ECLI:NL:RBAMS:2025:10766

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/779895 / HA RK 25-434
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tweede wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens gebrek aan grondslag en misbruik van recht

Verzoekers, verwerende partij in een lopende civiele procedure, dienden een tweede wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter wegens vermeende partijdigheid en schending van het recht op verdediging. Zij stelden dat de rechter procedurele onduidelijkheden liet voortbestaan, onvoldoende openbaarmaking van documenten afdwong en de zaak voortzette ondanks een lopende bestuursrechtelijke procedure.

De rechter verweerde zich door te stellen dat het verzoek om aanhouding en het verzoek om stukken niet-ontvankelijk waren verklaard wegens gebrek aan belang, en dat de afwijzing van het verzoek om schorsing een inhoudelijke beslissing betrof. De wrakingskamer oordeelde dat wraking niet kan worden gebaseerd op rechterlijke beslissingen, conform het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018.

De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond en lichtvaardig was ingediend, en dat sprake was van misbruik van recht. Daarom werd het verzoek afgewezen en bepaald dat verdere wrakingsverzoeken van verzoekers in deze zaak niet in behandeling worden genomen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan geldige grond en misbruik van recht, met een verbod op verdere wrakingsverzoeken in deze zaak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 8 december 2025 ingekomen en onder rekestnummer C/13/779895 / HA RK 25- 434 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker 1]en
[verzoeker 2],
verzoekers,
wonende te [woonplaats] ,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.H.J. Evers, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:
 het wrakingsverzoek met bijlagen ingekomen op 8 december 2025;
 de schriftelijke reactie van de rechter.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Verzoekers zijn verwerende partij in een procedure die bij de rechter in behandeling is (zaaknummer 11612252 EZ VERZ 25-309).
2.2.
Verzoekers hebben in deze procedure op 22 september 2025 een eerder wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter. Bij beslissing van de Wrakingskamer van 25 september 2025 is dit verzoek afgewezen. In deze beslissing is onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) – kort gezegd – geoordeeld dat het bezwaar van verzoekers beslissingen van de rechter betreft en dat een rechterlijke beslissing geen grond voor wraking kan opleveren, zoals beslist is in het hiervoor genoemde arrest.
2.3
Thans hebben verzoekers een tweede wrakingsverzoek ingediend. Zij hebben hiertoe drie gronden aangevoerd.
(1) De rechter heeft ondanks een verzoek van verzoekers een fundamentele procedurele onduidelijkheid laten voortbestaan. Verzoekers worden hierdoor in hun belangen geschaad en dit werkt uitsluitend in het voordeel van de wederpartij. De onduidelijkheden die de rechter niet heeft opgelost zien op drie tegenstrijdige versies van een concept-splitsingsakte. De rechter is verzocht een juiste versie te identificeren en de andere versies uit het dossier te verwijderen. Door dit na te laten heeft de rechter de schijn van partijdigheid gewekt.
(2) De rechter heeft het recht op verdediging van verzoekers geschonden door de openbaarmakingsverplichtingen niet af te dwingen. De wederpartij heeft geweigerd documenten te verstrekken die noodzakelijk waren voor de verdediging door verzoekers. Na tussenkomst door de rechter heeft de wederpartij slechts twee documenten overgelegd. Ten aanzien van de overige documenten heeft de rechter het argument van de wederpartij overgenomen dat bij verzoekers “geen voldoende belang" bestond bij het verkrijgen van die documenten. Dit houdt een voorbarig oordeel in van de rechter en vormt daarmee een legitieme grond voor wraking. De onpartijdigheid van de rechter kan hierdoor in twijfel worden getrokken.
(3) De rechter heeft de zaak voortgezet met het oog op het legaliseren van een constructie waarvan de rechtmatigheid actief wordt betwist bij de bestuursrechter, en heeft het verzoek van verzoekers om schorsing genegeerd. De wederpartij wil de splitsingsakte wijzigen omdat het gebouw niet meer overeenkomst met die akte. Haar betoog is geheel gebaseerd op bouwvergunningen. Die vergunningen zijn echter verleend onder de voorwaarde dat er “geen evidente privaatrechtelijke bezwaren” bestonden. De onderhavige procedure is zo’n bezwaar. Verzoekers hebben bij de bestuursrechter de vergunningen aangevochten. De rechter heeft een herhaald verzoek om schorsing, in afwachting van de uitkomst van de zaak bij de bestuursrechter, genegeerd. Dit suggereert dat de rechter de ongefundeerde verklaring van de wederpartij overnam, te weten dat er geen bestuursrechtelijke procedure bestaat en dat uitstel onnodig is. Ook dit bevoordeelt de wederpartij en benadeelt verzoekers en ook dit wekt de schijn van partijdigheid van de rechter.
2.4.
De rechter heeft als volgt gereageerd. Met betrekking tot de eerste wrakingsgrond verwijst hij naar een brief van de griffier van 12 november 2025, waarin staat dat de aanhoudingsverzoeken worden afgewezen, dat het verzoek om het overleggen van stukken vooralsnog wordt afgewezen wegens gebrek aan belang en dat ter zitting een en ander zo nodig nog nader zal worden besproken. Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond voert de rechter aan dat sprake is van een inhoudelijke beslissing. Ten aanzien van de derde wrakingsgrond voert hij aan dat het verzoek om schorsing niet is genegeerd, maar afgewezen en dat ook dit een inhoudelijke beslissing is.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn
aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
Wederom verwijst de Wrakingskamer naar het arrest van 25 september 2018 waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel.
3.4.
Het bezwaar van verzoekers betreft wederom beslissingen van de rechter, onder meer om de behandeling van de zaak niet aan te houden en om de wederpartij niet te dwingen stukken openbaar te maken. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest, alsmede in de beslissing van 25 september 2025 op het eerste wrakingsverzoek. Indien verzoekers het niet eens zijn met een in deze zaak te wijzen vonnis, zullen zij in hoger beroep dienen te gaan. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
3.5.
Het wrakingsverzoek is bovendien lichtvaardig, want ook dit tweede wrakingsverzoek is zonder relevante grondslag, ingediend. Naar het oordeel van de wrakingskamer is sprake van misbruik van recht. Daarom zal worden bepaald dat verdere verzoeken tot wraking van de rechter die is belast met de behandeling van deze zaak van verzoekers niet in behandeling worden genomen.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af;
 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.