ECLI:NL:RBAMS:2025:10792

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
13/232863-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met terugkeergarantie

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 30 december 2025 uitspraak gedaan over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Amtsgericht Kleve in Duitsland. De opgeëiste persoon, geboren in 2004, werd verdacht van oplichting, een strafbaar feit dat in Nederland ook als lijstfeit wordt erkend. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, ondanks de bezwaren van de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, die zich beroepen op de terugkeergarantie en de mogelijke schending van het recht op familieleven. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoende banden met Nederland heeft, waardoor de tenuitvoerlegging van een eventuele straf beter in Nederland kan plaatsvinden. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten door de Duitse autoriteiten zijn afgedaan en dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat voor de detentieomstandigheden in Duitsland. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, omdat aan de eisen van de Overleveringswet is voldaan en er geen weigeringsgronden zijn. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer, waarbij de voorzitter en twee andere rechters aanwezig waren, en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/232863-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 16 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 augustus 2025 door
Die Direktorin des Amtsgericht Kleve, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd door het
Amtsgericht Kleve(Kantongerecht van Kleef) op 23 januari 2025 met dossiernummer 14 Gs 16/25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland op de lijst in bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven, waarbij hij ondersteund wordt door verschillende familieleden, en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Head Senior Public Prosecutorvan Kleef heeft op 15 oktober 2025 de volgende garantie gegeven:
"It is assured that in the event of a final sentence to imprisonment without suspension on probation within the Federal Republic of Germany the wanted person, [de opgeëiste persoon] , will be transfered back to the Netherlands according to the Council Framework Decision 2008/909/HA of 27th November 2008 (Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21st March 1983, if he does agree to this)."
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW

6.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw verwijst naar een brief van 15 november 2025 van de
Staatsanwaltschaft Nürnberg-Fürth, die een sepotbeslissing bevat. Hoewel onduidelijk is of deze sepotbeslissing van de
Staatsanwaltschaft Nürnberg-Fürthbetrekking heeft op de feiten die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, verzoekt de raadsvrouw, onder verwijzing naar artikel 9, eerste lid, onder c, OLW, om de Duitse autoriteiten te vragen of de genoemde strafbare feiten in het EAB geseponeerd zijn.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overgelegde sepotbeslissing van 15 november 2025 afkomstig is van een officier van justitie die werkt in een andere regio in Duitsland. De beslissing bevat daarnaast geen kenmerk dat overeenkomt met die van het EAB. Het openbaar ministerie heeft dan ook geen aanleiding gezien om hierover vragen te stellen aan de Duitse autoriteiten.
6.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de strafbare feiten zoals genoemd in onderdeel e) van het EAB door de Duitse autoriteiten afgedaan zijn middels een sepotbeslissing. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feiten blijkens de omschrijving allemaal gepleegd zijn in Emmerich am Rhein, gelegen in Noordrijn-Westfalen, terwijl de sepotbeslissing afkomstig is van de
Staatsanwaltschaft Nürnberg-Fürth.De feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, zijn dus gepleegd in een geheel andere regio dan de regio van waar de sepotbeslissing afkomstig is. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de opgeëiste persoon nog steeds wordt vervolgd voor de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB en ziet daarom geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

7.Artikel 11 OLW

7.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. In dit kader verwijst zij naar het recht op familieleven dat wordt geschonden als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd, en naar artikel 26 van het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: Handvest) dat ziet op de rechten van mensen met een handicap. De opgeëiste persoon heeft verschillende beperkingen waardoor hij kwetsbaar is. Hierdoor woont hij op dit moment in een begeleid wonen project en staat hij onder bewind en heeft hij een mentor. Na overlevering zal de opgeëiste persoon zijn woning met begeleiding, zijn werk en de begeleiding van zijn mentor en zijn bewindvoerder, verliezen. Bovendien is onduidelijk of in de Duitse detentie-instellingen voldoende faciliteiten zijn voor de speciale behoeften van de opgeëiste persoon.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank geen algemeen gevaar heeft aangenomen voor detentie-instellingen in Duitsland. Daarnaast vormt overlevering een gerechtvaardigde inbreuk op het recht op familieleven. Hetzelfde geldt voor artikel 26 Handvest. Vele individuen in de overleveringsprocedure kampen met een gelijksoortige problematiek als die van de opgeëiste persoon. Dit vormt echter geen reden om de overlevering te weigeren.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52, eerste lid, Handvest, een toegestane beperking is van de uitoefening van het recht op familieleven, zoals bedoeld in artikel 7 Handvest. Vanwege de tijdelijke aard van de beperking is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, op zichzelf niet onevenredig. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zal het familieleven van een opgeëiste persoon zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met de overlevering wordt nagestreefd. De rechtbank heeft oog voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon, zijn kwetsbare situatie en de ondersteuning die aan hem op dit moment wordt geboden door verschillende familieleden, maar deze omstandigheden maken niet dat sprake is van zulke uitzonderlijke omstandigheden dat die zwaarder moeten wegen dan het doel dat met de overlevering van de opgeëiste persoon wordt nagestreefd.
Wat betreft het verweer dat onduidelijk is of in de Duitse detentie-instellingen voldoende faciliteiten zijn voor de speciale behoeften van de opgeëiste persoon, overweegt de rechtbank dat geen algemeen reëel gevaar is vastgesteld dat gedetineerden, al dan niet kwetsbaar, in de detentie-instellingen in Duitsland onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 4 van het Handvest. Ook is niet gebleken van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit zou kunnen volgen dat een algemeen reëel gevaar bestaat dat de Duitse autoriteiten de benodigde ondersteuning voor kwetsbare personen in de detentie-instellingen niet kunnen garanderen. Nu van een
algemeengevaar geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een
concreetgevaar voor de opgeëiste persoon. De individuele situatie van de opgeëiste persoon kan namelijk alleen dan worden onderzocht wanneer een algemeen gevaar is vastgesteld. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Direktorin des Amtsgericht KLeve, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (