ECLI:NL:RBAMS:2025:10907

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/13/769214 / JE RK 25-343
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige voor vier maanden

De rechtbank Amsterdam heeft op 2 december 2025 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2011, tot 24 april 2026. De minderjarige verblijft sinds maart 2024 bij een jeugdhulpaanbieder en de maatregelen zijn eerder verlengd tot 24 december 2025. De gecertificeerde instelling JBRA heeft verzocht om verlenging om zicht te houden op de hulpverlening, ontwikkeling en omgang met de ouders.

Tijdens de zitting met gesloten deuren waren de ouders, hun advocaten, vertegenwoordigers van JBRA en een zorginstelling aanwezig. De minderjarige heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek met de kinderrechter gevoerd. Uit de stukken en het gesprek blijkt dat de minderjarige het redelijk goed doet, maar nog steeds begeleiding en sturing nodig heeft. De omgang met de ouders verloopt wisselend en wordt stapsgewijs uitgebreid. De moeder is gestart met individuele hulpverlening en er is aandacht voor de gezondheid en het overgewicht van de minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is omdat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt en de ontwikkeling van de minderjarige bedreigd wordt. De hulpverlening wordt voortgezet en er wordt een plan opgesteld voor de omgangsregeling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het resterende deel van de verzoeken wordt aangehouden tot een zitting op 3 april 2026, waarbij een schriftelijke update door JBRA wordt verwacht.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 24 april 2026 om de hulpverlening en omgang met ouders te monitoren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/769214 / JE RK 25-343
Datum uitspraak: 2 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen JBRA,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt, naast [minderjarige] , als belanghebbende aan:
[belanghebbende],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. C.M. Sent, advocaat te Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[informant],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure tot 8 september 2025 is weergegeven in de beschikkingen van 4 juni 2025 en 8 september 2025, welke beschikkingen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.
1.2.
Bij de laatste beschikking van 8 september 2025 heeft de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] deels toegewezen en verlengd tot 24 december 2025. Het resterende deel van de verzoeken heeft de kinderrechter aangehouden tot de terechtzitting van 2 december 2025 in afwachting van een nadere onderbouwing van JBRA ten aanzien van het resterende deel van de verzoeken.
1.3.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, waaronder:
- de nadere schriftelijke update van JBRA van 21 november 2025, ingekomen op 24
november 2025;
- nadere producties van JBRA, ingekomen op 26 november 2025.
1.4.
De zitting met gesloten deuren is voortgezet op 2 december 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Engels, de vader, mevrouw [naam 1] namens JBRA, en mevrouw [naam 2] namens [zorginstelling 2] .
1.5.
[minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting afzonderlijk een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling 1] sinds 28 maart 2024.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 24 juni 2024 onder toezicht gesteld. [minderjarige] is in het kader van de ondertoezichtstelling uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zijn sindsdien verlengd, laatstelijk van 24 september 2025 tot 24 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
Bij oorspronkelijk verzoek heeft JBRA verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft JBRA verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. JBRA heeft daarbij verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter dient nog een beslissing te nemen op het resterende deel van de verzoeken, te weten verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing tot 24 juni 2026.

