ECLI:NL:RBAMS:2025:10697

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/241254-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

ISD-maatregel opgelegd voor diefstal met geweld in Amsterdam

Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van diefstal met geweld. De rechtbank legde een ISD-maatregel van twee jaar op, na bewezenverklaring van de diefstal die plaatsvond op 13 september 2025 in het Oosterpark te Amsterdam. De verdachte, een dakloze vrouw met een verstandelijke beperking, werd beschuldigd van het wegnemen van een bankpas van een slachtoffer, waarbij geweld werd gebruikt. Tijdens de zitting op 17 december 2025 werd de vordering van de officier van justitie besproken, evenals de verdediging van de verdachte. De rechtbank oordeelde dat de aangifte van het slachtoffer werd ondersteund door camerabeelden en getuigenverklaringen. De rechtbank concludeerde dat de verdachte schuldig was aan de tenlastegelegde feiten en dat er geen rechtvaardigingsgronden waren voor haar handelen. De rechtbank oordeelde dat de ISD-maatregel noodzakelijk was, gezien de ernst van het feit en de recidivekans van de verdachte. De rechtbank volgde de eis van de officier van justitie en legde de maatregel voor de maximale termijn op, zonder aftrek van voorarrest, om de kans op herhaling van delictgedrag te verkleinen. De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/241254-25
Datum uitspraak: 31 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [penitentiaire inrichting] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. L.M.A. Schwartz, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij SVG Reclassering Limburg, als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij
op of omstreeks 13 september 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of eerdere (bank)pas(sen), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- voornoemde [slachtoffer] in het gezicht te slaan en/of- voornoemde [slachtoffer] aan de haren te trekken,waardoor voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het in het gezicht slaan van [slachtoffer] bevat het dossier geen steunbewijs. Verdachte dient van dit deel te worden vrijgesproken.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen. Van dat deel van de tenlastelegging dient verdachte te worden vrijgesproken. Voor het overige heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat toen zij op 13 september 2025 door het Oosterpark in Amsterdam liep, zij door een vrouw werd aangesproken. Deze vrouw bleek later verdachte te zijn. Verdachte zei tegen [slachtoffer] dat zij haar geld had en dat zij dat moest geven. Daarop pakte verdachte het witte tasje van [slachtoffer] en nam haar portemonnee af met daarin pasjes. Er ontstond een worsteling waarbij [slachtoffer] op de grond belandde en door verdachte in het gezicht werd geslagen en aan de haren werd getrokken. De bankpas van [slachtoffer] is later in een schoen van verdachte aangetroffen.
Verdachte heeft bij herhaling aangegeven dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij nog geld kreeg van [slachtoffer] en dat zij pas aan de haren van [slachtoffer] heeft getrokken nadat [slachtoffer] agressief werd naar haar toe. De bankpas heeft verdachte van [slachtoffer] afgenomen, omdat zij zekerheid wilde hebben over het geld dat zij nog terug kreeg. De rechtbank volgt deze lezing van verdachte niet.
Vooropgesteld wordt dat de aangifte van [slachtoffer] wordt ondersteund door camerabeelden uit het Oosterpark die door de politie zijn bekeken en beschreven. Hierop is te zien dat verdachte richting [slachtoffer] loopt. Verdachte gaat voor [slachtoffer] staan en er ontstaat een worsteling waarbij [slachtoffer] door verdachte naar de grond wordt gewerkt. Terwijl [slachtoffer] op de grond ligt, staat verdachte voorovergebogen over haar heen en maakt een rukkende beweging. Verdachte probeert een wit voorwerp van [slachtoffer] af te pakken, de rechtbank gaat ervan uit dat dit de witte tas van [slachtoffer] is. Verdachte laat [slachtoffer] daarna los en loopt weg, waarna zij door een omstander wordt tegengehouden.
Ook de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bieden steun aan de verklaring van [slachtoffer] . Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de vrouw die als verdachte is aangehouden [slachtoffer] aanviel. Door getuige [getuige 2] is verklaard dat verdachte [slachtoffer] aan de haren trok waarna zij op de grond viel.
Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte de aanstichter is geweest van de agressieve handelingen jegens [slachtoffer] die hebben geresulteerd in het wegnemen van de bankpas. Dat [slachtoffer] zich op enig moment hiertegen heeft verdedigd, maakt niet dat verdachte minder valt te verwijten. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de geweldshandelingen die door [slachtoffer] zijn beschreven, waardoor ook het in het gezicht slaan van [slachtoffer] door verdachte kan worden bewezen.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal met geweld.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 13 september 2025 te Amsterdam, een bankpas, die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- voornoemde [slachtoffer] in het gezicht te slaan en
- voornoemde [slachtoffer] aan de haren te trekken,
waardoor voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat er al lange tijd zorgen zijn over verdachte. Het is van belang dat er zorg en behandeling wordt gerealiseerd. In voorgaande trajecten leek verdachte steeds tussen wal en schip te vallen. Niet zeker is dat verdachte binnen de kaders van de ISD-maatregel wel de juiste hulp zal krijgen. De raadsman heeft daarbij aangegeven weinig alternatieven te zien. Als de rechtbank daartoe aanleiding ziet heeft de raadsman namens zijn cliënt verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen en af te zien van het opleggen van de ISD maatregel.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Ze heeft in het Oosterpark uit de tas van [slachtoffer] een pinpas gestolen. Daarbij heeft ze geweld gebruikt. Dat is ernstig normverstorend gedrag en dat zal zeer beangstigend zijn geweest voor [slachtoffer] . Bovendien hebben omstanders het zien gebeuren waardoor verdachte door haar handelen heeft bijgedragen aan het toenemen van gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van [reclasseringswerker] van 9 december 2025. Dit rapport houdt, kort gezegd, onder meer het volgende in:
Verdachte is meerdere keren veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten. De kans op recidive, geweld en onttrekking zijn hoog. Verdachte is een dakloze verslaafde vrouw met een verstandelijke beperking. Er zijn aanwijzingen voor psychosociale en psychiatrische problemen, deze moeten nog in kaart gebracht worden. Verdachte is zorgmijdend, wantrouwig naar instanties en heeft geen inzicht in haar problemen. In de afgelopen jaren hebben verschillende interventies en reclasseringstoezicht geen verbetering gebracht, waardoor alle civiele en strafrechtelijke drangkaders zijn uitgeput. De reclassering adviseert de rechtbank dan ook aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen. Binnen de ISD-maatregel kan verdachte in een forensisch psychiatrische kliniek worden geobserveerd en onderzocht om haar problematiek in kaart te brengen om aan de hand daarvan een goed en gedegen behandelplan vorm te geven.
Op zitting heeft de deskundige de informatie uit het rapport bevestigd en daarbij aangevuld dat uit het NIFP consult van 15 september 2025 het beeld rond de psychische gesteldheid van verdachte niet duidelijk en volledig naar voren lijkt te komen. Er zijn namelijk aanwijzingen voor psychiatrische problematiek. Hier dient aanvullend onderzoek naar gedaan te worden, wat alleen nog binnen de ISD-maatregel uitgevoerd kan worden aangezien alle eerdere pogingen om onderzoek te doen naar de psychiatrische problematiek hebben uitgewezen dat verdachte hieraan niet vrijwillig zal meewerken.
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt.
Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 9 december 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 13 september 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank concludeert dat eveneens is voldaan aan de zachte ISD-criteria. Er bestaan, gezien de eerdere mislukte trajecten, geen reële mogelijkheden om verdachte binnen minder dwingende kaders tot gedragsverandering te bewegen.
Binnen de ISD-maatregel kan gewerkt worden aan hulpverlening voor en begeleiding van verdachte, rekening houdend met haar complexe problematiek. Onderdeel van de ISD-maatregel zal zijn plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek om geobserveerd en onderzocht te worden. Op die manier kan een behandelplan worden opgesteld dat aansluit bij de problematiek van verdachte. De rechtbank acht dergelijk onderzoek van essentieel belang. Daarmee kan vervolgens gewerkt worden aan stabilisering van verdachte en kan de kans op herhaling van delictgedrag worden teruggedrongen. Zonder enige vorm van begeleiding acht de rechtbank de kans groot dat verdachte terugvalt in haar oude gedrag en weer strafbare feiten gaat plegen. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie volgen en aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen.
Om voornoemde doelen van de ISD-maatregel alle kansen te geven is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heter daad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter,
mr. J. Thomas en mr. B.C. Langendoen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 december 2025.
[...]