AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering Nederlandse verdachte aan België op grond van Europees aanhoudingsbevel met detentiegaranties
De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 december 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Hof van beroep te Antwerpen, België, gericht op de overlevering van een Nederlandse verdachte die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen.
De verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit en in Nederland verblijft, was niet aanwezig op de zitting maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de formele eisen en dat de strafbare feiten in België een gevangenisstraf van minimaal drie jaar kunnen opleveren, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden getoetst.
De verdachte beriep zich op de terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6 vanPro de Overleveringswet (OLW). De Belgische autoriteiten gaven een schriftelijke garantie dat de verdachte na veroordeling zijn straf in Nederland mag ondergaan. Tevens werd een individuele detentiegarantie afgegeven voor de detentieomstandigheden in België, waarmee het algemene risico op onmenselijke behandeling werd weggenomen.
De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering kan worden toegestaan. De verdachte mag maximaal 14 dagen in België verblijven voor de zitting van het hoger beroep en zal daarna terugkeren naar Nederland. De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan België toe onder de voorwaarde van een terugkeergarantie en individuele detentiegaranties.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-296760-25
Datum uitspraak: 4 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 17 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 november 2025 door de advocaat-generaal van het parket-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd uit anderen hoofde in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, kamer C5 in correctionele zaken, d.d. 22 oktober 2025, met referentienummers 2025/CO/52, 2020/PGA/3538 en 2025/VJ11/173.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [2]
Onder f van het EAB wordt beschreven dat dit EAB op verzoek van de raadsman van de opgeëiste persoon is uitgevaardigd om de opgeëiste persoon aanwezig te laten zijn op de zitting van 17 december 2025 van het Hof van beroep. Bij de stukken bevindt zich het desbetreffende arrest van 22 oktober 2025. Daarin wordt vermeld – kort gezegd – dat de opgeëiste persoon bij vonnis in eerste aanleg van de rechtbank Antwerpen van 22 november 2024 voor de feiten in het EAB is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden (en een geldboete van € 16.000,-) en dat tegen dit vonnis door de opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld. Bij dit arrest wordt de aanhouding van de opgeëiste persoon bevolen om hem op de zitting van het Hof van beroep te Antwerpen op 17 december 2025 om 9.20 uur bij de behandeling van de zaak aanwezig te laten zijn. Het Hof van beroep heeft daarbij verder bepaald dat dit aanhoudingsbevel wordt medegedeeld aan het ambt van de procureur-generaal bij het Hof van beroep te Antwerpen met het oog op tenuitvoerlegging middels een EAB en dat daarbij wordt gezegd dat de beklaagde (de rechtbank leest: opgeëiste persoon) niet langer dan 14 dagen in België dient te verblijven.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat een rechterlijke autoriteit, het Hof van beroep te Antwerpen, vóór de overlevering de voorwaarden voor en de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB heeft getoetst.
De raadsman heeft ter zitting uitgelegd dat de opgeëiste persoon op 14 december 2025 in de gevangenis een ‘vader-kind dag’ heeft en hij ervan uitgaat dat de opgeëiste persoon eerst na die datum wordt overgeleverd. Ook gaat de raadsman ervan uit dat de opgeëiste persoon direct na de behandeling van het hoger beroep op 17 december 2025 weer naar Nederland terug kan gaan. Als hij langer dan een week afwezig is, zou hij zijn verworven rechten in de P.I. in Nederland verliezen.
4.Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [3] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De advocaat-generaal van het parket-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen heeft op 21 november 2025 de volgende garantie gegeven:
"Advocaat-generaal Bart Van der Veken verleent de garantie dat [opgeëiste persoon] [geboortedag] , in het geval hij onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, hij deze in Nederland mag ondergaan.
De overlevering wordt gevraagd zodat betrokkene in persoon aanwezig kan zijn bij de zitting van 17.12.2025. [opgeëiste persoon] kan maximaal 14 dagen in België verblijven en zal na de zitting terug overgeleverd worden aan Nederland."
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. [4]
Bij brief van 13 november 2025 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven:
"1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan de welke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren."
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 13 november 2025. [5] De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).
7.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
9.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan de advocaat-generaal van het parket-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, België voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.