ECLI:NL:RBAMS:2025:10796

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
1321979725
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel en overlevering aan Polen

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1987 in Polen, die wordt verdacht van strafbare feiten. De rechtbank heeft eerder op 11 september 2025 de termijn voor uitspraak verlengd en op 25 september 2025 geoordeeld over de grondslag van het EAB. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, wat de mogelijkheid van overlevering vergemakkelijkt. Tijdens de zitting op 9 oktober 2025 was het benodigde certificaat nog niet ontvangen, wat leidde tot een verdere verlenging van de beslistermijn. Op 4 december 2025 heeft de rechtbank opnieuw de behandeling voortgezet, waarbij de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw aanwezig waren. De rechtbank heeft besloten het onderzoek voor onbepaalde tijd te heropenen en de beslistermijn met 60 dagen te verlengen, om het certificaat af te wachten. De rechtbank heeft de officier van justitie opgedragen navraag te doen bij de Poolse autoriteiten over de verwachte tijd voor het verstrekken van het certificaat. De rechtbank heeft benadrukt dat de procedure nog niet is ingericht op de door het Hof van Justitie van de Europese Unie voorgeschreven werkwijze, wat kan leiden tot overschrijding van de wettelijke termijn voor de overlevering. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-219797-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 25 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 april 2020 door
the Circuit Court in Tarnobrzeg, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsaders in de Basisregistratie Personen:
[adres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 11 september 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 september 2025. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW)
uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 25 september 2025 [3]
Bij tussenuitspraak van 25 september 2025 heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten, en het gelijkstellingsverweer en de in dat verband beoordeelde verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft daarom het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het veroordelende vonnis en het certificaat op te vragen bij de Poolse autoriteiten. Wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
Zitting van 9 oktober 2025
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 oktober 2025. Het benodigde certificaat en vonnis waren ten tijde van die zitting nog niet verstrekt. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst en de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie, zoals bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid omdat de procedure afwijkt van de eerdere praktijk waarin zonder deze stukken (certificaat en vonnis) kon worden geweigerd en de straf direct kon worden overgenomen. De praktijk is nog niet ingericht op de door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) voorgeschreven werkwijze waardoor het kan voorkomen dat de in de wet voorgeschreven termijn niet gehaald wordt.
Zitting 4 december 2025
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 25 september 2025 geoordeeld dat aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander is voldaan. De rechtbank heeft daaropvolgend geconcludeerd dat de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf door Nederland kan worden overgenomen. Gelet op het arrest
C.J.van het HvJEU heeft de rechtbank het onderzoek heropend om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit het vonnis van
the District Court in Mielecvan 11 mei 2016 en het certificaat op te vragen.
Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft de rechtbank inmiddels het vonnis van
the District Court in Mielecvan 11 mei 2016 ontvangen. Ten aanzien van het certificaat heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 26 november 2025 de volgende informatie verstrekt:
"Dear Sirs, in response to the message of 24 November 2025 in case II Kop 15/20 (II Kop 28/25), we would like to kindly inform you that the certificate constituting Annex No. 1 to the Framework Decision 2008/09 with a translation will be sent after the final conclusion of the proceedings in the case conducted at the Regional Court in Tarnobrzeg under the reference number II Kop 28/25.Due to the procedural deadlines in case II Kop 28/25, it is not possible to clearly indicate the deadline for the final completion of these proceedings, and only then is it possible to issue a certificate constituting Annex No. 1 to Framework Decision 2008/09."
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd wegens verjaring als bedoeld in artikel 9, lid 1, aanhef en onder f, OLW. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om het certificaat af te wachten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden toegestaan omdat er gelet op het lange tijdsverloop inmiddels geen sprake meer is van een bijzondere omstandigheid die verlenging van de beslistermijn rechtvaardigt. Ter zitting heeft de officier van justitie als tweede mogelijkheid voorgesteld het onderzoek ter zitting niet te sluiten zodat de twee weken tot de uitspraak van 18 december 2025 nog kunnen worden gebruikt om te bezien of het certificaat toch nog tijdig wordt ontvangen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat uit de berichten van de Poolse autoriteiten van 2 en 8 oktober 2025 en – laatstelijk – van 26 november 2025 blijkt dat in Polen een procedure aanhangig is voordat het certificaat kan worden toegestuurd. Uit deze berichten kan niet worden afgeleid dat het certificaat niet zal worden verstrekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat zich in dit geval nog steeds een uitzonderlijke situatie voordoet omdat de praktijk nog niet is ingericht op de door het HvJEU voorgeschreven werkwijze, waardoor het kan voorkomen dat de in de wet voorgeschreven termijn niet gehaald wordt.
De rechtbank heropent daarom het onderzoek voor onbepaalde tijd en verlengt de beslistermijn met 60 dagen zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste gevangenhouding – voor de duur van 60 dagen teneinde het certificaat af te wachten.
De rechtbank draagt de officier van justitie daarnaast op om bij de Poolse autoriteiten navraag te doen naar de tijd die naar verwachting nog gemoeid is met het toezenden van het certificaat. In dit verband overweegt de rechtbank dat haar uit het bericht van de Poolse autoriteiten van 26 november 2026 niet duidelijk blijkt wat de reden is dat geen indicatie kan worden gegeven over de tijd die naar verwachting nog gemoeid is met de toezending van het certificaat. De rechtbank voegt daaraan toe dat zij ambtshalve bekend is met andere Poolse overleveringszaken waarin het certificaat wel binnen de beslistermijn van 90 dagen is ontvangen. De rechtbank draagt in het kader van deze heropening daarom ook aan de officier van justitie op om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
De rechtbank is ambtshalve bekend met Poolse overleveringszaken waarin het wel mogelijk was het certificaat binnen de beslistermijn van 90 dagen te ontvangen. De rechtbank is gebonden aan genoemde beslistermijn van 90 dagen en kan slechts in uitzonderlijke gevallen deze beslistermijn (meerdere keren) verlengen.
1.
De rechtbank begrijpt dat een procedure aanhangig is (number II Kop 28/25) waardoor het tot heden niet mogelijk was het certificaat toe te zenden. Kunt u uitleggen waarom het verstrekken van het certificaat in deze zaak meer tijd in beslag neemt? Kunt u laten weten hoe lang deze procedure naar verwachting nog duurt?
2.
Is het nog mogelijk dat het verstrekken van het certificaat wordt geweigerd?
3. Is het inmiddels mogelijk om het certificaat te verstrekken en zo nee, kunt U een verwachte datum noemen waarop het certificaat zal worden verstrekt?

4.De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f) OLW

Voor het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 25 september 2025. De rechtbank ziet ook thans aanleiding nog niet op dit verweer te beslissen en verwijst naar de overwegingen onder 7 van de tussenuitspraak die hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

5.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het voornoemde verzoek onder 3 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 16 februari 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór 16 februari 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw en van een tolk in de Poolse taal.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.