ECLI:NL:RBAMS:2025:10663

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
81-306924-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van feitelijk bestuurder voor faillissementsfraude en belastingfraude in de taxibranche

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die als feitelijk bestuurder van twee taxibedrijven gedurende meer dan drie jaar betrokken was bij het buitensporig vervreemden van geldbedragen en taxi's. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. De rechtbank oordeelde dat de verdachte samen met een medeverdachte grote geldbedragen naar zichzelf en familie heeft overgemaakt, wat leidde tot ernstige benadeling van de rechtspersonen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door niet te voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen tijdens het faillissement van een van de bedrijven en opzettelijk onjuiste belastingaangiften te doen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, ondanks dat hij formeel geen bestuurder was, feitelijk de leiding had over de bedrijven en dat zijn handelen heeft geleid tot een benadeling van de Staat der Nederlanden. De rechtbank heeft de strafeis van de officier van justitie gevolgd, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81-306924-22
Datum uitspraak: 18 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ben Tarraf, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat
Feit 1: hij in de periode van 18 november 2016 tot en met 26 september 2019– tezamen en in vereniging met ander(en) – als (feitelijk) bestuurder van [taxibedrijf 1] BV en/of [taxibedrijf 2] BV, buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven, vervreemd, dan wel hieraan heeft medegewerkt of daaraan zijn toestemming heeft gegeven met het oogmerk om zich of een ander te bevoordelen, ten gevolge waarvan die rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden en het voortbestaan in gevaar is gekomen;
Feit 2: hij in de periode van 24 juli 2017 tot en met 13 september 2022, als bestuurder van [taxibedrijf 3] BV, tijdens het faillissement opzettelijk niet terstond gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers in ongeschonden vorm aan de curator heeft verstrekt
en/of
tijdens het faillissement van de rechtspersoon en/of voor dat faillissement opzettelijk niet heeft voldaan aan het voeren van administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;
Feit 3: [taxibedrijf 3] BV in de periode van 13 juni 2018 tot en met 25 november 2019 telkens opzettelijk de aangiften loonheffing ten name van [taxibedrijf 3] BV over de tijdvakken oktober 2017 t/m april 2018 en oktober 2018 t/m oktober 2019 onjuist of onvolledig heeft gedaan door een onjuist bedrag aan belastbaar loon/te betalen loonheffingen op te geven en/of doen/laten opgeven terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen hiervan verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan de verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
De rechtbank merkt op dat in het onder feit 2 primair ten laste gelegde als datum van faillissement van [taxibedrijf 3] BV 3 november 2017 wordt genoemd. De rechtbank merkt het voorgaande aan als een kennelijke verschrijving nu [taxibedrijf 3] BV op 3 november 2020 failliet is verklaard en zij zal de tenlastelegging dan ook op dit punt verbeterd lezen. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 3 vindt de officier van justitie een periode van januari 2019 tot en met november 2019 bewijsbaar.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1:
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Er kan niet zonder redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte in de tenlastegelegde periode bestuurder, dan wel feitelijk bestuurder, is geweest van [taxibedrijf 1] B.V. en [taxibedrijf 2] B.V. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat – indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel feitelijk bestuurder is geweest –het dossier onvoldoende bewijs bevat om vast te stellen dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zichzelf of een ander te bevoordelen.
Feit 2:
De verdediging bepleit primair vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde nu het vereiste (voorwaardelijk) opzet hiertoe bij verdachte ontbreekt. Verdachte heeft niet willen bewerkstelligen dat niet werd voldaan aan de administratieplicht. Hij heeft verschillende stukken aangeleverd bij de boekhouder en was in de veronderstelling dat de door hem aangeleverde stukken volstonden om aangifte te kunnen doen. Verdachte heeft stukken aangeleverd die niet door de boekhouder zijn verwerkt. Hij heeft de aanmerkelijke kans op het schenden van de wettelijke verplichtingen dus niet bewust aanvaard.
Wanneer de rechtbank aanneemt dat sprake is van een schending van de administratieplicht meent de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken van de afgifteplicht. Wanneer er geen (bewaarde) administratie aanwezig is kan de afgifteplicht ook niet worden geschonden indien deze niet wordt afgegeven.
