ECLI:NL:RBAMS:2025:10668

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
758749
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatig conservatoir beslag op bedrijfspand

ADA Groep vordert schadevergoeding van voormalig werknemer wegens onrechtmatig conservatoir beslag op haar bedrijfspand, waardoor de verkoopopbrengst aanzienlijk lager uitviel. Het beslag werd gelegd in het kader van een betwiste vordering die uiteindelijk door het gerechtshof werd afgewezen, waardoor het beslag onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelt dat ADA Groep onvoldoende heeft gedaan om haar schade te beperken, met name door te laat een kortgedingprocedure tot opheffing van het beslag te starten, ondanks een substantieel bod van € 1.300.000,-- op het pand. Ook het niet tijdig informeren van de beslaglegger over de verkoop en het niet stellen van alternatieve zekerheden spelen een rol.

Daarom wordt de schadevergoeding afgewezen. Ook de vordering voor overige schade en proceskosten wordt afgewezen, en ADA Groep wordt veroordeeld in de proceskosten van de tegenpartij. Het vonnis is gewezen door rechter C.H. Rombouts en uitgesproken op 19 november 2025.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig conservatoir beslag wordt afgewezen vanwege onvoldoende schadebeperking door ADA Groep.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/758749 / HA ZA 24-1193
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
ADA GROEP B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ADA Groep,
advocaat: mr. U. Özcan,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.J. Menger.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van ADA Groep,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in incident, met producties van [gedaagde] ,
- de conclusie van antwoord in incident van ADA Groep,
- het vonnis in incident van 12 februari 2025,
- het tussenvonnis van 12 maart 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2025 en de daarin vermelde stukken, waarin de behandeling van de zaak is aangehouden,
- het verzoek van ADA Groep van 8 oktober 2025 om de zaak weer op te brengen en vonnis te wijzen op de stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
ADA Groep is een onderneming die zich bezighoudt met het voeren van administraties en boekhoudingen voor haar klanten. [gedaagde] is een voormalig werknemer van ADA Groep.
2.2.
Partijen hebben in 2023 en 2024 een procedure gevoerd bij de kantonrechter van deze rechtbank (zaaknummer 10532158 CV EXPL 23-7903). In die procedure vorderde ADA Groep van [gedaagde] betaling van een auto, terwijl [gedaagde] van ADA Groep betaling vorderde van achterstallig loon en vakantiegeld over de periode van 2013 tot en met juli 2023, ten bedrage van € 279.897,--. Bij vonnis van 9 april 2024 zijn beide vorderingen afgewezen. [gedaagde] heeft bij dagvaarding van 5 juli 2024 hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn loonvordering.
2.2.
Voorafgaand aan het vonnis van 9 april 2024 heeft [gedaagde] op 16 februari 2024 verlof gekregen van de voorzieningenrechter om conservatoir beslag te leggen op het aan ADA Groep toebehorende bedrijfspand aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand). De vordering is daarbij begroot op € 567.700,--. Het beslag is vervolgens gelegd.
2.3.
Op het bedrijfspand rustte een hypotheek van ABN AMRO (hierna: de bank). De bank heeft bij brief van 26 april 2024 de onder deze hypotheek verstrekte leningen vervroegd opgeëist in verband met een langdurige debetstand en het niet kunnen voldoen aan de financieringsverplichtingen uit de reguliere exploitatie van ADA Groep. Als gevolg hiervan diende ADA Groep uiterlijk op 1 november 2024 een bedrag van € 499.307,50 te voldoen.
2.4.
Om te voorzien in haar liquiditeitsbehoefte heeft ADA Groep op 28 maart 2024 een overeenkomst gesloten met Alerio Holding AG (hierna: Alerio) tot verkoop van 50% van de aandelen in ADA Groep voor een bedrag van € 607.200,--. Deze verkoop is niet tot stand gekomen.
2.5.
