft aangeboden (omdat [betrokkene] vanwege de duur van het jongerencontract sowieso de woning moest verlaten), heeft Stadgenoot in haar conclusie van antwoord erkend dat [betrokkene] vanwege de sloop van de woning voor een verhuiskostenvergoeding in aanmerking komt. Gelet daarop is tussen partijen niet in geschil dat Stadgenoot aan [betrokkene] een verhuiskostenvergoeding verschuldigd is. Stadgenoot moet daarom in beginsel de verhuiskostenvergoeding uitkeren. Stadgenoot wil de vergoeding niet uitkeren en daartoe heeft zij twee verweren gevoerd. De kantonrechter zal deze verweren hierna behandelen.
4.2.
Stadgenoot heeft allereerst een beroep op verrekening gedaan met de huurachterstand. Voor een geslaagd beroep op verrekening is op grond van artikel 6:127 BW Pro vereist dat de vordering opeisbaar is. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering die Stadgenoot voor verrekening inzet niet opeisbaar is. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.3.
Vaststaat dat partijen voor de openstaande huurschuld van [betrokkene] een betalingsregeling hebben getroffen, om zo een ontruiming van de woning te voorkomen. Deze betalingsregeling hield onder meer in dat [betrokkene] maandelijks € 50,- moest aflossen en dat [betrokkene] vóór februari 2024 een nieuw voorstel voor een aflossingsbedrag moest doen.
4.4.
Per e-mail van 24 januari 2024 heeft [eiser] , als bewindvoerder van [betrokkene] , aan Stadgenoot medegedeeld dat hij geen financiële mogelijkheden zag om het aflossingsbedrag van € 50,- te verhogen, omdat [betrokkene] een baby op komst had. Hij heeft daarbij verzocht om het aflossingsbedrag gelijk te houden en om, na de geboorte van de baby, opnieuw het aflossingsbedrag te beoordelen. Stadgenoot heeft niet op deze e-mail gereageerd. [eiser] is vervolgens evenwel maandelijks € 50,- blijven aflossen, onder vermelding van het betalingskenmerk:
“ [betalingskenmerk] .”Stadgenoot heeft deze betalingen onder vermelding van het betalingskenmerk geaccepteerd. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onder deze omstandigheden ervan uit mocht gaan dat het voorstel van [eiser] om het aflossingsbedrag van € 50,- gelijk te houden door Stadgenoot (stilzwijgend) was geaccepteerd. Het betoog van Stadgenoot dat er toen geen nieuwe betalingsregeling tot stand is gekomen, volgt de kantonrechter dus niet.
4.5.
In juli 2025, te weten na de geboorte van de baby, heeft Stadgenoot per e-mail aan [eiser] gevraagd of het maandelijkse aflossingsbedrag kon worden verhoogd. [eiser] reageerde hierop aanvankelijk dat de aflossing naar € 70,- per maand kon worden verhoogd, maar trok dit aanbod per e-mail van 21 augustus 2025 weer in met de vermelding dat hij de aflossing graag op € 50,- wilde houden. Stadgenoot heeft hierop (opnieuw) niet gereageerd, maar ter zitting heeft Stadgenoot gesteld dat zij niet akkoord ging met dit voorstel, omdat zij het aflossingsbedrag te laag vond. Stadgenoot heeft in dit verband gewezen op het budgetplan, waaruit zou volgen dat er financiële ruimte was om meer af te lossen. Daarbij heeft Stadgenoot onder meer gewezen op de kosten van het Netflix-abonnement die in het budgetplan zijn opgenomen. Verder heeft Stadgenoot erop gewezen dat evident was dat het aflossingsbedrag moest worden opgehoogd, omdat de oorspronkelijke betalingsregeling tijdelijk van aard was en was getroffen in het kader van de zogenoemde ‘huurbulkzittingen’ bij de kantonrechter.
4.6.