Feit 3:
Indien het feit kan worden bewezen dan moet worden uitgegaan van de maanden in 2019.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aanleiding
Bij de FIOD is in de eerste helft van 2019 een melding binnengekomen van belasting- en premiefraude binnen de taxibranche in Amsterdam. Hierbij werd de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’ genoemd. Met ‘ [bijnaam verdachte] ’ werd, volgens de melding, verdachte bedoeld. Naar aanleiding van deze melding is onderzoek ‘Teak’ gestart in september 2019. In dit onderzoek zijn meerdere besloten vennootschappen naar voren gekomen die taxidiensten verrichten via Uber. Uber ontving daarvoor een fee van 26% van de ritprijs, ex BTW. Op basis van informatie van de Inspectie Leefomgeving en Trasport (ILD) stelt de FIOD vast dat het vrijwel onmogelijk is om als taxi onderneming met chauffeurs in loondienst winst te maken als er ritten worden gereden via Uber, vanwege de hoge loonkosten en sociale lasten. De meeste taxichauffeurs die via Uber rijden hebben zelf een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een taxivergunning en een taxi. Uber betaalt tussen de 70 en 75 procent van de ritprijzen wekelijks uit aan de ZZP'ers of aan een taxi onderneming die daarvan dan weer de chauffeurs betaalt. Indien een chauffeur in loondienst is moeten er een werkgeversverklaring en salarisspecificaties zijn. Om gebruik te kunnen maken van de taxi vergunning van een taxi onderneming moet de taxichauffeur in loondienst zijn of een ZZP'er zijn die factureert aan de taxi onderneming en rijdt voor rekening en risico van die onderneming.
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Feit 1:
[taxibedrijf 1] BV (hierna: [taxibedrijf 1] ) is opgericht op 18 november 2016 en stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel in Amsterdam. Uit het handelsregister volgt dat van 18 november 2016 tot 1 maart 2017 [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als enig aandeelhouder en bestuurder was ingeschreven. [2] Per 1 maart 2017 was [naam 2] (hierna: [naam 2] ) als bestuurder ingeschreven. De rechtspersoon is met ingang van 30 oktober 2019 ambtshalve ontbonden door de Kamer van Koophandel omdat geen aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend. [3]
[naam 1] heeft verklaard dat heeft gewerkt bij [taxibedrijf 1] . ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ hebben het idee geopperd om hem bestuurder van [taxibedrijf 1] te maken. Hij is bij de notaris geweest en ook heeft hij de bankrekening met nummer [nummer 1] geopend. ‘ [bijnaam verdachte] ’ of ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ hebben die afspraken gemaakt. Het betaalpasje is naar hun kantoor gestuurd en zij zijn de bazen van [taxibedrijf 1] en bepaalden alles. Hij weet niets van arbeidscontracten of overboekingen en had ook geen toegang tot de rekening van [taxibedrijf 1] . [naam 1] weet niets van de bedrijfsvoering van [taxibedrijf 1] . Hij was enkel taxichauffeur en werd contant betaald door ‘ [bijnaam verdachte] ’ of ‘ [bijnaam medeverdachte] ’. Hij herkent op de door de politie getoonde foto’s verdachte als ‘ [bijnaam verdachte] ’ en de medeverdachte [medeverdachte] als ‘ [bijnaam medeverdachte] ’. [4]
[naam 2] heeft verklaard dat hij een lege BV heeft overgenomen voor € 1,-. Verdachte is voor hem naar de notaris geweest. Hij heeft geen werkzaamheden verricht voor [taxibedrijf 1] en hij had ook geen toegang tot de bankrekening van het bedrijf. [5]
