Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
1.De procedure
2.Het verzoek
3.De beoordeling
leden, op 1 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Rechtbank Amsterdam
In deze bestuursrechtelijke procedure heeft een bestuursrechter van de rechtbank Amsterdam een verzoek tot verschoning ingediend vanwege vermeende vooringenomenheid. De rechter was betrokken bij een Meervoudige Kamer-zaak (MK-zaak) die raakvlakken vertoont met een aanstaande Enkelvoudige Kamer-zaak (EK-zaak). De rechter gaf aan haar oordeel uit de MK-zaak niet te willen gebruiken in de EK-zaak en voelde zich niet volledig vrij om te beslissen zolang de MK-zaak nog loopt.
De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 en Pro 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verschoning is bedoeld om het vertrouwen in de rechterlijke onpartijdigheid te waarborgen. De rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleveren.
De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat de rechter haar eerder gegeven oordeel in de MK-zaak niet wil gebruiken in de EK-zaak en dat de MK-zaak nog loopt, onvoldoende is om van vooringenomenheid te spreken. Een eerdere beslissing van een rechter kan alleen aanleiding geven tot verschoning als deze onpartijdigheid objectief in twijfel trekt, wat hier niet het geval was. Het verzoek tot verschoning werd daarom afgewezen zonder mondelinge behandeling. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de bestuursrechter is afgewezen wegens onvoldoende grond voor vooringenomenheid.