3.3.Het oordeel van de rechtbank
Aanleiding
Bij de FIOD is in de eerste helft van 2019 een melding binnengekomen van belasting- en premiefraude binnen de taxibranche in Amsterdam. Hierbij werd de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’ genoemd. Met ‘ [bijnaam verdachte] ’ werd, volgens de melding, verdachte bedoeld. Naar aanleiding van deze melding is onderzoek ‘Teak’ gestart in september 2019. In dit onderzoek zijn meerdere besloten vennootschappen naar voren gekomen die taxidiensten verrichten via Uber. Uber ontving daarvoor een fee van 26% van de ritprijs, ex BTW. Op basis van informatie van de Inspectie Leefomgeving en Trasport (ILD) stelt de FIOD vast dat het vrijwel onmogelijk is om als taxi onderneming met chauffeurs in loondienst winst te maken als er ritten worden gereden via Uber, vanwege de hoge loonkosten en sociale lasten. De meeste taxichauffeurs die via Uber rijden hebben zelf een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een taxivergunning en een taxi. Uber betaalt tussen de 70 en 75 procent van de ritprijzen wekelijks uit aan de ZZP'ers of aan een taxi onderneming die daarvan dan weer de chauffeurs betaalt. Indien een chauffeur in loondienst is moeten er een werkgeversverklaring en salarisspecificaties zijn. Om gebruik te kunnen maken van de taxi vergunning van een taxi onderneming moet de taxichauffeur in loondienst zijn of een ZZP'er zijn die factureert aan de taxi onderneming en rijdt voor rekening en risico van die onderneming.
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Feit 1:
[taxibedrijf 1] BV (hierna: [taxibedrijf 1] ) is opgericht op 18 november 2016 en stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel in Amsterdam. Uit het handelsregister volgt dat van 18 november 2016 tot 1 maart 2017 [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als enig aandeelhouder en bestuurder was ingeschreven.Per 1 maart 2017 was [naam 2] (hierna: [naam 2] ) als bestuurder ingeschreven. De rechtspersoon is met ingang van 30 oktober 2019 ambtshalve ontbonden door de Kamer van Koophandel omdat geen aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend.
[naam 1] heeft verklaard dat heeft gewerkt bij [taxibedrijf 1] . ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ hebben het idee geopperd om hem bestuurder van [taxibedrijf 1] te maken. Hij is bij de notaris geweest en ook heeft hij de bankrekening met nummer [nummer 1] geopend. ‘ [bijnaam verdachte] ’ of ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ hebben die afspraken gemaakt. Het betaalpasje is naar hun kantoor gestuurd en zij zijn de bazen van [taxibedrijf 1] en bepaalden alles. Hij weet niets van arbeidscontracten of overboekingen en had ook geen toegang tot de rekening van [taxibedrijf 1] . [naam 1] weet niets van de bedrijfsvoering van [taxibedrijf 1] . Hij was enkel taxichauffeur en werd contant betaald door ‘ [bijnaam verdachte] ’ of ‘ [bijnaam medeverdachte] ’. Hij herkent op de door de politie getoonde foto’s verdachte als ‘ [bijnaam verdachte] ’ en de medeverdachte [medeverdachte] als ‘ [bijnaam medeverdachte] ’.
[naam 2] heeft verklaard dat hij een lege BV heeft overgenomen voor € 1,-. Verdachte is voor hem naar de notaris geweest. Hij heeft geen werkzaamheden verricht voor [taxibedrijf 1] en hij had ook geen toegang tot de bankrekening van het bedrijf.
[naam 3] (hierna: [naam 3] ) heeft verklaard dat hij als boekhouder heeft gewerkt voor [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] BV (hierna: [taxibedrijf 2] ). Hij heeft onder meer de aangiften omzetbelasting gedaan. Hiervoor had hij contact met ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ of ‘ [bijnaam verdachte] ’ die hem de map met de omzet- en kostenfacturen brachten. Als ze personeel hadden dan kreeg hij van ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ of ‘ [bijnaam verdachte] ’ door wie hoeveel uur had gewerkt en maakte hij de salarisstrook op. [naam 3] herkent verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op de foto’s die van hen zijn getoond.
[taxibedrijf 2] is opgericht op 13 maart 2018 en stond ingeschreven in het handelsregister Eindhoven. De rechtspersoon is ontbonden op 26 september 2019, na voorgaande ambtshalve opheffing van de onderneming.[naam 4] (hierna: [naam 4] ) is vanaf 13 maart 2018 als enig aandeelhouder en bestuurder geregistreerd.