[naam 3] (hierna: [naam 3] ) heeft verklaard dat hij als boekhouder heeft gewerkt voor [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] BV (hierna: [taxibedrijf 2] ). Hij heeft onder meer de aangiften omzetbelasting gedaan. Hiervoor had hij contact met ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ of ‘ [bijnaam verdachte] ’ die hem de map met de omzet- en kostenfacturen brachten. Als ze personeel hadden dan kreeg hij van ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ of ‘ [bijnaam verdachte] ’ door wie hoeveel uur had gewerkt en maakte hij de salarisstrook op. [naam 3] herkent verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op de foto’s die van hen zijn getoond. [6]
[taxibedrijf 2] is opgericht op 13 maart 2018 en stond ingeschreven in het handelsregister Eindhoven. De rechtspersoon is ontbonden op 26 september 2019, na voorgaande ambtshalve opheffing van de onderneming. [7] [naam 4] (hierna: [naam 4] ) is vanaf 13 maart 2018 als enig aandeelhouder en bestuurder geregistreerd. [8]
[naam 4] heeft verklaard dat hij voor [taxibedrijf 2] werkte als taxichauffeur. Hij is met ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ en ‘ [bijnaam verdachte] ’ bij de notaris geweest om het bedrijf te starten. [naam 4] heeft de bankrekening van [taxibedrijf 2] geopend en de betaalpas afgegeven aan ‘ [bijnaam verdachte] ’ of ‘ [bijnaam medeverdachte] ’. Verder heeft hij niets gezien van de bankrekening en ook geen bankpas ontvangen. Alles ging naar Eindhoven, naar ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte] ’. Het papierwerk werd door hen gedaan. Zij hebben [naam 4] gezegd dat hij eigenaar was maar hij heeft hier niets voor gedaan. Ook heeft hij niemand aangenomen. ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ waren de leiders van [taxibedrijf 2] . [naam 4] herkent verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op de foto’s die van hen zijn getoond. [9]
[taxibedrijf 1]
Vanaf 22 november 2016 zijn voertuigen geregistreerd bij de Rijkdienst voor Wegverkeer (RDW) op naam van [taxibedrijf 1] . In de tenlastegelegde periode zijn vijf van deze voertuigen overgedragen aan [naam 5] , vier voertuigen zijn overgedragen aan verdachte, zeven voertuigen zijn overgedragen aan [taxibedrijf 4] B.V. en elf voertuigen zijn overgedragen aan [taxibedrijf 3] B.V. (hierna [taxibedrijf 3] ). [10] Na analyse van de bankrekening op naam van [taxibedrijf 1] ( [nummer 1] ) [11] zijn geen betalingen aangetroffen aan [taxibedrijf 1] die betrekking hebben op de verkoop van voornoemde voertuigen. [12]
Geldbedragen [taxibedrijf 1]
Op de bankrekening van [taxibedrijf 1] is in de periode van 26 januari 2017 tot en met 18 juli 2017 een totaalbedrag van € 1.163.564,12 ontvangen van Uber. [13] Van de rekening van [taxibedrijf 1] zijn meerdere geldbedragen overgemaakt. In totaal is een bedrag van € 100.247,- in de periode van 2 februari 2017 tot en met 9 oktober 2017 overgemaakt naar bankrekeningen op naam van [de verdachte] / [naam 6] . Naar de rekening op naam van [medeverdachte] is vanaf de rekening van [taxibedrijf 1] in de ten laste gelegde periode een totaalbedrag van € 99.150,- overgemaakt. Een bedrag van € 17.045,- is in deze periode overgemaakt naar de bankrekening op naam van [naam 7] . In de periode van 26 januari 2017 tot en met 3 oktober 2017 is een totaalbedrag van € 18.558,- overgemaakt op de bankrekening van [naam 8] / [naam 9] .
Taxi’s Meerland
In totaal zijn er in de periode van 11 oktober 2018 tot en met 14 januari 2019 24 auto’s overgeschreven van [taxibedrijf 2] naar [taxibedrijf 3] B.V. (hierna: [taxibedrijf 3] ).
