In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 24 november 2025 een verzoek tot verschoning toegewezen. De rechter, mr. H.J. Tijselink, heeft dit verzoek ingediend in zijn hoedanigheid als lid van de Wrakingskamer. De rechtbank oordeelde dat er een geobjectiveerde vrees bestond dat de rechter de zaak niet onpartijdig kon behandelen, omdat hij tussen 1984 en 1986 als ombudsmedewerker voor de Tweede Kamerfractie van de PvdA had gewerkt. Dit verleden kan de schijn van partijdigheid oproepen, vooral gezien de politieke aard van de aangifte die tegen de cliënt is gedaan door leden van de Tweede Kamerfractie van GroenLinks/PvdA.
De procedure begon met een wrakingsverzoek dat onder zaaknummer C/13/777666 / HA RK 25-375 in behandeling was. De mondelinge behandeling van dit verzoek was gepland op 26 november 2025. De rechter, die lid was van de Wrakingskamer, diende op 24 november 2025 een verzoek tot verschoning in, omdat hij niet wilde dat de discussie over zijn rol in de Wrakingskamer de behandeling van het wrakingsverzoek zou beïnvloeden.
De rechtbank heeft op basis van artikel 518 van het Wetboek van Strafvordering besloten dat de behandeling van het verschoningsverzoek niet ter terechtzitting hoefde plaats te vinden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de geobjectiveerde vrees voor partijdigheid voldoende was om het verzoek tot verschoning toe te wijzen. De behandeling van het wrakingsverzoek zal nu worden voortgezet door een andere Wrakingskamer, waarbij een vervanger voor de rechter zal worden aangezocht. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.