In een e-mail gedateerd op 30 april 2024 aan de bestuurder van ADA Groep heeft een medewerker binnen Proranje Vastgoed B.V. (hierna: Proranje) een voorstel gedaan om het bedrijfspand te kopen voor een bedrag van € 1.300.000 k.k. Met dit voorstel ging ADA Groep akkoord. Daarbij vermeldde ADA Groep dat er nog sprake was van een conservatoir beslag op het bedrijfspand, dat er een uitspraak van de rechter in hun voordeel lag, dat ze nog niet wisten hoe snel [gedaagde] het beslag er gingen afhalen maar dat het niet hinderlijk zou zijn voor de verkoop. Daarbij ging ADA Groep ervan uit dat het beslag zou worden opgeheven op 9 juli 2024, wanneer het vonnis van 9 april 2024 in kracht van gewijsde zou gaan. [gedaagde] heeft echter op 5 juli 2024 hoger beroep ingesteld.
2.6.
Bij e-mail van 9 september 2024 heeft Proranje meegedeeld dat zij zich terugtrok uit de overeenkomst die zij ten aanzien van de verkoop van het bedrijfspand met Platdak BV had gesloten vanwege het beslag en het ingestelde hoger beroep.
2.7.
Uit overgelegde Whatsapp gesprekken blijkt dat een nieuwe koper werd gevonden, namelijk H7 Events B.V. (hierna: H7 Events), die (uiteindelijk) bereid was het bedrijfspand te kopen voor een bedrag van € 800.000,--, met levering uiterlijk op 7 oktober 2024.
2.8.
ADA Groep is vervolgens een kort geding gestart tot opheffing van het beslag. Bij vonnis van 1 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op het bedrijfspand opgeheven, omdat de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk werd geacht en ADA Groep een spoedeisend en zwaarwegend belang had bij opheffing, namelijk de opeising van de leningen door de bank en de aanstaande verkoop van het bedrijfspand. Daarbij is het [gedaagde] verboden opnieuw beslag te leggen, op straffe van een dwangsom. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
2.9.
Na de opheffing van het beslag is tussen ADA Groep en H7 Events discussie ontstaan over de huurder die op dat moment in het bedrijfspand zat. Uiteindelijk heeft H7 Events een nieuwe koper aangebracht, die bereid was het bedrijfspand te kopen voor eveneens € 800.000,--, alleen onder de voorwaarde dat de koper maximaal € 15.000,-- aan kosten koper zou betalen en dat het meerdere voor rekening van ADA Groep zou komen. De uiteindelijke netto-opbrengst van het bedrijfspand voor ADA Groep bedroeg daarmee € 721.510,--.
2.10.
Bij arrest van 30 september 2025 heeft het gerechtshof het vonnis van 9 april 2024 in conventie en reconventie bekrachtigd.

3.Het geschil

3.1.
ADA Groep vordert – samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door conservatoir beslag te leggen op het bedrijfspand, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 607.692,-- aan schadevergoeding, te vermeerderen met de rente en kosten, alsmede de overige schade bestaande uit de daadwerkelijk gemaakte kosten van overige procedures nader op te maken bij staat.
3.1.
Aan deze vordering legt ADA Groep ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een onrechtmatig conservatoir beslag te laten leggen op het bedrijfspand en dit beslag dit handhaven. Hierdoor heeft ADA Groep schade geleden doordat zij het bedrijfspand slechts tegen een aanzienlijk lagere opbrengst heeft kunnen verkopen. Ter begroting van de schade verwijst ADA Groep naar het bod van € 1.300.000,-- dat zij op 30 april 2024 van Proranje had ontvangen. Zij stelt dat zij door het beslag uiteindelijk slechts € 721.510,-- heeft ontvangen voor de verkoop van het bedrijfspand en dat zij daarnaast onnodig rentelasten aan ABN AMRO heeft moeten voldoen over de periode van 1 april 2024 tot en met 7 oktober 2024, ter hoogte van in totaal € 29.202,--. De totale schade bedraagt volgens ADA Groep daarmee € 607.692,--. Om haar moverende redenen baseert ADA Groep haar schadeberekening op het aanbod van Proranje en niet op de (volgens ADA Groep) hogere schadeberekening die zou kunnen worden afgeleid uit de overeenkomst met Alerio. Zij behoudt zich evenwel uitdrukkelijk het recht voor om in de toekomst aanvullende schadevergoeding te vorderen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ADA Groep, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van ADA Groep, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ADA Groep in de kosten van deze procedure.