Op de bankrekening op naam van [taxibedrijf 2] ( [nummer 2] ) zijn geen mutaties aangetroffen waaruit op te maken zou zijn dat betaald is door [taxibedrijf 3] voor de overname van de auto's. [14]
Geldbedragen [taxibedrijf 2]
Op de bankrekening van [taxibedrijf 2] is in de periode van 15 mei 2018 tot en met 22 oktober 2018 een totaalbedrag van € 802.015,76 ontvangen van Uber. Van de bankrekening van [taxibedrijf 2] zijn meerdere bedragen overgemaakt naar natuurlijke personen. Zo is een totaalbedrag van € 48.215,50 overgemaakt op de bankrekening van verdachte en/of [naam 6] . Een totaalbedrag van € 43.856,- is overgemaakt op de bankrekening van [medeverdachte] / [naam 7] . Naar de bankrekening van [naam 5] is een totaalbedrag van
€ 17.523,- overgemaakt en naar de bankrekening van [naam 8] is vanaf de rekening van [taxibedrijf 2] een totaalbedrag van € 82.115,- overgemaakt. Voornoemde personen zijn niet in loondienst geweest bij [taxibedrijf 1] . [15]
Bewijsoverwegingen:
Feitelijk bestuurder
Op basis van de verklaringen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met de medeverdachte, de bestuurders waren van deze [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] . De rechtbank acht de verklaringen van deze getuigen betrouwbaar nu zij op grote punten gelijkluidend zijn, hun verklaringen elkaar bevestigen en ook passen in de werkwijze bij de opvolgende vennootschappen zoals dat uit de rest van het procesdossier volgt. De getuigen wijzen zonder uitzondering verdachte en de medeverdachte aan als de bazen van [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] . Zij verklaren dat het verdachte en/of de medeverdachte was die de arbeidscontracten maakten, lonen betaalden, de administratie bij de boekhouder aanleverden en de leiding hadden binnen het bedrijf. Zij waren niet afhankelijk van instructies van anderen en bepaalden het beleid binnen de bedrijven. Zij verklaren niet over anderen die dit binnen de bedrijven deden. De drie personen die als bestuurders bij de Kamer van Koophandel waren ingeschreven, verklaren dat zij deze bevoegdheden niet hadden en dat zij niet bij de bankpasjes van de vennootschappen beschikten, niet over de arbeidscontracten of lonen beschikten en verder geen bemoeienis in het bedrijf hadden. Hun verklaringen vinden ook steun in de grote overboekingen van de bankrekeningen van de vennootschappen naar (familieleden van) verdachte en zijn medeverdachte. Onder bestuurder van een rechtspersoon wordt ook verstaan degenen die feitelijk optreden als bestuurder van een rechtspersoon. Hoewel verdachte en de medeverdachte ten tijde van de ten laste gelegde formeel geen bestuurders waren van [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] is de rechtbank, gelet op het voorgaande, van oordeel dat hun rol binnen deze bedrijven van dusdanige betekenis is geweest dat zij kunnen worden gelijkgesteld aan een bestuurder en dus als feitelijke bestuurders moeten worden aangemerkt.
Horen [naam 2]
De verdediging heeft voorwaardelijk het verzoek gedaan om [naam 2] te horen als getuige. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat [naam 2] binnen afzienbare tijd kan worden gehoord. De rechter-commissaris heeft meermalen geprobeerd [naam 2] te horen en dit is niet gelukt. De rechtbank overweegt dat de verklaring van [naam 2] steun vindt in de andere verklaringen die als bewijsmiddel zijn opgenomen.
Auto’s
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat AMB-012 een relaas betreft zonder nadere onderbouwing. De rechtbank overweegt dat dit proces-verbaal is opgesteld naar aanleiding van gegevens van de RDW. Op dit proces-verbaal is een correctie gekomen (AMB-012a) maar die ziet op het eigenaarschap van auto’s buiten de ten laste gelegde periode. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding, en de verdediging heeft deze ook niet gegeven, om aan te nemen dat AMB-012 onjuist is en dat de inhoud hiervan niet klopt. Het enkele ontbreken van brondocumenten maakt dat niet anders.
Overboekingen
De verdediging heeft betoogd dat de overboekingen legitiem zijn en een verklaarbare achtergrond hebben, namelijk salarisbetalingen. Dat de overboekingen naar de bankrekeningen van verdachte en de medeverdachten salaris als taxichauffeur betreffen acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de hoogte van het bedrag dat in slechts enkele maanden tijd is overgemaakt. Bovendien worden daarmee niet de overboekingen naar familieleden van verdachte en de medeverdachte verklaard.
Oogmerk op bevoordeling
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk had om zichzelf of een ander te bevoordelen. Uit het dossier volgt dat verdachten de bedrijven leeg achter hebben gelaten door al het geld naar henzelf of hun familieleden over te boeken. De rechtbank is van oordeel dat hieruit wel degelijk volgt dat verdachte, en de medeverdachte, het oogmerk hadden om zichzelf te bevoordelen. Door dit handelen werden bovendien de leeggetrokken rechtspersonen ernstig benadeeld en zijn uiteindelijk zonder baten ontbonden.
