ECLI:NL:RBAMS:2025:10795

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
13/278129-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot strafrechtelijke vervolging in Polen

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 30 december 2025 uitspraak gedaan over een vordering tot overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy W Katowicach, V Wydzial Karny in Polen. De opgeëiste persoon, geboren in 1982 in Polen, was gedetineerd in Nederland en had geen vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 16 december 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was met zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de zitting die leidde tot het vonnis van 18 november 2016, en dat er geen van de in artikel 12 OLW genoemde omstandigheden zich voordeden. De raadsvrouw voerde aan dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing was, omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure. De officier van justitie betoogde echter dat het vonnis op het juiste adres was betekend en dat de opgeëiste persoon op de hoogte had moeten zijn van de procedure.

De rechtbank oordeelde dat de overlevering niet in strijd was met de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, omdat hij op de hoogte was van de verdenking en de verplichting had om bereikbaar te zijn. De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden waren. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, waarbij de opgeëiste persoon werd gewezen op de gevolgen van zijn afwezigheid en het niet naleven van de adresinstructie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/278129-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 januari 2025 door
Sąd Okręgowy W Katowicach, V Wydzial Karny (the Circuit Court in Katowice, V Penal Division), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Circuit Court in Katowicevan 18 november 2016 met referentie V K 232/15.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog een jaar, elf maanden en tweeëntwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1
Inleiding
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 21 oktober 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(...) be also advised that on 3rd September 2025 [de rechtbank begrijpt 2015], in the course of preparatory proceedings, [opgeëiste persoon] was interrogation he indicated the current address for delivery and signed the instructions; he was also informed of the provisions of Article 139 CCP (the transcript of interrogation and the instructions signed by the above named are attached hereto). [opgeëiste persoon] address for delivery: [adres] (i.e. his sister's place of residence). The correspondence, including the judgment rendered in case V K 232/15 which - under Polish law - was effectively served, was sent in the course of the proceedings to the above address (a covering letter with instructions and confirmation of delivery are attached hereto).’’
4.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de zitting die heeft geleid tot het vonnis van 18 november 2016, en geen van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden zich voordoen. De rechtbank kan niet afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon heeft voldaan aan zijn verplichtingen die volgden uit de adresinstructie. Uit de ondertekende adresinstructie blijkt niet dat de opgeëiste persoon er op is gewezen dat, in het geval hij niet ter zitting zou verschijnen terwijl hij wel op het opgegeven adres is opgeroepen, er een inhoudelijke beslissing kon worden genomen. Bovendien heeft de opgeëiste persoon niet alleen het adres van zijn zus in Polen opgegeven, maar ook zijn adres in Engeland. Op het adres van zijn zus heeft hij geen oproep voor de zitting ontvangen. In de aanvullende informatie staat ook niet vermeld op welke wijze en wanneer hij is opgeroepen voor de zitting. Hierdoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was of op de hoogte had kunnen zijn van de procedure. Uit het feit dat hij niet binnen de termijn hoger beroep heeft ingesteld, volgt niet dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten dan wel dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat het vonnis hem nooit heeft bereikt. De raadsvrouw doet subsidiair een verzoek tot aanhouding om aanvullende informatie op te vragen over de wijze waarop de oproep voor de zitting is verstuurd, namelijk wanneer, naar welk adres en of deze op de juiste wijze is betekend.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat artikel 12, onder c, OLW van toepassing is nu uit de aanvullende informatie van 21 oktober 2025 blijkt dat het vonnis is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres en dat het vonnis ook op de juiste wijze is betekend. Mocht de rechtbank tot een ander oordeel komen, dan stelt de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De door de opgeëiste persoon ondertekende adresinstructie voldoet aan alle eisen en blijkens de verstrekte informatie is alle correspondentie, waaronder ook de oproep voor de zitting, verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. In de adresinstructie is de opgeëiste persoon bovendien gewezen op de consequentie van het niet naleven van de adresinstructie, waaronder de gevolgen van het niet verschijnen.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de situatie als genoemd in artikel 12, onder c, OLW zich niet voordoet. Daarvoor is namelijk vereist dat het vonnis de opgeëiste persoon heeft bereikt, zodat hij de beslissing daadwerkelijk kende en in de gelegenheid was daartegen een rechtsmiddel aan te wenden. [4] Dat dit het geval is blijkt niet uit het EAB noch uit de aanvullende informatie van 21 oktober 2025.
Gelet op het voorgaande kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de toelichting in onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 21 oktober 2025 volgt dat de opgeëiste persoon bij een verhoor tijdens het vooronderzoek het adres van zijn zus in Polen heeft opgegeven als correspondentieadres. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking en heeft er rekening mee moeten houden dat een strafrechtelijke procedure zou kunnen volgen. Hij is tijdens het verhoor eveneens gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en om bij verblijf in het buitenland bereikbaar te blijven op een adres in Polen. Ook is de opgeëiste persoon gewezen op de gevolgen als hij deze verplichting niet zou naleven en niet aanwezig zou zijn bij de zitting, namelijk dat de zaak dan inhoudelijk zou kunnen worden afgedaan. Uit de aanvullende informatie blijkt voorts dat de opgeëiste persoon deze adresinstructie heeft ondertekend. De oproeping voor de zitting en het vonnis zijn vervolgens naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in Polen gestuurd.
Deze omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon had kunnen en moeten weten dat een strafproces tegen hem aanhangig was en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dus niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

5.Strafbaarheid

5.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat weliswaar drie lijstfeiten zijn aangekruist, maar dat niet alle strafbare feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf van maximaal ten minste drie jaar hebben. Voor de feiten 3, 5 en 7 dient daarom de dubbele strafbaarheid te worden getoetst.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de strafbare feiten 3, 5 en 7 dubbel strafbaar zijn.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
oplichting;
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten.
Uit het EAB volgt dat op de feiten 1, 2, 4, 6 en 8 naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat voor deze feiten een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid achterwege moet blijven.
Dat geldt niet voor de feiten 3, 5 en 7. Op die feitenstaat naar Pools recht geen vrijheidsstraf van maximaal ten minste drie jaar. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
het opzettelijk begaan van het feit omschreven in artikel 68, eerste lid, onder a, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR), meermalen gepleegd;
het opzettelijk voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in valse of vervalste vorm.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 68 en 69 AWR en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Sąd Okręgowy W Katowicach, V Wydzial Karny (the Circuit Court in Katowice,
V Penal Division),Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie rb. Amsterdam, 2 oktober 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2664 en rb. Amsterdam, 21 december 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0683.