ECLI:NL:RBAMS:2025:10865

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13-234517-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld en poging tot diefstal met geweld in vereniging

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die op 4 september 2025 samen met een medeverdachte het slachtoffer heeft beroofd van een Louis Vuitton tas, een geldbedrag en een hotelpas. De beroving vond plaats op klaarlichte dag en ging gepaard met fors geweld, waarbij het slachtoffer met een life-hammer tegen het hoofd is geslagen. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van diefstal met geweld en poging tot diefstal met geweld. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht bij de reclassering en deelname aan dagbesteding. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de recidivekans van de verdachte. De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank een schadevergoeding van € 1.400,- heeft vastgesteld, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft ook beslag gelegd op bepaalde in beslag genomen goederen en deze verbeurd verklaard.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-234517-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte](hierna te noemen: verdachte),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 4 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I.J.G. van Raab van Canstein, advocaat in Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde partij] .
De zaak is tegelijk op de zitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/235907-25 ).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, samengevat, ten laste gelegd dat hij zich op 4 september 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1. diefstal met geweld van een Louis Vuitton tas, een geldbedrag en een hotelpas, toebehorende aan [benadeelde partij] , door twee of meer verenigde personen;
2. poging tot diefstal met geweld van een Rolex horloge, toebehorende aan [benadeelde partij] , door twee of meer verenigde personen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir - op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te
worden van het ten laste gelegde, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte daarbij betrokken is geweest. De aangetroffen goederen in de woning van de vriendin van verdachte duiden niet noodzakelijkerwijs op de aanwezigheid van verdachte bij de overval. Volgens de raadsman is er een alternatief scenario denkbaar, waarin een ander heeft verzocht om de goederen in de woning van de vriendin van verdachte te bewaren.
Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de herkenning van verdachte op de stills door de verbalisanten onbetrouwbaar is, omdat er sprake is van verschillende vormen van vooringenomenheid bij de verbalisanten.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Is verdachte NN2?
Verdachte ontkent zijn betrokkenheid bij de overval. De rechtbank overweegt hierover als volgt. NN2 heeft op 4 september 2025 samen met een medeverdachte (hierna: [medeverdachte] ) aangever [benadeelde partij] beroofd van zijn Louis Vuittontas, waarin een geldbedrag en een hotelpas zaten. Voorafgaand aan deze diefstal hebben zij geprobeerd het Rolex horloge van aangever te stelen. Deze beroving is gepaard gegaan met geweld jegens aangever, waarbij aangever onder meer tegen het hoofd is geslagen met een life-hammer. Na de beroving zijn zij gevlucht op een scooter waarvan de linkerspiegel was ingeklapt.
Verdachte kwam in beeld bij de politie omdat de politie een foto van een getuige heeft ontvangen waarop een deel van het kenteken van de scooter waarop NN2 en [medeverdachte] gevlucht zijn, herkenbaar was. Uit onderzoek naar het kenteken in de politiesystemen bleek een scooter met een overeenkomstig kenteken op naam te staan van de vriendin van verdachte. Verdachte bleek meermaals met deze scooter te zijn gecontroleerd door de politie.
De scooter is later, enige uren na de straatroof, aangetroffen in de buurt van de woning van de vriendin van verdachte. Hierop heeft de politie zicht gehouden op de scooter. Enige tijd later zagen zij verdachte uit de woning van zijn vriendin komen, waarop hij is aangehouden.
Met een machtiging tot binnentreden heeft de politie de woning betreden en doorzocht. Hierbij zijn de gestolen Louis Vuittontas, twee helmen, een life-hammer met mogelijke bloedsporen en twee jassen aangetroffen. Op de jas, merk Arc’teryx is een bloedspoor aangetroffen met DNA afkomstig van aangever. Ook is op de binnenzijde van een mouw van deze jas DNA aangetroffen van verdachte.