Vrijspraak contante opnames
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de 191 contante geldopnames van de bankrekening van [taxibedrijf 1] en de 159 contante opnames van de bankrekening van [taxibedrijf 2] . Verdachte en meerdere taxichauffeurs hebben verklaard dat de taxichauffeurs contant hun loon uitbetaald kregen. De rechtbank acht het aannemelijk dat het bedrag, dat – na de overboekingen – overbleef op de rekeningen en is opgenomen, is uitbetaald aan de taxichauffeurs. Zij kan dan ook niet vaststellen dat verdachte, en de medeverdachte, deze geldbedragen buitensporig van de rechtspersonen hebben gebruikt.
Feit 2:
[taxibedrijf 3] , vestigingsplaats Amsterdam, is opgericht op 24 juli 2017 en verdachte is sinds de oprichting bestuurder en enig aandeelhouder. [16] Bij vonnis van 3 november 2020 is het faillissement van [taxibedrijf 3] uitgesproken. [17]
[curator] (hierna: de curator) is aangesteld als curator in dit faillissement. De curator is als getuige gehoord en hij verklaart dat hij verdachte meermalen heeft gewezen op de administratie- en inlichtingenplicht na faillissement. De curator heeft de benodigde administratie en inlichtingen niet ontvangen waarna hij aangifte heeft gedaan van faillissementsfraude. [18]
Op 11 november 2020 heeft de curator een e-mail aan verdachte gezonden waarin wordt uitgelegd wat de inlichtingenplicht inhoudt en hij noemt hierin een lijst met de stukken die hij wenst te ontvangen. Ook wijst hij verdachte op de verplichting om persoonlijk de administratie volledig, ongeschonden en inzichtelijk bij de curator af te leveren. [19]
Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij bestuurder was van [taxibedrijf 3] . Hij heeft gesproken met de curator en hij erkent dat de administratie niet helemaal goed is gegaan en beter had gekund. [20]
[naam 3] heeft verklaard dat hij de omzet- en kostenfacturen van verdachte kreeg. [21]
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte tijdens het faillissement van [taxibedrijf 3] niet terstond de administratie aan de curator heeft verstrekt en voor én tijdens het faillissement van [taxibedrijf 3] opzettelijk niet heeft voldaan aan het voeren van administratie en het bewaren hiervan waardoor de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt. De curator heeft geen administratie ontvangen van [taxibedrijf 3] .
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat verdachte niet wist dat hij de administratie moest verstrekken en geen opzet op dit feit had nu de curator hier meermalen om heeft verzocht en je als bestuurder van een rechtspersoon bent gehouden om een goede administratie te voeren. Door dit niet te doen is al sprake van opzet. Verder voert de verdediging aan dat er administratie bij de boekhouder zou liggen maar dat de boekhouder weg was waardoor verdachte de administratie niet kon opvragen. De rechtbank verwerpt dit verweer nu verdachte dit niet eerder heeft gezegd tegen de curator, de boekhouder intussen door de FIOD en bij de rechter-commissaris is gehoord en het op de weg van verdachte had gelegen om er zorg voor te dragen dat de administratie aan de curator zou worden verstrekt.
Feit 3:
Zoals onder feit 2 is besproken was verdachte de bestuurder van [taxibedrijf 3] . [22] [taxibedrijf 3] was met ingang van 24 juli 2025 maandelijks inhoudingsplichtig voor loonheffing. [23] Voor [taxibedrijf 3] zijn aangiften loonheffing door de boekhouder ingediend over de maanden januari 2019 tot en met oktober 2019. [24] In totaal is er voor [taxibedrijf 3] over voornoemde periode op de aangiften een totaalbedrag van € 30.425,- aan brutoloon opgegeven en is een bedrag van € 7.255,- aan loonheffing berekend. [25] Uit de gevorderde gegevens van Uber blijkt dat er in de periode van januari 2019 tot en met oktober 2019 meer taxichauffeurs voor [taxibedrijf 3] hebben gereden en Uber meer geld hiervoor heeft overgemaakt. Gemiddeld reden er voor verdachte/ [taxibedrijf 3] 33 á 34 chauffeurs per maand in de periode van januari 2019 tot en met oktober 2019. Uber heeft in deze maanden een totaalbedrag (minus de Uber fee) van € 996.005,88 overgemaakt. [26] Hieruit concludeert de Belastingdienst dat de aangiften loonheffing niet overeenstemmen met de werkelijkheid bij [taxibedrijf 3] . [27]
Verdachte heeft bekend dat hij meer dan de aangegeven chauffeurs in dienst had en de aangiften loonbelasting van de maanden januari 2019 tot en met oktober 2019 telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan waardoor de Belastingdienst werd benadeeld. [28]
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen – waaronder de verklaring van verdachte – vast dat verdachte als bestuurder van [taxibedrijf 3] in de periode van januari 2019 tot en met oktober 2019 opzettelijk opdracht heeft gegeven om aangiften loonheffing onjuist en onvolledig te doen.
