ECLI:NL:RBAMS:2025:10808

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
1327803323
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering op basis van artikel 12 OLW in verband met een Europees aanhoudingsbevel

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen. De rechtbank heeft de overlevering geweigerd op grond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW), omdat de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen bij de processen die tot de onderliggende vonnissen hebben geleid. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en dat hij een advocaat had gemachtigd om zijn verdediging te voeren. De rechtbank concludeert dat de opgeëiste persoon impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en dat hij onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank heeft ook overwogen dat er onvoldoende duidelijkheid is over de resterende straf die de opgeëiste persoon nog moet uitzitten, wat ook een reden is voor de weigering van de overlevering. De uitspraak is gedaan in het openbaar en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-278033-23
Datum uitspraak: 18 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 3 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 augustus 2023 door
the Regional Court in Szczecin,Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. van Aken, advocaat in Geertruidenberg, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgment of the District Court in Świnoujście, dated 17 December 2019,met referentie II K 552/19 (hierna: het cumulatieve vonnis).
In het EAB en de aanvullende informatie van 31 oktober 2025 is opgenomen dat aan het cumulatieve vonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
the judgment of the District Court in Świnoujście, dated 15 May 2019,met referentie II K 13/19 (hierna: vonnis a);
a cumulative judgment of the District Court in Świnoujście, dated 27 September 2018, met referentie II K 504/17 (hierna: vonnis b). Aan dit cumulatieve vonnis liggen weer de volgende vonnissen ten grondslag:
b1.
a judgment of the District Court in Świnoujście on 1 June 2017,met referentie II K 291/16 (hierna: vonnis b1);
b2.
a judgment of the District Court in Świnoujście on 30 May 2017,met referentie II K 160/17 (hierna: vonnis b2);
b3.
a judgment of the District Court in Świnoujście on 29 June 2017, met referentie II K 67/17 (hierna: vonnis b3).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 131 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde cumulatieve vonnis.
Voornoemde vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
Resterende uit te zitten straf
De raadsman stelt zich op het standpunt dat er mogelijk geen reststraf meer is omdat de opgeëiste persoon blijkens het EAB van 12 februari 2019 tot 28 februari 2020 gedetineerd was in Polen en daarnaast in Nederland én in Duitsland in overleveringsdetentie heeft vastgezeten. Ten behoeve van de leesbaarheid zal de rechtbank dit verweer bespreken ná de toetsing van artikel 12 OLW.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 31 oktober 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
1.
“With reference to the judgement II K 291/16:The judgement was passed by the District Court in Świnoujście on 1.06.2017.
2.
With reference to the judgement II K 160/17:The judgement was passed by the District Court in Świnoujście on 30.05.2017.
3.
With reference to the judgement II K 67/17:The judgement was passed by the District Court in Świnoujście on 29.06.2017.
4.
The Regional Court in Szczecin by the decision of the 13th December 2021 revoked the conditional early release, because the sentenced person was not realizing the obligations imposed on him during the probation period. The Court had imposed on him the following obligations: maintaining permanent contact with his probation officer, taking up and performing permanent paid work, abstaining from alcohol abuse and not using intoxicants, continuing therapy for individuals addicted to intoxicants in non-custodial conditions, and observing the rules of social coexistence and legal order. The probation officer on the 16th September 2021 lodged a motion for the cancellation of the conditional early release of the sentenced person on account of the sentenced [de opgeëiste persoon] evasion of the probation obligations imposed on him and evasion of the probation officer's supervision. The sentenced person was not answering the probation officer's summonses, he did not take up the indicated therapy, he did not carry out the fines, imposed on him, which were subsequently changed into penalties of deprivation of freedom, and paid by his mother.
5.
The summons in the case II K 504/17 was sent to the address [adres] in [woonplaats] and the sentenced person at this address was collecting the correspondence. In the course of the proceedings he was not informing of a change of the address for directing the correspondence.
6.
The judgement II K 504/17 is a cumulative judgement - an instruction about the obligation is being delivered in underlying cases.
7.
The sentenced person collected in person the penal judgement in form of an order in the case II K 160/17 together with the instructions on 09.05.2017.
8.
The sentenced person during the detention on 22.11.2016 gave an address for correspondence - [adres] in [woonplaats] .
9.
The sentenced person was also on 22.11.2016 informed of informing of each change of the place of residence or stay lasting longer than 7 days, and also informed about this, that in case of a failure to inform of a change of the address for correspondence a letter shall be recognized to have been effectively delivered.