Na zijn aanhouding komt op de telefoon van verdachte een oproep binnen. Verdachte beantwoordt de oproep en zegt dat hij ‘geveegd’ is en kort daarna wordt hij gebeld door het telefoonnummer dat gekoppeld wordt aan medeverdachte [medeverdachte] . Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte is gebleken dat zijn telefoon rond het tijdstip van de overval onder het bereik van de zendmasten [adres 2] en [adres 3] is geweest. De locatie [adres 3] in Amsterdam is in de nabije omgeving van het plaats-delict, de [plaats-delict] in Amsterdam. Uit ditzelfde onderzoek blijkt ook dat verdachte op meerdere tijdstippen rondom de tijd van de overval contact heeft gehad met het telefoonnummer van [medeverdachte] .
Verder zijn op de telefoon van verdachte een aantal Snapchatgesprekken aangetroffen die hij op 4 september 2025 heeft gevoerd met zijn vriendin. Zij zegt om 16:30 uur, vlak na het tijdstip van de overval, tegen verdachte dat hij haar brommer goed moet parkeren, waarop verdachte om 16:42 uur reageert met: “jaa schatt”. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat de uitgelezen telefoon met het daaraan gekoppelde telefoonnummer van hem is.
De rechtbank stelt vast dat uit de inhoud van het gesprek tussen verdachte en zijn vriendin kan worden afgeleid dat verdachte op 4 september 2025 rond het tijdstip van de overval, op de scooter van zijn vriendin heeft gereden.
Alternatief scenario
Verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 8 september 2025 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de Louis Vuitton tas, die aan [benadeelde partij] toebehoort op de dag van het vooral van iemand heeft gekregen. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de Arc’teryx jas, waarop het DNA van verdachte en de aangever is aangetroffen, anderhalf jaar geleden een keer aan zou hebben gehad en dat zijn DNA op die manier op die jas terecht is gekomen. De rechtbank acht deze verklaringen, gelet op de bevindingen in het dossier, niet aannemelijk.
Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat NN2 verdachte Bouchlif is geweest.
Medeplegen
De rechtbank overweegt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , die duidelijk uit het procesdossier naar voren komt. Er bestond een duidelijke rolverdeling tussen de twee daders, waarbij verdachte de aangever vasthield, terwijl medeverdachte de aangever met een life-hammer sloeg op zijn hoofd. Vervolgens heeft verdachte de vlucht mogelijk gemaakt door met zijn scooter weg te rijden, waarbij medeverdachte met de weggenomen Louis Vuitton tas achterop de scooter kon springen. Beide daders hebben hiermee een voldoende substantiële bijdrage geleverd aan de straatroof en in nauwe en bewuste samenwerking gehandeld.
Op grond van het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld in vereniging en een poging tot diefstal met geweld in vereniging. Het oogmerk om de Rolex van [benadeelde partij] te stelen blijkt uit de bewoordingen die verdachten tijdens de straatroof hebben geuit. Zij hebben tijdens de beroving tegen de verdachte gezegd ‘give the watch’ en tegen elkaar ‘take the watch’.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage 2vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 4 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een Louis Vuitton tas, een geldbedrag en een hotelpas, die aan [benadeelde partij] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door met gebalde vuisten tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] te slaan en stompen en terwijl genoemde [benadeelde partij] al op de grond lag met een life-hammer, tegen het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] te slaan.