Vrijspraak oktober 2017 tot en met december 2018
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het opzettelijk doen van onjuist en onvolledig aangifte loonheffing in de periode oktober 2017 tot en met december 2018 nu in die periode niet kan worden vastgesteld dat [taxibedrijf 3] de beschikking over taxi’s had en taxichauffeurs in dienst had die voor Uber reden.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1:
in de periode van 18 november 2016 tot en met 26 september 2019, in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander als feitelijk bestuurder van [taxibedrijf 1] B.V. en [taxibedrijf 2] B.V., buitensporig middelen van deze rechtspersonen heeft vervreemd, met het oogmerk om zich of een ander te bevoordelen, immers hebben verdachte en zijn mededader
A.
- vijf voertuigen, op naam van [taxibedrijf 1] B.V. om niet overgedragen aan [naam 5] en
- vier voertuigen, op naam van [taxibedrijf 1] B.V. om niet overgedragen aan [de verdachte] en
- zeven voertuigen, op naam van [taxibedrijf 1] B.V. om niet overgedragen aan [taxibedrijf 4] B.V en
- elf voertuigen, op naam van [taxibedrijf 1] B.V. om niet overgedragen aan [taxibedrijf 3] B.V. en
- geldbedragen tot een totaal van euro 100.247 overgemaakt van bankrekening [nummer 1] ten name van [taxibedrijf 1] B.V. naar bankrekeningen ten name van [de verdachte] / [naam 6] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 99.150 overgemaakt van bankrekening [nummer 1] ten name van [taxibedrijf 1] B.V. naar een bankrekening ten name van [medeverdachte] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 17.045 overgemaakt van bankrekening [nummer 1] ten name van [taxibedrijf 1] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam 7] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 18.558 overgemaakt van bankrekening [nummer 1] ten name van [taxibedrijf 1] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam 8] / [naam 9] en
B.
- vierentwintig voertuigen, op naam van [taxibedrijf 2] B.V. om niet overgedragen aan [taxibedrijf 3] B.V. en
- geldbedragen tot een totaal van euro 48.163 overgemaakt van
bankrekening [nummer 2] ten name van [taxibedrijf 2] B.V. naar
bankrekeningen ten name van [de verdachte] (verdachte)/ [naam 6] en/of
- geldbedragen tot een totaal van euro 25.360 overgemaakt van bankrekening [nummer 2] ten name van [taxibedrijf 2] B.V. naar een bankrekening ten name van [medeverdachte] / [naam 7] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 17.523 overgemaakt van bankrekening [nummer 2] ten name van [taxibedrijf 2] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam 5] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 82.115 overgemaakt van bankrekening [nummer 2] ten name van [taxibedrijf 2] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam 8] ,
ten gevolge waarvan die rechtspersonen ernstig nadeel hebben ondervonden en het voortbestaan in gevaar is gekomen;
Feit 2:
in de periode van 24 juli 2017 tot en met 13 september 2022 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten: [taxibedrijf 3] B.V., welke bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam, op 3 november 2020 in staat van faillissement is verklaard, tijdens het faillissement van de rechtspersoon desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm aan de curator heeft verstrekt en tijdens het faillissement van de rechtspersoon en voor dat faillissement,
opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de
wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge
waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;
Feit 3:
[taxibedrijf 3] B.V. op tijdstippen in de periode van 13 juni 2018 tot en met 25 november 2019 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de loonheffing ten name van [taxibedrijf 3] B.V. over de aangiftetijdvakken januari 2019 (DOC-129) en/of februari 2019 (DOC-130) en/of maart 2019 (DOC-131) en/of april 2019 (DOC-132) en/of mei 2019 (DOC-133) en/of juni 2019 (DOC-134) en/of juli 2019 (DOC-135) en/of augustus 2019 (DOC-136) en/of september 2019 (DOC-137) en/of oktober 2019 (DOC-138) telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan en/of heeft laten doen, door telkens op de ingeleverde/ingediende aangifte een onjuist bedrag aan belastbaar loon/te betalen loonheffingen op te geven en/of te doen/laten opgeven, terwijl dat feit (telkens ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens opdracht heeft gegeven