10.
The sentenced person on 25.01.2017 gave an address for correspondence - [adres] in [woonplaats] .
11.
The sentenced person was also instructed on 25.10.2017 of informing of each change of the place of residence or stay lasting longer than 7 days, and also informed about this, that in case of a failure to inform of a change of the address for correspondence a letter shall be recognized to have been effectively delivered.”
Op 7 november 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
1.
“The sentenced person in the underlying cases was explicitly instructed about this, that the criminal proceedings can be conducted without his presence.
1) To appear on each summons and to notify the authority conducting the proceedings of each change of the place of residence or stay lasting longer than 7 days, therein also on account of deprivation of freedom in another case (provisional arrest, putting in a penitentiary establishment for the purpose of serving a penalty) and also of each change of the data which enable being in contact with him (number of the telephone, address of the electronic post); in case of non-appearance the suspect can be detained and compulsorily brought.
2) To indicated an address to which the correspondence will be directed, otherwise the action or trial shall be conducted in the suspect's absence, a non-indication of the address may also render impossible the lodging of a motion, comp1aint or appeal due to the lapse of time limits.
3)To indicate an addressee (that is a person or institution with address data) for deliveries in Poland, when he is staying abroad, otherwise a letter sent to the last known address in Poland shall be recognized to have been effectively served, and the action or trial shall be conducted in the suspect's absence, a non-indication of the addressee may also render impossible the lodging of a motion, complaint or appeal due to the lapse of time limits.
4) To indicate a new address in case of a change of the place of residence or stay, therein also on account of deprivation of freedom in another case (provisional arrest, putting in a penitentiary establishment for the purpose of serving a penalty), otherwise a letter sent to the hitherto existing address shall be recognized to have been effectively served, and the action or trial shall be conducted in the suspect's absence, a non-indication of the address may also render impossible the lodging of a motion, complaint or appeal due to the lapse of time limits.
The above indicated instruction refers to each stage of the proceedings and is universal, that is it is the same for each proceedings and is obligatory for a suspect, an accused or a sentenced person on every stage and in each case.
2.
[de opgeëiste persoon] on account of the multiple notifying and summoning him to the trial in the subject of passing a cumulative judgement, was aware of the proceedings pending in this subject.
3.
The Court was notified on 29 .09.2017 by the probation officer at the District Court in Świnoujście of the coming into existence of the possibility to pass a cumulative judgement.
4.
The sentenced person was instructed of the possibility lodge an objection against the penal judgment in form of an order within 7 days from the date of serving the judgment, in the objection it was necessary to indicate: the authority to which the objection is directed and the reference number of files to which the objection refers, the denotation and the address of the person lodging the objection, the contents of the objection, the date and signature of the person lodging the objection. At the same time the Court instructed that in the event of an objection having been lodged the penal judgement in form of an order loses its force, and the case is subject to examination under general principles.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon geen weet had van de procedure en geen advocaat heeft gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. De opgeëiste persoon stelt dat hij in Polen procesafspraken heeft gemaakt, voorwaardelijk in vrijheid is gesteld en zich steeds heeft gehouden aan zijn afspraken met de reclassering. Hij heeft Polen pas verlaten nadat dat werd toegestaan door de reclasseringsambtenaar. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden zodat contact kan worden gezocht met een raadsman in Polen om nadere informatie uit Polen te verkrijgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ten aanzien van het cumulatieve vonnis met kenmerk II K 552/19 niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon vertegenwoordigd is door een gemachtigde advocaat. Ten aanzien van vonnis II K13/19 (vonnis a) is de weigeringsgrond evenmin van toepassing omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces. Ten aanzien van vonnis II K 504/17 (vonnis b) kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond omdat de oproep voor de zitting naar het opgegeven adres is verstuurd. De opgeëiste persoon heeft in ieder geval één van de oproepen in ontvangst genomen. Hij was daarmee op de hoogte van deze verzamelprocedure. Ten aanzien van het onderliggende vonnis II K 291/16 (vonnis b1) is de weigeringsgrond niet van toepassing omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces. Ten aanzien van het tweede onderliggende vonnis (de strafbeschikking met kenmerk II K 160/17, vonnis b2) is de opgeëiste persoon in persoon gedagvaard en op de hoogte gesteld van de procedure. Ten aanzien van het derde onderliggende vonnis II K 67/17 (vonnis b3) kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond omdat de oproep voor deze zitting naar het opgegeven adres is verstuurd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het cumulatieve vonnis met kenmerk II K 552/19
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
a. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K13/19
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.
b. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 504/17
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet in zoverre echter aanleiding om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Zij licht dat toe. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. De oproepen voor de zes zittingen zijn naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Hij heeft één oproep voor een zitting persoonlijk in ontvangst genomen op het door hem opgegeven adres en voor ontvangst getekend. Uit de aanvullende informatie van 31 oktober 2025 blijkt dat het gaat om het adres [adres] in [woonplaats] . Verder blijkt uit de aanvullende informatie van 31 oktober 2025 dat de opgeëiste persoon in de onderliggende vonnissen een adresinstructie heeft ontvangen waarin hij is gewezen op de verplichting om gedurende de hele procedure adreswijzigingen aan de autoriteiten door te geven en op de gevolgen van het niet doorgeven van een wijziging. Omdat in de aanvullende informatie van 31 oktober 2025 wordt gesproken over
“a sentenced person”en uit de aanvullende informatie van 7 november 2025 (onder 1 sub 4) volgt dat de adresinstructie geldt voor verdachten, beschuldigden en veroordeelden in elk stadium van de procedure, is het de rechtbank duidelijk dat deze adresinstructie zich – op een voor de opgeëiste persoon kenbare wijze – ook uitstrekt tot veroordeelden en een eventuele verzamelprocedure. Het lag dan ook op de weg van de opgeëiste persoon om op het opgegeven adres de post in de gaten te houden. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij geen weet had van de zitting, is onvoldoende om de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit in twijfel te trekken. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, dan wel dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het verweer wordt verworpen.
b1. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 291/16
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.
b2. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 160/17
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een strafbeschikking
(‘penal order’), terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Op grond van de aanvullende informatie van 31 oktober 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 9 mei 2017 de strafbeschikking met instructies in persoon heeft ontvangen. Volgens het EAB heeft op 30 mei 2017 een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest, en waarop de vrijheidsbeperkende maatregel van zes maanden aan hem is opgelegd. Uit het EAB en uit de aanvullende informatie blijkt niet welke informatie de opgeëiste persoon op 9 mei 2017 precies heeft ontvangen. Uit de aanvullende informatie van 31 oktober 2025 lijkt te volgen dat de opgeëiste persoon de strafbeschikking met daarin de vrijheidsbeperkende straf heeft ontvangen, maar de hoogte van de aan hem op te leggen straf is kennelijk pas in een latere zitting bepaald. Deze informatie is dus tegenstrijdig. Uit de informatie van de Poolse autoriteiten blijkt niet wat (verder) de reden is geweest voor de zitting op 30 mei 2017. Er staat immers niet vermeld of de opgeëiste persoon beroep heeft aangetekend tegen de beschikking of niet. Ook blijkt niet of de opgeëiste persoon op enig moment is opgeroepen voor die zitting. De rechtbank kan op basis van de beschikbare informatie niet beoordelen of de opgeëiste persoon op enig moment zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen in de procedure rond de strafbeschikking of dat hij daar op enig moment (stilzwijgend) afstand van heeft gedaan.
In deze zaak zijn door het Openbaar Ministerie meerdere keren vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten over de verschillende procedures in Polen die hebben geleid tot de vonnissen die ten grondslag liggen aan het EAB. De beslistermijn verstrijkt op 29 december 2025. Mede gelet op de nadere feestdagen, ziet de rechtbank daarom geen ruimte meer om nogmaals vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf in de zaak met kenmerk II K 160/17. De rechtbank weigert daarom de overlevering voor de straf die is opgelegd in de zaak met kenmerk II K 160/17.
De vrijheidsbeperkende straf van zes maanden uit de zaak met kenmerk II K 160/17 is in vonnis b (het verzamelvonnis met kenmerk II K 504/17) omgezet naar een vrijheidsbenemende straf en samengevoegd met de straffen van de andere twee onderliggende vonnissen tot een gevangenisstraf. Aangezien de overlevering voor de zaak met kenmerk II K 160/17 wordt geweigerd, wordt die ook geweigerd voor het deel van de opgelegde gevangenisstraf dat ziet op de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf. Uit de informatie over de verschillende vonnissen blijkt niet welk deel van de straf ziet op het vonnis met kenmerk II K 160/17.
3.2
Vervolg grondslag en inhoud van het EAB
De raadsman stelt zich op het standpunt dat aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Poolse autoriteiten, omdat er mogelijk geen reststraf meer openstaat. De opgeëiste persoon was blijkens het EAB van 12 februari 2019 tot 28 februari 2020 gedetineerd in Polen. Daarnaast heeft hij in Nederland én in Duitsland in overleveringsdetentie gezeten.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet is onderbouwd dat er geen reststraf meer is en dat het aanhoudingsverzoek moet worden afgewezen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is dat er nog een straf openstaat die door de opgeëiste persoon moet worden uitgezeten. De rechtbank licht dat toe.
De rechtbank heeft ter zitting aan de raadsman en de officier van justitie medegedeeld dat zij die ochtend ambtshalve kennis heeft genomen van een gepubliceerde - in de Duitse taal gestelde - uitspraak van 4 maart 2024 [4] in een Duitse overleveringsprocedure en de verwijzingslink naar deze uitspraak ter zitting met hen gedeeld. Blijkens onder meer de naam van de opgeëiste persoon en de met het onderhavige EAB overeenkomende referentienummers van de vonnissen die daarin worden genoemd gaat de rechtbank ervan uit dat de Duitse rechter in die uitspraak heeft geoordeeld over een verzoek tot overlevering betreffende dezelfde vonnissen als die in het onderhavig EAB worden genoemd. Uit deze uitspraak maakt de rechtbank onder meer op dat, zoals de raadsman heeft gesteld, de opgeëiste persoon op 15 februari 2024 werd gearresteerd tijdens een verkeerscontrole in Frankfurt (Oder). De datum van de uitspraak is 4 maart 2024.
De opgeëiste persoon heeft dus ongeveer achttien (18) dagen in overleveringsdetentie gezeten in Duitsland. Vervolgens heeft de opgeëiste persoon ten tijde van onderhavige uitspraak 79 dagen in Nederland in overleveringsdetentie gezeten. De opgeëiste persoon heeft dus in totaal ongeveer 97 dagen in overleveringsdetentie doorgebracht. Deze straf moet bij executie van de straf in Polen worden afgetrokken van de resterende straf van 131 dagen. De opgeëiste persoon zou dan dus nog ongeveer 34 dagen gevangenisstraf moeten uitzitten. Dit betreft echter de resterende straf
inclusiefde omgezette vrijheidsbeperkende straf waarvoor de rechtbank de overlevering weigert. Het is niet bekend tot hoeveel dagen gevangenisstraf de vrijheidsbeperkende straf van zes maanden is omgezet noch hoe die gevangenisstraf vervolgens is verdisconteerd in de gevangenisstraf die is opgelegd bij het vonnis met kenmerk II K 504/17 die op haar beurt weer is opgegaan in de gevangenisstraf die is opgelegd bij het vonnis met kenmerk II K 552/19. Daardoor is ook niet bekend hoeveel dagen resteren als het deel van de gevangenisstraf die de Poolse rechters hebben toegekend aan de vrijheidsbeperkende straf van de nog openstaande straf wordt afgetrokken. Het is voorstelbaar dat dat dit deel van de gevangenisstraf een duur heeft van meer dan 34 dagen. In dat geval staat er voor de opgeëiste persoon geen straf meer open en moet de overlevering worden geweigerd.
De rechtbank zou over dit punt aanvullende vragen willen stellen aan de Poolse autoriteiten, maar, zoals hiervoor overwogen is er binnen de beslistermijn in deze zaak geen ruimte meer om deze vragen voor te leggen. Aangezien:
  • de rechtbank niet kan vaststellen dat er nog een strafdeel openstaat in Polen;
  • het risico bestaat dat dit niet het geval is (gelet op de weigering van de overlevering voor de tenuitvoerlegging van de straf in de zaak met kenmerk II K 160/17); en
  • er geen tijd meer is om dit na te vragen bij de Poolse autoriteiten,
zal de rechtbank de overlevering voor alle aan het EAB ten grondslag liggende vonnissen weigeren.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aan overlevering voor het vonnis met kenmerk II K 160/17 in de weg staat en het EAB, nu de overlevering voor dat deel niet kan worden toegestaan, niet voldoet aan artikel 2 OLW, nu onvoldoende duidelijk is of er nog een reststraf openstaat. Om die reden weigert de rechtbank de overlevering.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Szczecin,Polen.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.ECLI:DE:OLGBB:2024:0304.1OAUS9.24.00.