2.
op 4 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een Rolex horloge, dat aan [benadeelde partij] , toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal, te doen vergezellen van geweld tegen [benadeelde partij] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, met gebalde vuisten tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] te slaan en stompen en terwijl genoemde [benadeelde partij] al op de grond lag met een life-hammer, tegen het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] te slaan, en daarbij telkens te schreeuwen: "give the watch" en "take the watch", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.De strafmotivering

8.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering en met een proeftijd van twee jaar, zal worden opgelegd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte, als de rechtbank tot een veroordeling
komt, een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarbij heeft de raadsman verzocht om de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee te wegen bij de straftoemeting.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft op klaarlichte dag samen met een ander het slachtoffer beroofd van zijn Louis Vuittontas, waarin ook een geldbedrag en een hotelpas zaten. Hieraan voorafgaand hebben hij en zijn mededader geprobeerd het slachtoffer te beroven van zijn Rolex horloge. Hierbij hebben zij fors geweld gebruikt tegen het slachtoffer, waarbij het slachtoffer onder meer met een life-hammer tegen het hoofd is geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer aan zijn hoofd letsel opgelopen. Dit zijn ernstige feiten waarbij inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Bij het plegen van deze feiten heeft verdachte slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en niet gedacht aan de gevolgen die zijn handelen heeft voor het slachtoffer.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige delicten hier nog lange tijd psychische gevolgen van kunnen ondervinden. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte eveneens aan dat zijn handelen gevoelens van angst in de samenleving heeft aangewakkerd, aangezien gewelddadige straatroven bijdragen aan grote gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft met zijn handelen zowel aan de benadeelde schade en overlast toegebracht als aan de maatschappij zelf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 6 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in 2018 eerder wegens diefstal in vereniging is veroordeeld.
Uit het reclasseringsrapport van 20 november 2025 blijkt dat de reclassering vanwege de zwijgzame en bedachtzame houding van verdachte moeilijk een beeld heeft kunnen krijgen van hem en daardoor geen inschatting kan maken of hij intrinsiek gemotiveerd is om andere keuzes te maken in de toekomst. Volgens de reclassering is het opvallend dat verdachte al jaren geen werk en inkomen heeft. Niet uitgesloten wordt dat er sprake is van een criminele leefstijl en een delinquent netwerk. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.
Door de reclassering wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, gedragsinterventie praktische vaardigheden, locatiegebod (met elektronische monitoring), dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en ambulante begeleiding. De rechtbank zal dit advies van de reclassering overnemen.
De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte zowel bij de reclassering als ter terechtzitting geen berouw en inzicht heeft getoond in wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.
De straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze schrijven voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging voor een first offender een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor van zes maanden. De rechtbank zal rekening houden met de volgende strafvermeerderende factoren: het medeplegen en forse geweld dat gebruikt is tegen het slachtoffer. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast en geboden is. De rechtbank zal verdachte daarom een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering en met een proeftijd van twee jaar. Gelet op de hiervoor genoemde oriëntatiepunten en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

9.Beslag

Onder verdachte is, het volgende voorwerp in beslag genomen:
- Eén stuk gereedschap (goednummer: G6706252),
- Eén stuk zaklantaarn (goednummer: G6706253),
- Eén stuk bromfiets (goednummer: G6421018),
- Eén stuk aansteker (goednummer: G6706246),
- Eén stuk aansteker (goednummer: G6706247),
- Eén stuk pas (goednummer: G6706636),
- Eén stuk hamer (goednummer: G6706632),
- Eén stuk helm (goednummer: G6706233).
9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen gereedschap (goednummer: G6706252) en de in beslag genomen helm (goednummer: G6706233)
moeten worden verbeurdverklaard, omdat met deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan.
De in beslaggenomen zaklantaarn (goednummer: G6706253), bromfiets (goednummer: G6421018), aanstekers (goednummer: G6706246 en goednummer: G6706247), pas (goednummer: G6706636) en hamer (goednummer: G6706632) dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen
goederen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslaggenomen gereedschap (goednummer: G6706252) en de in beslag genomen helm (goednummer: G6706233) verbeurdverklaren, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan.
De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de rechthebbende van:
- Eén stuk zaklantaarn (goednummer: G6706253),
- Eén stuk bromfiets (goednummer: G6421018),
- Eén stuk aansteker (goednummer: G6706246),
- Eén stuk Aansteker (goednummer: G6706247),
- Eén stuk pas (goednummer: G6706636),
- Eén stuk hamer (goednummer: G6706632).