De kantonrechter is het met Stadgenoot eens dat het opmerkelijk is dat het aflossingsbedrag gelet op het budgetplan niet kon worden verhoogd, maar dit neemt niet weg dat het aan Stadgenoot was om haar bezwaren daarover bij [eiser] kenbaar te maken. Dit heeft zij echter niet gedaan. Stadgenoot heeft de betalingen van [eiser] , onder vermelding van eerdergenoemd betalingskenmerk, geaccepteerd en in het geheel niet gereageerd op de e-mails van [eiser] . Dit had in de gegeven omstandigheden wel van Stadgenoot verwacht mocht worden. [eiser] mocht er daarom vanuit gaan dat Stadgenoot akkoord ging met het oorspronkelijke aflossingsbedrag van € 50,-. De omstandigheid dat de oorspronkelijke betalingsregeling in het kader van de huurbulkzitting was getroffen, maakt dit niet anders. Dit betekent dat tussen partijen opnieuw een nieuwe betalingsregeling tot stand is gekomen, die nog altijd loopt omdat deze door [eiser] volledig en tijdig wordt nagekomen. Doordat sprake is van een lopende betalingsregeling, is de vordering die Stadgenoot voor de resterende huurachterstand op [eiser] heeft niet opeisbaar. Er is daarmee niet voldaan aan de verrekeningsvereisten van artikel 6:127 BW Pro. Dit heeft tot gevolg dat Stadgenoot de verhuiskostenvergoeding niet met de huurschuld kan verrekenen.
4.7.
Stadgenoot heeft verder aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als zij de verhuiskostenvergoeding moet uitkeren, omdat [betrokkene] een forse huurachterstand heeft, zij mogelijk tot een schuldsaneringstraject wordt toegelaten en in dat geval voor de hand ligt dat Stadgenoot nog slechts een fractie van de openstaande huur zal ontvangen. Ook verwijst zij daarbij nogmaals naar de stelling dat zij de verhuiskostenvergoeding slechts uit coulance heeft toegekend. Dit verweer slaagt niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft Stadgenoot bij conclusie erkend dat [betrokkene] voor een verhuiskostenvergoeding in aanmerking komt. Van een uitkering uit coulance is daarmee geen sprake. Daarnaast betekent het enkele feit dat [betrokkene] een huurschuld heeft niet dat betaling van de verhuiskostenvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarvoor zijn bijkomende, bijzondere omstandigheden vereist en deze zijn onvoldoende gebleken. De aankondiging van een mogelijk schuldsaneringstraject voldoet daartoe niet, hoewel begrijpelijk is dat dit traject voor Stadgenoot mogelijk nadelig zal zijn. Daarbij weegt ook mee dat de verhuiskostenvergoeding en de huurpenningen twee op zichzelf staande geldbedragen zijn met een geheel eigen karakter. Stadgenoot heeft verder gesteld dat [betrokkene] van de verhuiskostenvergoeding nieuwe meubels zal aanschaffen, terwijl de vergoeding daarvoor niet is bedoeld. Gelet op hetgeen [betrokkene] ter zitting heeft verklaard is echter niet gebleken dat de verhuiskostenvergoeding voor oneigenlijke doelen is aangewend. Hetgeen Stadgenoot in het kader van dit verweer verder nog heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel.
4.8.
Ter zitting heeft Stadgenoot nog gesteld dat mogelijk sprake is van Paulianeus handelen. Naar de kantonrechter begrijpt doelt Stadgenoot daarmee op artikel 3:45 BW Pro. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, omdat Stadgenoot aan deze stelling geen rechtsgevolgen heeft verbonden. Daarbij komt dat [eiser] deze stellingen gemotiveerd heeft betwist.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Stadgenoot aan [eiser] de verhuiskostenvergoeding moet uitkeren. Stadgenoot zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 7.428,00.
4.10.
De gevorderde wettelijke rente wordt als niet weersproken toegewezen vanaf 24 september 2024.
4.11.
Stadgenoot is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Stadgenoot niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
67,50
Totaal
835,50
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Stadgenoot om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.428,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van 24 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Stadgenoot in de proceskosten van € 835,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt Stadgenoot tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 in tegenwoordigheid van mr. K. Hart, de griffier.
66531