In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 30 december 2025 uitspraak gedaan over een vordering tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door het Amtsgericht Hof in Duitsland. De opgeëiste persoon, geboren in 2004, werd beschuldigd van strafbare feiten die onder de lijstfeiten van de Overleveringswet (OLW) vallen, namelijk georganiseerde of gewapende diefstal. Tijdens de zitting op 16 december 2025 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.R. Kops, en de officier van justitie, mr. W.L.M. van Poll. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en zich beroept op de garantie van terugkeer naar Nederland na een eventuele veroordeling in Duitsland. De rechtbank oordeelt dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat de opgeëiste persoon voldoende banden met Nederland heeft, wat de maatschappelijke re-integratie bevorderd. De openbare aanklaagster heeft een garantie gegeven dat de opgeëiste persoon in geval van veroordeling in Duitsland naar Nederland zal worden gerepatrieerd voor de uitvoering van de straf. De rechtbank concludeert dat het EAB voldoet aan de eisen van de OLW en dat er geen weigeringsgronden zijn voor de overlevering. Daarom staat de rechtbank de overlevering toe.