[naam 4] heeft verklaard dat hij voor [taxibedrijf 2] werkte als taxichauffeur. Hij is met ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ en ‘ [bijnaam verdachte] ’ bij de notaris geweest om het bedrijf te starten. [naam 4] heeft de bankrekening van [taxibedrijf 2] geopend en de betaalpas afgegeven aan ‘ [bijnaam verdachte] ’ of ‘ [bijnaam medeverdachte] ’. Verder heeft hij niets gezien van de bankrekening en ook geen bankpas ontvangen. Alles ging naar Eindhoven, naar ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte] ’. Het papierwerk werd door hen gedaan. Zij hebben [naam 4] gezegd dat hij eigenaar was maar hij heeft hier niets voor gedaan. Ook heeft hij niemand aangenomen. ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ waren de leiders van [taxibedrijf 2] . [naam 4] herkent verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op de foto’s die van hen zijn getoond.
[taxibedrijf 1]
Vanaf 22 november 2016 zijn voertuigen geregistreerd bij de Rijkdienst voor Wegverkeer (RDW) op naam van [taxibedrijf 1] . In de tenlastegelegde periode zijn vijf van deze voertuigen overgedragen aan [naam 5] , vier voertuigen zijn overgedragen aan verdachte, zeven voertuigen zijn overgedragen aan [taxibedrijf 4] B.V. en elf voertuigen zijn overgedragen aan [taxibedrijf 3] B.V. (hierna [taxibedrijf 3] ).Na analyse van de bankrekening op naam van [taxibedrijf 1] ( [nummer 1] )zijn geen betalingen aangetroffen aan [taxibedrijf 1] die betrekking hebben op de verkoop van voornoemde voertuigen.
Geldbedragen [taxibedrijf 1]
Op de bankrekening van [taxibedrijf 1] is in de periode van 26 januari 2017 tot en met 18 juli 2017 een totaalbedrag van € 1.163.564,12 ontvangen van Uber.Van de rekening van [taxibedrijf 1] zijn meerdere geldbedragen overgemaakt. In totaal is een bedrag van € 100.247,- in de periode van 2 februari 2017 tot en met 9 oktober 2017 overgemaakt naar bankrekeningen op naam van [de verdachte] / [naam 6] . Naar de rekening op naam van [medeverdachte] is vanaf de rekening van [taxibedrijf 1] in de ten laste gelegde periode een totaalbedrag van € 99.150,- overgemaakt. Een bedrag van € 17.045,- is in deze periode overgemaakt naar de bankrekening op naam van [naam 7] . In de periode van 26 januari 2017 tot en met 3 oktober 2017 is een totaalbedrag van € 18.558,- overgemaakt op de bankrekening van [naam 8] / [naam 9] .
Taxi’s Meerland
In totaal zijn er in de periode van 11 oktober 2018 tot en met 14 januari 2019 24 auto’s overgeschreven van [taxibedrijf 2] naar [taxibedrijf 3] B.V. (hierna: [taxibedrijf 3] ).
Op de bankrekening op naam van [taxibedrijf 2] ( [nummer 2] ) zijn geen mutaties aangetroffen waaruit op te maken zou zijn dat betaald is door [taxibedrijf 3] voor de overname van de auto's.
Geldbedragen [taxibedrijf 2]
Op de bankrekening van [taxibedrijf 2] is in de periode van 15 mei 2018 tot en met 22 oktober 2018 een totaalbedrag van € 802.015,76 ontvangen van Uber. Van de bankrekening van [taxibedrijf 2] zijn meerdere bedragen overgemaakt naar natuurlijke personen. Zo is een totaalbedrag van € 48.215,50 overgemaakt op de bankrekening van verdachte en/of [naam 6] . Een totaalbedrag van € 43.856,- is overgemaakt op de bankrekening van [medeverdachte] / [naam 7] . Naar de bankrekening van [naam 5] is een totaalbedrag van
€ 17.523,- overgemaakt en naar de bankrekening van [naam 8] is vanaf de rekening van [taxibedrijf 2] een totaalbedrag van € 82.115,- overgemaakt. Voornoemde personen zijn niet in loondienst geweest bij [taxibedrijf 1] .
Bewijsoverwegingen:
Feitelijk bestuurder
Op basis van de verklaringen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met de medeverdachte, de bestuurders waren van deze [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] . De rechtbank acht de verklaringen van deze getuigen betrouwbaar nu zij op grote punten gelijkluidend zijn, hun verklaringen elkaar bevestigen en ook passen in de werkwijze bij de opvolgende vennootschappen zoals dat uit de rest van het procesdossier volgt. De getuigen wijzen zonder uitzondering verdachte en de medeverdachte aan als de bazen van [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] . Zij verklaren dat het verdachte en/of de medeverdachte was die de arbeidscontracten maakten, lonen betaalden, de administratie bij de boekhouder aanleverden en de leiding hadden binnen het bedrijf. Zij waren niet afhankelijk van instructies van anderen en bepaalden het beleid binnen de bedrijven. Zij verklaren niet over anderen die dit binnen de bedrijven deden. De drie personen die als bestuurders bij de Kamer van Koophandel waren ingeschreven, verklaren dat zij deze bevoegdheden niet hadden en dat zij niet bij de bankpasjes van de vennootschappen beschikten, niet over de arbeidscontracten of lonen beschikten en verder geen bemoeienis in het bedrijf hadden. Hun verklaringen vinden ook steun in de grote overboekingen van de bankrekeningen van de vennootschappen naar (familieleden van) verdachte en zijn medeverdachte. Onder bestuurder van een rechtspersoon wordt ook verstaan degenen die feitelijk optreden als bestuurder van een rechtspersoon. Hoewel verdachte en de medeverdachte ten tijde van de ten laste gelegde formeel geen bestuurders waren van [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] is de rechtbank, gelet op het voorgaande, van oordeel dat hun rol binnen deze bedrijven van dusdanige betekenis is geweest dat zij kunnen worden gelijkgesteld aan een bestuurder en dus als feitelijke bestuurders moeten worden aangemerkt.
Horen [naam 2]
De verdediging heeft voorwaardelijk het verzoek gedaan om [naam 2] te horen als getuige. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat [naam 2] binnen afzienbare tijd kan worden gehoord. De rechter-commissaris heeft meermalen geprobeerd [naam 2] te horen en dit is niet gelukt. De rechtbank overweegt dat de verklaring van [naam 2] steun vindt in de andere verklaringen die als bewijsmiddel zijn opgenomen.
Auto’s
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat AMB-012 een relaas betreft zonder nadere onderbouwing. De rechtbank overweegt dat dit proces-verbaal is opgesteld naar aanleiding van gegevens van de RDW. Op dit proces-verbaal is een correctie gekomen (AMB-012a) maar die ziet op het eigenaarschap van auto’s buiten de ten laste gelegde periode. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding, en de verdediging heeft deze ook niet gegeven, om aan te nemen dat AMB-012 onjuist is en dat de inhoud hiervan niet klopt. Het enkele ontbreken van brondocumenten maakt dat niet anders.
Overboekingen
De verdediging heeft betoogd dat de overboekingen legitiem zijn en een verklaarbare achtergrond hebben, namelijk salarisbetalingen. Dat de overboekingen naar de bankrekeningen van verdachte en de medeverdachten salaris als taxichauffeur betreffen acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de hoogte van het bedrag dat in slechts enkele maanden tijd is overgemaakt. Bovendien worden daarmee niet de overboekingen naar familieleden van verdachte en de medeverdachte verklaard.
Oogmerk op bevoordeling
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk had om zichzelf of een ander te bevoordelen. Uit het dossier volgt dat verdachten de bedrijven leeg achter hebben gelaten door al het geld naar henzelf of hun familieleden over te boeken. De rechtbank is van oordeel dat hieruit wel degelijk volgt dat verdachte, en de medeverdachte, het oogmerk hadden om zichzelf te bevoordelen. Door dit handelen werden bovendien de leeggetrokken rechtspersonen ernstig benadeeld en zijn uiteindelijk zonder baten ontbonden.
Vrijspraak contante opnames
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de 191 contante geldopnames van de bankrekening van [taxibedrijf 1] en de 159 contante opnames van de bankrekening van [taxibedrijf 2] . Verdachte en meerdere taxichauffeurs hebben verklaard dat de taxichauffeurs contant hun loon uitbetaald kregen. De rechtbank acht het aannemelijk dat het bedrag, dat – na de overboekingen – overbleef op de rekeningen en is opgenomen, is uitbetaald aan de taxichauffeurs. Zij kan dan ook niet vaststellen dat verdachte, en de medeverdachte, deze geldbedragen buitensporig van de rechtspersonen hebben gebruikt.
