ECLI:NL:RBAMS:2025:10866

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13/235907-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring van diefstal met geweld en poging tot diefstal met geweld in Amsterdam

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 4 september 2025 samen met een mededader het slachtoffer heeft beroofd van een Louis Vuitton tas, een geldbedrag en een hotelpas. De beroving vond plaats op klaarlichte dag en ging gepaard met fors geweld, waarbij het slachtoffer met een life-hammer tegen het hoofd is geslagen. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan diefstal met geweld en poging tot diefstal met geweld. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij toegewezen, waarbij een schadevergoeding van € 1.400,- is vastgesteld, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf bevolen, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/235907-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] (hierna te noemen: verdachte),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 4 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde partij] .
De zaak is tegelijk op de zitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/234517-25).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, samengevat, ten laste gelegd dat hij zich op 4 september 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1. diefstal met geweld van een Louis Vuitton-tas, een geldbedrag en een hotelpas, toebehorende aan [benadeelde partij] , door twee of meer verenigde personen;
2. poging tot diefstal met geweld van een Rolex horloge, toebehorende aan [benadeelde partij] , door twee of meer verenigde personen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir - op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Verdachte is na DNA-matches aangehouden door de politie en heeft bekend de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring van feit 1 en 2
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte de tenlastegelegde
feiten heeft gepleegd, zoals hierna bij de bewezenverklaring naar voren komt.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen
vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van
Strafvordering, voor deze bewezenverklaarde feiten met opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.
4.4.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van feit 1 en 2
1.
De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 4 december 2025 heeft afgelegd.
2.
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] , inclusief fotobijlagen, met nummer 250904-1766-193 van 4 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 21 tot en met 23.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte
op 4 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een Louis Vuitton tas, een geldbedrag en een hotelpas, die aan [benadeelde partij] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door met gebalde vuisten tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] te slaan en stompen en terwijl genoemde [benadeelde partij] al op de grond lag met een life-hammer, tegen het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] te slaan.
op 4 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een Rolex horloge, dat aan [benadeelde partij] , toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld tegen [benadeelde partij] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, met gebalde vuisten tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] te slaan en stompen en terwijl genoemde [benadeelde partij] al op de grond lag met een life-hammer, tegen het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] te slaan, en daarbij telkens te schreeuwen: "give the watch" en "take the watch", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.

8.De strafmotivering

8.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering en met een proeftijd van twee jaar, zal worden opgelegd.
8.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 16 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 13 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering en met een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft de raadsman verzocht om de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee te wegen bij de straftoemeting.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft op klaarlichte dag samen met een ander het slachtoffer beroofd van zijn Louis Vuittontas, waarin ook een geldbedrag en een hotelpas zaten. Hieraan voorafgaand hebben hij en zijn mededader geprobeerd het slachtoffer te beroven van zijn Rolex horloge. Hierbij hebben zij fors geweld gebruikt tegen het slachtoffer, waarbij het slachtoffer onder meer met een life-hammer tegen het hoofd is geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer aan zijn hoofd letsel opgelopen. Dit zijn ernstige feiten waarbij inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Bij het plegen van deze feiten heeft verdachte slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en niet gedacht aan de gevolgen die zijn handelen heeft voor het slachtoffer.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige delicten hier nog lange tijd psychische gevolgen van kunnen ondervinden. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte eveneens aan dat zijn handelen gevoelens van angst in de samenleving heeft aangewakkerd, aangezien gewelddadige straatroven bijdragen aan grote gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft met zijn handelen zowel aan de benadeelde schade en overlast toegebracht als aan de maatschappij zelf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 28 oktober 2025. De rechtbank vindt het strafverzwarend dat uit het strafblad blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ten tijde van het plegen van dit feit liep verdachte bovendien in een proeftijd. Deze omstandigheid heeft hem er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 3 december 2025.
Uit dit advies blijkt dat de reclassering bij verdachte een oprechte wil ziet om zijn leven delictvrij in te richten. Tegelijkertijd is de zorg dat hij deze houding al langere tijd heeft en hij in aanraking met justitie blijft komen. Desondanks wil de reclassering met verdachte nog eenmaal (als een laatste kans) een toezicht aangaan. Door de reclassering wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod, locatiegebod (met elektronische monitoring), dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening, meewerken aan middelencontrole en andere voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte.
Verdachte heeft ter terechtzitting en bij de reclassering openheid van zaken gegeven en berouw getoond. De rechtbank houdt hier in positieve zin rekening mee en zal het advies van de reclassering overnemen.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze schrijven voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging voor een first offender een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor van zes maanden. De rechtbank zal rekening houden met de volgende strafvermeerderende factoren: het medeplegen en forse geweld dat gebruikt is tegen het slachtoffer. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast en geboden is. De rechtbank zal verdachte daarom een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering en met een proeftijd van twee jaar. Gelet op de hiervoor genoemde oriëntatiepunten en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

