Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10675

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/13/774284 / FA RK 25-6262
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voogd tot vaststelling omgangsregeling tussen zussen wegens onrustige periode

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van de voogd om een omgangsregeling vast te stellen tussen twee zussen, waarbij de oudere zus in een gezinshuis verblijft en de jongere bij pleegouders. De oudere zus wenst contact met haar jongere zus, maar de jongere zus geeft aan momenteel geen contact te willen vanwege de onrustige situatie.

De voogd stelde dat contactherstel noodzakelijk is voor de identiteitsontwikkeling van de zussen en dat een omgangsregeling de pleegouders zou verplichten het contact te faciliteren. De pleegouders en de Raad voerden aan dat het contact op dit moment te belastend is voor de jongere zus, die rust en veiligheid zoekt in haar huidige situatie.

De rechtbank overwoog dat het recht op omgang ontzegd kan worden indien dit ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke ontwikkeling van het kind. Gezien de onrustige periode en de duidelijke wens van de jongere zus om geen contact te hebben, is het op dit moment niet mogelijk om onbelast contact tot stand te brengen.

De rechtbank wijst het verzoek daarom af, met de hoop dat in de toekomst contactherstel mogelijk zal zijn. De betrokken volwassenen, waaronder pleegouders en voogd, dienen de zussen te ondersteunen bij het contact wanneer zij beiden daartoe bereid zijn.

Uitkomst: Het verzoek van de voogd tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de zussen wordt afgewezen vanwege de onrustige situatie en het ontbreken van onbelast contact.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/774284 / FA RK 25-6262 (MN/AH)
Beschikking van 16 december 2025 betreffende vaststellen omgangsregeling
in de zaak van:
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de voogd,
tegen
[de pleegmoeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de pleegmoeder,
advocaat mr. L.A.M. Hartman te Mijdrecht,
en
[de pleegvader],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de pleegvader,
advocaat mr. L.A.M. Hartman te Mijdrecht,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] (hierna te noemen [minderjarige 1] ),
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: de zussen.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen van de voogd, ingediend op 19 augustus 2025;
- de brief van de pleegouders, ingediend op 25 augustus 2025;
- het verweerschrift met bijlagen van de pleegouders, ingediend op 12 november 2025;
- het F9-formulier met bijlage van de pleegouders, ingediend op 14 november 2025.
1.2.
[minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft een gesprek gehad met de kinderrechter.
1.3.
[minderjarige 2] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft een gesprek gehad met de kinderrechter.
1.4.
De biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft op 17 november 2025 een brief naar de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft daarvan kennisgenomen, maar neemt de inhoud hiervan niet mee in haar beoordeling.
1.5.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2025. Verschenen zijn:
  • [minderjarige 1] ;
  • mevrouw [naam 1] namens de voogd;
  • de pleegouders, bijgestaan door hun waarnemend advocaat mr. R. Ronday;
  • mevrouw [naam 2] namens de Raad.
1.6.
[minderjarige 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling een stuk voorgedragen en nadien, per e-mail op 19 november 2025, overgelegd.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 14 februari 2018 van de rechtbank Noord-Holland is het ouderlijk gezag van [de moeder] en [de vader] beëindigd en zijn de pleegouders met de voogdij belast over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 17 augustus 2022 van deze rechtbank zijn de pleegouders, op hun verzoek, ontslagen van de voogdij over [minderjarige 1] en is Jeugdbescherming Regio Amsterdam benoemd tot voogd over haar.
2.3.
[minderjarige 1] verblijft sinds 2022 in een gezinshuis.
2.4.
[minderjarige 2] verblijft bij de pleegouders.