3.3.
[gedaagde] voert daartoe het volgende aan. Hij betwist dat ADA Groep schade heeft geleden als gevolg van het door hem gelegde beslag. Voor zover ADA Groep al schade zou hebben geleden, is deze volgens [gedaagde] volledig aan ADA Groep zelf te wijten. In dat verband beroept hij zich op artikel 6:101 BW Pro. [gedaagde] stelt dat de omstandigheden rond het al dan niet doorgaan van de koopovereenkomst eveneens aan ADA Groep zijn toe te rekenen. ADA Groep heeft hem niet geïnformeerd over het bestaan van de overeenkomst tot aandelenoverdracht met Alerio, noch over de koopovereenkomst met Proranje. Als hij daarvan op de hoogte was geweest, was hij volgens eigen zeggen bereid geweest het beslag op te heffen. Zeker bij een koopsom van € 1.300.000,-- zou volgens hem dan voldoende financiële ruimte hebben bestaan. ADA Groep heeft [gedaagde] pas in september 2024 geïnformeerd over de voorgenomen verkoop van het bedrijfspand, op welk moment het aanbod van Proranje al was ingetrokken. [gedaagde] stelt dat hij toen bereid was het beslag op te heffen in ruil voor een andere zekerheid, zoals een bankgarantie of een depot. Ook heeft hij aangeboden de zaak te schikken voor een bedrag van € 300.000,--. ADA Groep heeft deze voorstellen afgewezen. Tot slot betwist [gedaagde] de juistheid van de door ADA Groep gestelde schadeomvang. Hij acht het ongeloofwaardig dat Proranje bereid zou zijn geweest een bedrag van € 1.300.000,-- te betalen voor het bedrijfspand, terwijl het pand is getaxeerd op € 800.000,--.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt voorop dat degene die een beslag legt op eigen risico handelt en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden, indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Dit geldt zowel voor de partij die conservatoir beslag legt op grond van een hem niet toekomende vordering, als de partij die executoriaal beslag legt op grond van een executoriale titel die na de beslaglegging wordt vernietigd (vgl. HR 13 januari 1995, NJ 1997/366).
4.2.
Vaststaat dat [gedaagde] op 16 februari 2024 met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir beslag heeft gelegd op het bedrijfspand. Bij vonnis van 9 april 2024 zijn de vorderingen van [gedaagde] in eerste aanleg afgewezen. Nadien heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 30 september 2025 heeft het gerechtshof dat vonnis bekrachtigd en is de vordering van [gedaagde] definitief afgewezen. Daarmee staat vast dat de vordering waarvoor het beslag was gelegd, ongegrond was. Gelet daarop moet worden aangenomen dat het beslag ten onrechte is gelegd en dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig jegens ADA Groep heeft gehandeld. Voor zover [gedaagde] zich erop beroept dat hij bij het leggen van het beslag mocht vertrouwen op de juistheid van haar vordering, geldt dat dit risico in beginsel bij de beslaglegger berust. Van overige bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dat uitgangspunt rechtvaardigen, is niet gebleken.
4.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de door ADA Groep gestelde schade in voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij geldt dat op ADA Groep als benadeelde de verplichting rust om redelijke maatregelen te nemen ter beperking van haar schade. Indien zij dat heeft nagelaten, kan dit ertoe leiden dat (een deel van) de schade voor haar eigen rekening blijft (artikel 6:101 BW Pro).
4.4.