10.De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert een totaalbedrag van € 16.500,- met toekenning van wettelijke rente bestaande uit een immateriële schadevergoeding van € 5.000,- en een materiële schadevergoeding van € 11.500,-. De materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Gestolen geld (€ 500,-);
- Schade aan Rolex horloge (€ 7.000,-); en
- Schade aan Louis Vuitton tas (€ 4.000,-).
10.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, gelet op het vrijspraakverweer, primair verzocht om de materiële en immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de raadsman, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, zich op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende is onderbouwd, omdat er niet kan worden vastgesteld of er schade aan het horloge en de tas is en of er een geldbedrag van € 500,- in de weggenomen tas zat.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, primair verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet is onderbouwd en subsidiair om deze te beperken tot een bedrag van € 1.000,- , en het overige deel van de immateriële vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de materiële schadevergoeding heeft de officier van justitie verzocht om de vordering ten aanzien van het gestolen geld, te weten € 500,- toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ten aanzien van de overige materiële schadeposten dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze niet zijn onderbouwd.
De officier van justitie vindt dat de vordering ten aanzien van het immateriële deel kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.500,- inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft voorts verzocht de toe te kennen schadevergoeding hoofdelijk op te leggen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materieel
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het gestolen geld een bedrag van € 400,- voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien de aangever in zijn aangifte heeft verklaard dat er € 400,- uit zijn tas is gestolen. De rechtbank wijst daarom een bedrag van € 400,- toe. Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De overige materiële schadeposten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk verklaren.
Immaterieel
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij als gevolg van de overval fysiek letsel heeft opgelopen aan onder meer zijn hoofd en gezicht. Gelet op de ernst van de feiten, het letsel en schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een schadebedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd waarom er ook sprake zou zijn van geestelijk of psychisch letsel. Nu de benadeelde partij het overige deel van zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade niet heeft onderbouwd, zal de rechtbank het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren.
Concluderend wordt een bedrag van € 1.400,- toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast zal de rechtbank in het belang van de benadeelde partij als extra waarborg voor
betaling aan hem de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte
opleggen.
Hoofdelijk
De verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd nu verdachte het feit samen met een ander heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachte zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde bewezen.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan
hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
ten aanzien van feit 2:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf, niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat veroordeelde:
Meldplicht bij reclassering
1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 4] .
Locatiegebod (met elektronische monitoring)
2. gedurende het toezicht is de veroordeelde gedurende zes maanden op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, of korter zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. De reclassering kan de genoemde bloktijden veranderen.
De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit locatiegebod. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft. Het huidige verblijfadres is [adres 1] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
Dagbesteding
3. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan schuldhulpverlening
4. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Ambulante begeleiding
5. zich indien nodig ambulant laat begeleiden door stichting IMD of een soortgelijke
zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start zo spoedig mogelijk. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
2. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beslag
Verklaart verbeurd:
- 1 STK Gereedschap (goednummer: G6706252)
- 1 STK Helm (goednummer: G6706233)
Gelast de
teruggaveaan [verdachte] van de volgende voorwerpen:
- Eén stuk zaklantaarn (goednummer: G6706253)
- Eén stuk aansteker (goednummer: G6706246)
- Eén stuk aansteker (goednummer: G6706247)
- Eén stuk hamer (goednummer: G6706632)
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
- Eén stuk bromfiets (goednummer: G6421018)
- Eén stuk pas (goednummer: G6706636)
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade en € 1.000,- (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot aan de dag van de voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een anderen is betaald.
De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel niet-ontvankelijk.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van , [benadeelde partij] , aan de Staat € 1.400,- (veertienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen niet de wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot aan de dag van de voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door
of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 24 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en N.T. Arnoldussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen en M.A.M. Zwart, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.
[…]
[…][…]