Feit 2:
[taxibedrijf 3] , vestigingsplaats Amsterdam, is opgericht op 24 juli 2017 en verdachte is sinds de oprichting bestuurder en enig aandeelhouder.Bij vonnis van 3 november 2020 is het faillissement van [taxibedrijf 3] uitgesproken.
[curator] (hierna: de curator) is aangesteld als curator in dit faillissement. De curator is als getuige gehoord en hij verklaart dat hij verdachte meermalen heeft gewezen op de administratie- en inlichtingenplicht na faillissement. De curator heeft de benodigde administratie en inlichtingen niet ontvangen waarna hij aangifte heeft gedaan van faillissementsfraude.
Op 11 november 2020 heeft de curator een e-mail aan verdachte gezonden waarin wordt uitgelegd wat de inlichtingenplicht inhoudt en hij noemt hierin een lijst met de stukken die hij wenst te ontvangen. Ook wijst hij verdachte op de verplichting om persoonlijk de administratie volledig, ongeschonden en inzichtelijk bij de curator af te leveren.
Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij bestuurder was van [taxibedrijf 3] . Hij heeft gesproken met de curator en hij erkent dat de administratie niet helemaal goed is gegaan en beter had gekund.
[naam 3] heeft verklaard dat hij de omzet- en kostenfacturen van verdachte kreeg.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte tijdens het faillissement van [taxibedrijf 3] niet terstond de administratie aan de curator heeft verstrekt en voor én tijdens het faillissement van [taxibedrijf 3] opzettelijk niet heeft voldaan aan het voeren van administratie en het bewaren hiervan waardoor de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt. De curator heeft geen administratie ontvangen van [taxibedrijf 3] .
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat verdachte niet wist dat hij de administratie moest verstrekken en geen opzet op dit feit had nu de curator hier meermalen om heeft verzocht en je als bestuurder van een rechtspersoon bent gehouden om een goede administratie te voeren. Door dit niet te doen is al sprake van opzet. Verder voert de verdediging aan dat er administratie bij de boekhouder zou liggen maar dat de boekhouder weg was waardoor verdachte de administratie niet kon opvragen. De rechtbank verwerpt dit verweer nu verdachte dit niet eerder heeft gezegd tegen de curator, de boekhouder intussen door de FIOD en bij de rechter-commissaris is gehoord en het op de weg van verdachte had gelegen om er zorg voor te dragen dat de administratie aan de curator zou worden verstrekt.
Feit 3:
Zoals onder feit 2 is besproken was verdachte de bestuurder van [taxibedrijf 3] .[taxibedrijf 3] was met ingang van 24 juli 2025 maandelijks inhoudingsplichtig voor loonheffing.Voor [taxibedrijf 3] zijn aangiften loonheffing door de boekhouder ingediend over de maanden januari 2019 tot en met oktober 2019.In totaal is er voor [taxibedrijf 3] over voornoemde periode op de aangiften een totaalbedrag van € 30.425,- aan brutoloon opgegeven en is een bedrag van € 7.255,- aan loonheffing berekend.Uit de gevorderde gegevens van Uber blijkt dat er in de periode van januari 2019 tot en met oktober 2019 meer taxichauffeurs voor [taxibedrijf 3] hebben gereden en Uber meer geld hiervoor heeft overgemaakt. Gemiddeld reden er voor verdachte/ [taxibedrijf 3] 33 á 34 chauffeurs per maand in de periode van januari 2019 tot en met oktober 2019. Uber heeft in deze maanden een totaalbedrag (minus de Uber fee) van € 996.005,88 overgemaakt.Hieruit concludeert de Belastingdienst dat de aangiften loonheffing niet overeenstemmen met de werkelijkheid bij [taxibedrijf 3] .
Verdachte heeft bekend dat hij meer dan de aangegeven chauffeurs in dienst had en de aangiften loonbelasting van de maanden januari 2019 tot en met oktober 2019 telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan waardoor de Belastingdienst werd benadeeld.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen – waaronder de verklaring van verdachte – vast dat verdachte als bestuurder van [taxibedrijf 3] in de periode van januari 2019 tot en met oktober 2019 opzettelijk opdracht heeft gegeven om aangiften loonheffing onjuist en onvolledig te doen.
Vrijspraak oktober 2017 tot en met december 2018
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het opzettelijk doen van onjuist en onvolledig aangifte loonheffing in de periode oktober 2017 tot en met december 2018 nu in die periode niet kan worden vastgesteld dat [taxibedrijf 3] de beschikking over taxi’s had en taxichauffeurs in dienst had die voor Uber reden.