ADA Groep ging er ten onrechte vanuit dat het beslag automatisch zou worden opgeheven op 9 juli 2024, wanneer het vonnis van 9 april 2024 in kracht van gewijsde zou gaan. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] al per e-mail van 26 april 2024 aan ADA Groep kenbaar heeft gemaakt dat zij hoger beroep zou instellen en dat daardoor het beslag gehandhaafd zou blijven. Op 30 april 2024 ontving ADA Groep het aanbod van Proranje om haar bedrijfspand voor € 1.300.000,-- te verkopen. Onder deze omstandigheden had het voor ADA Groep duidelijk moeten zijn dat het beslag niet binnen afzienbare tijd zou worden opgeheven. Van haar mocht daarom worden verwacht dat zij bij voorbeeld tijdig een kortgedingprocedure tot opheffing van het beslag zou starten, zeker gelet op het substantiële bod dat op tafel lag. Uit de stukken blijkt daarnaast dat Proranje zich pas op 9 september 2024 heeft teruggetrokken. ADA Groep beschikte daarom gedurende een periode van meer dan vier maanden over de mogelijkheid om een kortgedingprocedure aanhangig te maken teneinde het beslag opgeheven te krijgen. Zij heeft dit nagelaten en pas in september 2024 een dergelijke procedure gestart, waarna het beslag op 1 oktober 2024 is opgeheven. De rechtbank acht dit te laat om nog als een adequate schadebeperkende maatregel te gelden, zeker gelet op het feit dat het hoge aanbod van Proranje toen al van tafel was.
4.5.
Dat ADA Groep [gedaagde] herhaaldelijk (op 26 april, 17 juli en 9 september 2024) heeft verzocht om vrijwillige opheffing van het beslag (zonder daarbij de eerste twee keer te vermelden dat ADA Groep voornemens was het bedrijfspand te verkopen), is onvoldoende om aan te nemen dat zij aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Evenmin kan de e-mail van 11 juli 2024 aan de rechtbank, waarin zij verzoekt om informatie over de procedure die gevolgd moest worden om het conservatoir beslag op te heffen, haar baten. ADA Groep werd immers bijgestaan door een advocaat, die haar over de te volgen procedure kon informeren en deze tijdig had kunnen uitvoeren. Daarnaast blijkt zelfs uit de correspondentie dat ADA Groep op 15 juli 2024 aan de rechtbank heeft meegedeeld dat zij genoodzaakt was een spoedprocedure tot opheffing van het beslag te starten. Het feit dat zij hieraan geen tijdig gevolg heeft gegeven, moet voor haar eigen rekening en risico blijven. Ten slotte overtuigt de stelling van ADA Groep dat zij op dat moment niet over voldoende financiële middelen beschikte om een procedure te starten, niet. Zij beschikte immers over een concreet bod van € 1.300.000,-- op het bedrijfspand, zodat redelijkerwijs mocht worden verwacht dat zij tijdelijk over voldoende middelen kon beschikken om rechtsmaatregelen te nemen ter bescherming van haar belangen. Om dezelfde reden had ADA Groep daarom ook, zoals [gedaagde] aanvoert, ook alternatieve zekerheid kunnen stellen, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat ADA Groep onvoldoende heeft gedaan om de door haar gestelde schade te beperken. De door ADA Groep gevorderde schadevergoeding zal daarom in zijn geheel worden afgewezen. Ook de door ADA Groep gevorderde beslagkosten ter veiligstelling van deze vordering en verklaring voor recht zullen in dit verband worden afgewezen.
4.7.
Ten aanzien van de gevorderde overige schade, bestaande uit de daadwerkelijke kosten van diverse procedures alsmede de reële kosten van deze procedure, op te maken bij staat, geldt dat dit onderdeel onvoldoende is onderbouwd. ADA Groep heeft niet inzichtelijk gemaakt om welke procedures het gaat, welke kosten daarmee gemoeid zijn geweest, noch in hoeverre deze kosten in causaal verband staan met het gelegde beslag. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
4.8.
ADA Groep is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.905,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van ADA Groep af,
5.2.
veroordeelt ADA Groep in de proceskosten van € 9.905,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als ADA Groep niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.