9.De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert een totaalbedrag van € 16.500,- met toekenning van wettelijke rente, bestaande uit een immateriële schadevergoeding van € 5.000,- en een materiële schadevergoeding van € 11.500,-. De materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Gestolen geld (€ 500,-);
- Schade aan Rolex horloge (€ 7.000,-); en
- Schade aan Louis Vuitton tas (€ 4.000,-).
9.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de gevorderde materiële schadevergoeding ten aanzien van het gevorderde geldbedrag van € 500,- te beperken tot een bedrag van € 400,- omdat uit de aangifte volgt dat er € 400,-, uit de tas van de aangever is gestolen. De raadsman heeft daarnaast verzocht om de overige materiële schadeposten niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering ten aanzien van deze schadeposten niet is onderbouwd.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman primair verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet is onderbouwd en subsidiair om deze te beperken tot een bedrag van € 1.000,- , en het overige deel van de immateriële vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de materiële schadevergoeding heeft de officier van justitie verzocht om de vordering ten aanzien van het gestolen geld, te weten € 500,- toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ten aanzien van de overige materiële schadeposten dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze niet zijn onderbouwd.
De officier van justitie vindt dat de vordering ten aanzien van het immateriële deel kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.500,- inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft voorts verzocht de toe te kennen schadevergoeding hoofdelijk op te leggen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materieel
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het gestolen geld een bedrag van € 400,- voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien de aangever in zijn aangifte heeft verklaard dat er € 400,- uit zijn tas is gestolen. De rechtbank wijst daarom een bedrag van € 400,- toe. Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De overige materiële schadeposten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze niet zijn onderbouwd. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk verklaren.
Immaterieel
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij als gevolg van de overval fysiek letsel heeft opgelopen aan onder meer zijn hoofd en gezicht. Gelet op de ernst van de feiten, het letsel en schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een schadebedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd waarom er ook sprake zou zijn van geestelijk of psychisch letsel. Nu de benadeelde partij het overige deel van zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade niet heeft onderbouwd, zal de rechtbank het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren.
Concluderend wordt een bedrag van € 1.400,- toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast zal de rechtbank in het belang van de benadeelde partij als extra waarborg voor
betaling aan hem de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte
opleggen.
Hoofdelijk
De verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd nu verdachte het feit samen met een ander heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachte zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.

10.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de vordering van 2 december 2025 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-028514-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 3 april 2024 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, te weten 94 dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
10.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering tot
tenuitvoerlegging gevorderd.
10.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
10.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te bevelen.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde bewezen.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan
hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
ten aanzien van feit 2:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf, niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat veroordeelde:
Meldplicht bij reclassering
1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen twee dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres] .
Ambulante behandeling
2. zich, indien door de reclassering opnieuw geïndiceerd, laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling start zo spoedig mogelijk na aanmelding. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
3. gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Indaad of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
Contactverbod
4. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [medeverdachte] , geboortedatum: [geboortedag 2] 2001, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Locatiegebod (met elektronische monitoring)
5. gedurende het toezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden.
De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod.
Het huidige verblijfadres is [verblijfadres] ). Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden op het opgegeven verblijfadres.
Dagbesteding
6. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Hij laat zich daarbij eventueel begeleiden door de gemeente of een andere instantie, zoals Pantar of een andere door de reclassering te bepalen instantie.
Meewerken aan schuldhulpverlening
7. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Meewerken aan middelencontrole
8. meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
Andere voorwaarden het gedrag betreffende
9. aan de reclassering inzicht geeft in zijn sociale netwerk.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
2. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade en € 1.000,- (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot aan de dag van de voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een anderen is betaald.
De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige
deel niet-ontvankelijk.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van , [benadeelde partij] , aan de Staat € 1.400,- (veertienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen niet de wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot aan de dag van de voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door
of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 24 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling
Gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 3 april 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 13-028514-24
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 94 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en N.T. Arnoldussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen en M.A.M. Zwart, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.
[…]