3.Het verzoek

3.1.
De voogd verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een omgangsregeling te bepalen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] één zaterdag in de veertien dagen omgang hebben, startend met opbouwende begeleide omgang van een onafhankelijke organisatie (bijvoorbeeld bureau Mars):
 twee keer op zaterdag twee uur;
 twee keer op zaterdag vier uur;
 twee keer op zaterdag zes uur;
 hele zaterdag begeleid, waarna gekeken kan worden naar onbegeleide omgang, op een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passende locatie.
3.2.
De pleegouders voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[minderjarige 1] heeft, zowel tijdens haar gesprek met de kinderrechter als tijdens de mondelinge behandeling, haar grote wens uitgesproken om in contact te komen met haar jongere zus [minderjarige 2] . Zij mist haar zusje en wil graag leuke dingen met haar ondernemen, zoals shoppen, naar de film gaan en samen lunchen. [minderjarige 1] heeft het gevoel dat de pleegouders [minderjarige 2] bij haar weghouden en twijfelt of [minderjarige 2] wel eerlijk haar wensen durft uit te spreken.
4.2.
[minderjarige 2] heeft tijdens haar gesprek met de kinderrechter aangegeven op dit moment geen contact met [minderjarige 1] te willen hebben. Zij heeft dit al eerder aangegeven en vindt het lastig dat er niet naar haar wens wordt geluisterd. Het gaat nu goed met [minderjarige 2] . Zij vindt het fijn bij de pleegouders en heeft leuke vriendinnen. Het verzoek van de voogd heeft voor onrust gezorgd.
4.3.
De voogd stelt dat [minderjarige 1] , vanwege haar hechtingsproblematiek en zelfbepalende gedrag, sinds 2022 niet meer bij de pleegouders en [minderjarige 2] woont. De periode dat [minderjarige 1] nog bij de pleegouders woonde was voor alle partijen zwaar, maar inmiddels heeft [minderjarige 1] zich positief ontwikkeld. Vanaf het moment dat [minderjarige 1] in het gezinshuis is geplaatst, is het contact tussen de zussen tot stilstand gekomen. De grote wens van [minderjarige 1] is om het contact tussen haar en [minderjarige 2] te herstellen. De pleegouders blijven [minderjarige 1] echter afwijzen. De voogd heeft op verschillende manieren het contact tussen de zussen proberen te herstellen, maar is hierin afhankelijk van de medewerking van de pleegouders en Levvel-pleegzorg. Levvel-pleegzorg acht het ook van belang dat de zussen contact met elkaar hebben, en heeft zorgen over een eventueel loyaliteitsconflict aan de zijde van [minderjarige 2] . Het is onduidelijk in hoeverre [minderjarige 2] ruimte voelt om eventueel contact met [minderjarige 1] te willen of te kunnen hebben, gezien de mening van de pleegouders.
De voogd vindt het evident dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de zussen. Zij hebben vanaf hun geboorte samengeleefd in gezinsverband. Voor de identiteitsontwikkeling van een kind is het van essentieel belang dat er contact is met de biologische familie.
Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al lange tijd geen contact hebben gehad, is het noodzakelijk dat er eerst hulpverlening wordt ingezet, zodat het contact op een passende en rustige wijze kan worden opgebouwd. De voogd vindt het belangrijk dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld door de rechtbank, zodat er een verplichting ontstaat voor de pleegouders om het contact tussen de zussen te faciliteren.
4.4.
De pleegouders voeren aan dat [minderjarige 1] onderschat wat voor indruk zij op [minderjarige 2] achterlaat. [minderjarige 2] is in de afgelopen periode opgebloeid en voelt rust in de thuissituatie bij de pleegouders. Ook heeft zij duidelijk aangegeven op dit moment geen contact te willen met [minderjarige 1] , maar dit in de toekomst niet uit te sluiten. Het is voor haar echter nu nog te vroeg en te vers om het contact te herstellen. De pleegouders zullen [minderjarige 2] steunen op het moment dat zij in contact wil treden met [minderjarige 1] . Dat vinden de pleegouders overigens wel ingewikkeld. In het verleden hebben bepaalde acties van [minderjarige 1] , zoals de aangifte jegens de pleegvader, namelijk voor ontzettend veel onrust gezorgd in het gezin. De pleegouders hebben geprobeerd dit weg te houden bij de andere pleegkinderen, maar desondanks heeft die actie veel teweeggebracht. De voogd en [minderjarige 1] miskennen dat.
Toewijzing van het verzoek, zal veel onbegrip en onrust bij [minderjarige 2] opleveren. Het verzoek dient daarom afgewezen te worden.
4.5.
De Raad voert aan dat contactherstel op dit moment te ingewikkeld voor [minderjarige 2] lijkt te zijn. [minderjarige 2] woont bij haar pleegouders en geeft aan daar goed te zitten. Vanuit [minderjarige 1] wordt een totaal ander beeld geschetst over de thuissituatie bij de pleegouders. Er is dus sprake van diskwalificatie, waarbij het voor [minderjarige 2] moeilijk is om zich daarin te bewegen. Het is wenselijk dat de zussen contact met elkaar hebben, maar op dit moment kan dat nog niet. De Raad ziet in de huidige situatie geen mogelijkheden om het contact tussen de zussen op onbelaste wijze te laten plaatsvinden.
[minderjarige 2] weet dat [minderjarige 1] graag contact wil. Wellicht geeft een periode van rust meer ruimte in de toekomst om wel tot contactherstel te komen.
4.6.
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Artikel 1:377a, tweede lid, BW van voormeld artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
4.7.
De rechter ontzegt, op grond van artikel 1:377a, derde lid, BW, het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.8.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:943) volgt dat de artikelen 1:377a en 1:377e BW zo moeten worden uitgelegd dat de daarin aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een omgangsregeling vast te stellen of te wijzigen, dan wel het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen, mede aan een gecertificeerde instelling toekomt.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat de voogd een omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan verzoeken, niet ter zake doet of die instelling in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarigen staat.
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. De wens vanuit [minderjarige 1] is begrijpelijk. Zij wil graag haar zus [minderjarige 2] weer zien. Het is in beginsel voor beide zussen belangrijk om contact met elkaar te hebben. Zij hebben immers al veel met elkaar meegemaakt. Toch geeft [minderjarige 2] , zoals blijkt uit de stukken en het gesprek met de kinderrechter, heel duidelijk aan dat zij op dit moment geen contact met [minderjarige 1] wil. [minderjarige 2] zoekt nu rust en veiligheid bij de pleegouders. In de jaren dat [minderjarige 1] bij de pleegouders woonde, was er sprake van veel onrust. Ook de aangifte van [minderjarige 1] jegens de pleegvader heeft voor veel spanning en emotie gezorgd in het pleeggezin. Op dit moment lijkt er daarom, gelet op de afgelopen onrustige periode, geen mogelijkheid om onbelast contact tot stand te brengen. Een vastgelegde omgangsregeling legt in deze situatie dan ook een negatieve druk op [minderjarige 2] .
De rechtbank hoopt dat contactherstel in de toekomst wel mogelijk zal worden. Beide zussen moeten daar in ieder geval door de betrokken volwassenen in gesteund worden. De zussen dienen altijd de mogelijkheid te krijgen om met elkaar in contact te komen op het moment dat zij beiden die wens uitspreken. Daarin is ook een rol voor de pleegouders en de voogd weggelegd om positieve gesprekken hierover met de zussen aan te gaan, hoe moeilijk dat, gelet op de voorgeschiedenis, ook is.
De rechtbank wijst het verzoek van de voogd daarom af.
4.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek van de voogd af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. M.E.A. Nijssen, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hulskes, griffier, op 16 december 2025. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).