4.De nadere standpunten

4.1.
JBRA heeft tijdens de mondelinge behandeling het resterende deel van de verzoeken gehandhaafd onder verwijzing naar de schriftelijke update van 21 november 2025. Er is inmiddels een vaste jeugdbeschermer aangesteld. [minderjarige] verblijft sinds maart 2024 bij [zorginstelling 1] , waar zij het redelijk goed doet en waar zij nu ook één op één begeleiding krijgt omdat zij veel aandacht en sturing nodig heeft. Verder wordt vanuit school gezien dat het beter gaat met [minderjarige] en dat zij de afspraken goed nakomt. Wel heeft [minderjarige] vanaf november een aangepast rooster, waarbij zij op maandag- en woensdagochtend later start omdat het haar soms allemaal teveel wordt. Ook is de traumatherapie bij [zorginstelling 2] gestopt op verzoek van [minderjarige] . Op dit moment heeft zij nog wel wekelijkse coachende gesprekken bij [zorginstelling 2] .
Ten aanzien van de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de ouders geeft JBRA aan dat deze wisselend verlopen en het soms lastig is voor de moeder, en ook voor de vader, om met het gedrag van [minderjarige] om te gaan. Afgesproken is dat in kleine stapjes gekeken zal worden hoe de omgang verder uitgebreid kan worden waarbij de omgangsmomenten steeds zullen worden geëvalueerd. Ook zal gekeken worden hoe de moeder ondersteund kan worden bij de opvang van [minderjarige] door inzet van ambulante opvoedondersteuning van bijvoorbeeld Levvel Hecht. JBRA voert aan dat het van belang is voor [minderjarige] dat de bezoeken aan haar ouders goed worden voorbereid en dat de afspraken duidelijk zijn. Daarvoor is het noodzakelijk dat een plan/rooster wordt opgesteld zodat [minderjarige] en ook de ouders weten waar zij aan toe zijn. Op dit moment wordt gekeken naar een vaste doordeweekse middag waarbij [minderjarige] naar moeder kan gaan als uitbreiding van de omgang. Ten aanzien van het contact tussen de vader en [minderjarige] geeft JBRA aan dat dit minder goed verloopt en gekeken moet worden hoe dit contact hersteld kan worden en zo fijn mogelijk voor [minderjarige] kan verlopen. Verder geeft JBRA aan dat [minderjarige] naar een kinderarts gaat in het OLVG voor haar gezondheid/overgewicht en is het plan dat zij daar wekelijks een uur gaat bewegen en een uur gaat spreken met een kinderarts/verpleegkundige.
JBRA verzoekt de maatregelen te verlengen om zicht te houden op de belangen, veiligheid en situatie van [minderjarige] , regie te kunnen voeren ten aanzien van de ingezette hulpverlening en de hulp te kunnen garanderen, alsmede om een perspectiefplan te kunnen maken zodat er duidelijkheid komt over waar [minderjarige] in de toekomst verder zal opgroeien.
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat het fijn is dat JBRA betrokken is, maar dat het voor (het mentale welzijn van) [minderjarige] van belang is dat de maatregelen voor de beperkte duur van drie maanden worden verlengd. Anders heeft [minderjarige] erg het gevoel achtergelaten te worden. De moeder voert aan dat de situatie moeilijk is en dat naast systeemtherapie en opvoedondersteuning ook gekeken moet worden naar [minderjarige] zelf en waar de gedragsproblematiek van [minderjarige] vandaan komt. Verder verklaart de moeder dat aan het overgewicht van [minderjarige] ook onderliggende problematiek ten grondslag kan liggen. De moeder wacht af wat voor plan er door JBRA wordt opgesteld en welke hulp er wordt ingezet om [minderjarige] op een goede en veilige manier weer thuis te kunnen laten wonen.
4.3.
De vader verklaart dat hij zich grote zorgen maakt om [minderjarige] en niet goed meer weet wat hij moet doen. Het gedrag van [minderjarige] is soms ergerlijk en ook heeft [minderjarige] verteld dat hij haar geslagen heeft, wat niet zo is. De vader geeft aan dat veel mensen om [minderjarige] heen bezig zijn om ervoor te zorgen dat [minderjarige] zich zo goed mogelijk zal ontwikkelen, maar dat hij niet ziet dat het snel beter wordt. Het is van belang dat [minderjarige] in haar kracht wordt gezet waarbij er ook aandacht dient te zijn voor haar overgewicht. De vader is van mening dat wanneer [minderjarige] zal afvallen zij zich zowel mentaal als fysiek beter zal voelen en het ook leuker zal vinden om naar school te gaan. Ten aanzien van het contact tussen hem en [minderjarige] geeft de vader aan dat er een herstel gesprek heeft plaatsgevonden en dat hij sorry heeft gezegd.
4.4.
Namens [zorginstelling 2] is naar voren gebracht dat het voor [minderjarige] van groot belang is dat zij zich veilig voelt en dat zij gezien wordt. Verder wordt aangevoerd dat [minderjarige] gestopt is met traumatherapie, maar wekelijks een begeleidingsgesprek heeft bij [zorginstelling 2] en dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij ervoor open staat om haar levensverhaal op te tekenen.
4.5.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verklaard dat zij het druk heeft met alle afspraken en dat zij gestopt is met traumatherapie. Ook heeft zij een aangepast rooster op school omdat het haar allemaal te veel is op dit moment. Ten aanzien van het contact tussen haar en moeder geeft ze aan dat het goed gaat maar dat er soms ook irritaties zijn. Zij ziet haar moeder ongeveer twee, drie keer per week. Ze heeft dan ook contact met haar zus. Ten aanzien van het contact met vader geeft [minderjarige] aan dat zij zich door vader niet gehoord en gezien voelt en dat zij hem niet zoveel ziet. [minderjarige] wil het liefst weer thuis wonen bij moeder en wenst dat daarvoor de omgang tussen haar en moeder snel wordt uitgebreid zodat gekeken kan worden of dit gaat lukken. [minderjarige] heeft het gevoel dat zij stil staat en wil dat er wat gaat veranderen. Ten aanzien van de verzoeken wenst zij dat deze voor drie maanden worden toegewezen zodat er gekeken kan worden hoe het gaat. Anders voelt zij zich erg in de steek gelaten.

5.De beoordeling

5.1.
Naar het oordeel van de kinderrechter heeft JBRA de noodzaak van de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en [minderjarige] wordt nog steeds in haar ontwikkeling bedreigd. Daar moet aan gewerkt worden. Het verzoek is ook niet weersproken door de ouders. De maatregel is nodig om het belang van [minderjarige] te waarborgen, haar veiligheid te garanderen en om de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] en de ouders in te zetten en te continueren.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat na de vorige zitting er door JBRA regie is genomen, de zaak is opgepakt en dat hulpverlening is ingezet. Er is systeemtherapie vanuit FAST ingezet en [minderjarige] heeft wekelijkse coaching-/begeleidingsgesprekken bij [zorginstelling 2] . Ook is er gewerkt aan de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en haar ouders en om deze zo goed mogelijk te laten verlopen. Verder is [minderjarige] bij een kinderarts geweest bij het OLVG voor haar gezondheid/overgewicht en zijn er nadere vervolgafspraken gemaakt. Daarnaast stelt de kinderrechter vast dat uit het FAST traject naar voren is gekomen dat wanneer [minderjarige] bij haar vader of moeder thuis is er regelmatig sprake is van oplopende spanningen waarbij de dreiging van huiselijk geweld aanwezig is, en dat zowel [minderjarige] als de ouders moeite hebben met het reguleren van hun emoties. Aan de ouders is geadviseerd om een individueel schematherapie traject binnen of buiten [zorginstelling 2] op te starten om meer zicht te krijgen op hun persoonlijkheidsprofiel en wat het effect hiervan is op hun ouderschap. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder inmiddels is gestart met individuele hulpverlening bij [zorginstelling 2] , en dat door JBRA gekeken gaat worden hoe de moeder verder ondersteund kan worden bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] , mogelijk door Levvel Hecht of soortgelijke instantie.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat het van belang is dat de op dit moment ingezette hulpverlening wordt voortgezet en dat er een plan/rooster wordt opgesteld ten aanzien van de (opbouw van de) omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder, en zo mogelijk ook, de vader.
In dit proces is het van belang dat [minderjarige] wordt meegenomen en dat zij gezien en gehoord wordt. Daarbij dienen de omgangsmomenten goed te worden voorbereid en voorspelbaar te zijn. Daarnaast is het van belang dat er meer duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] en of zij weer teruggeplaatst kan worden bij de moeder.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
De kinderrechter zal, mede nu [minderjarige] zelf heeft aangegeven dat zij graag een tussentijdse zitting wenst te hebben, de maatregelen verlengen voor de duur van vier maanden, teneinde een vinger aan de pols te kunnen houden ten aanzien van de recente ontwikkelingen, de schoolgang van [minderjarige] , het verloop en de uitbreiding van de omgangsmomenten, hoe het gaat met de gezondheid van [minderjarige] en hoe de hulpverlening vanuit [zorginstelling 2] verloopt.
5.5.
De kinderrechter zal het resterende deel van de verzoeken aanhouden tot de zitting van
3 april 2026 te 9.00 uur, en geeft
opdracht aan JBRA om de kinderrechter een week voor deze zitting een schriftelijke update te doen toekomenten aanzien van de recente ontwikkelingen, met afschrift hiervan aan de advocaat van de moeder, en de ouders.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 24 april 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 24 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt het restende deel van de verzoeken aan tot de zitting van
3 april 2026 om 9.00 uur(zitting mr. Van Luijck), en bepaalt dat de moeder met haar advocaat, de vader en JBRA tegen voornoemd tijdstip zullen worden opgeroepen, en dat voor [minderjarige] afzonderlijk een kindgesprek wordt ingepland;
6.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.