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. De officier van justitie houdt in zijn eis rekening met een overschrijding van de redelijke termijn.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het nadeel dat de Belastingdienst zou hebben geleden niet kan worden vastgesteld en dat dit in ieder geval een stuk lager ligt dan de inspecteur van de Belastingdienst heeft vastgesteld.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als feitelijk bestuurder van twee rechtspersonen gedurende meer dan drie jaar in vereniging schuldig gemaakt aan het buitensporig vervreemden van geldbedragen en taxi’s door grote geldbedragen naar zichzelf, de medeverdachte en familie over te maken en de taxi’s om niet over te dragen. Door zo te handelen zijn de rechtspersonen ernstig benadeeld. Indirect is ook de Staat der Nederlanden, en daarmee de samenleving benadeeld, omdat de rechtspersonen door dit handelen geen middelen meer hadden om de verschuldigde belastingen te voldoen. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door als bestuurder niet te voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen voor, na en tijdens het faillissement en heeft hij opzettelijk opdracht gegeven om onjuiste en onvolledige belastingaangifte te doen. Ook door dit handelen is te weinig belasting afgedragen waarmee de samenleving is benadeeld.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 10 november 2025. Hieruit volgt dat verdachte sinds 2010 niet meer met justitie in aanraking is geweest. Dit levert dus geen strafverzwarende of strafverminderende omstandigheid op.
Uitgangspunten voor de strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken en gerechtshoven ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, hebben de rechtbanken en gerechtshoven oriëntatiepunten opgesteld. Bij het bepalen van de straf past de rechtbank het oriëntatiepunt voor fraude toe en houdt daarbij rekening met de hoogte van het benadelingsbedrag van
€ 1.300.000,-, dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld. Het oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- of hoger is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden tot een maximale gevangenisstraf.
Overschrijding redelijke termijn
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat de feiten dateren uit de periode van 2016 tot en met 2019 en dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij kan gedacht worden aan de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte of zijn advocaat op het procesverloop en de manier waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Op 13 september 2022 is verdachte gehoord. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak vanaf deze datum de redelijke termijn is gaan lopen. Dit betekent dat de zaak in september 2024 afgerond had moeten zijn. Ondanks dat het een groot onderzoek was, gaat de rechtbank uit van een overschrijding van de redelijke termijn van 15 maanden.
Strafmaat
Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie en legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 24 maanden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 51, 57, 344a, 347 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1het medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, buiten het geval van art. 342 en 343, buitensporig middelen vervreemden, ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden en het voorbestaan in gevaar is gekomen, meermalen gepleegd
Feit 2als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken
en
als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon en voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd opzettelijk niet voldoen of bewerkstelligen dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt
Feit 3opdracht geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezen strafbaar.
Verklaart verdachte, [de verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mr. J.M.R. Vastenburg en mr. E.J. Weller, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.
[--]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (Teak) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met ‘DOC’ aangeduide bewijsmiddelen zijn geschriften.
2.DOC-024.
3.DOC-188, p. 36.
4.G-006-01.
5.AMB-023, p. 2.
6.G-003-01.
7.DOC-006.
8.DOC-189, p. 25.
9.G-005-01.
10.AMB-012, met bijlage.
11.DOC-513, p. 3.
12.AMB-026 en DOC-516.
13.DOC-516.
14.AMB-025, p. 3.
15.AMB-025.
16.DOC-003.
17.DOC-173.
18.G-002-01.
19.DOC-175.
20.Verklaring verdachte ter terechtzitting van 4 december 2025.
21.G-003-01.
22.DOC-003.
23.AMB-001.
24.DOC-129 tot en met DOC-138.
25.AMB-007.
26.AMB-032, p. 15.
27.DOC-162 tot en met DOC-171.
28.Verklaring verdachte ter terechtzitting 4 december 2025.