ECLI:NL:RBAMS:2025:10987

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
1303748525
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OverleveringswetECLI:EU:C:2021:876
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek aanvullende toestemming wegens niet geëerbiedigd hoorrecht

De rechtbank Amsterdam heeft op 9 december 2025 een verzoek van de Hoge Raad van Hongarije beoordeeld, waarin om aanvullende toestemming werd gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan. De overgeleverde persoon, geboren in 1989 in Hongarije en momenteel gedetineerd aldaar, had niet de mogelijkheid gekregen om zijn opmerkingen en bezwaren over het verzoek kenbaar te maken, zoals vereist volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021.

Tijdens een hoorzitting op 3 oktober 2024 gaf de overgeleverde persoon alleen aan geen afstand te doen van het specialiteitsbeginsel, maar werd niet gesproken over het verzoek tot aanvullende toestemming. De uitvaardigende justitiële autoriteit stelde dat een aparte verklaring over het verzoek niet noodzakelijk was indien de betrokkene zelf al een verklaring over het specialiteitsbeginsel had afgelegd. De rechtbank oordeelde echter dat het hoorrecht niet was geëerbiedigd omdat de overgeleverde persoon niet de kans had gekregen om zijn bezwaren te uiten en dit ook niet alsnog kon doen.

Op grond hiervan wees de rechtbank het verzoek om aanvullende toestemming af. De beslissing werd genomen door de voorzitter en twee rechters, in aanwezigheid van de griffier. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021 vormde de juridische basis voor het oordeel over het hoorrecht.

Uitkomst: Het verzoek om aanvullende toestemming voor strafuitvoering is afgewezen wegens niet geëerbiedigd hoorrecht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/037485-25
Datum beslissing: 9 december 2025
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 27 februari 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door de Hoge Raad (
Curia) van Hongarije op 21 oktober 2024 en betreft:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Hongarije)
nu gedetineerd in Hongarije,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

De rechtbank zal het verzoek tot aanvullende toestemming om de hiernavolgende reden afwijzen.
Hoorrecht
Het is vereist dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken (het zogenoemde hoorrecht), zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. [1]
Uit de aanvullende informatie van 7 oktober 2025 volgt dat de overgeleverde persoon tijdens een hoorzitting op 3 oktober 2024 alleen te kennen heeft gegeven geen afstand te doen van het specialiteitsbeginsel, maar dat niet met hem is gesproken over een verzoek tot aanvullende toestemming.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 7 oktober 2025 met betrekking tot het hoorrecht, voor zover relevant, het volgende opgemerkt:
“(…) Wij zijn van mening dat alleen als beklaagde niet zelf een verklaring over zijn recht op specialiteit zou hebben afgelegd, men hem apart een verklaring zou moeten laten afleggen over het verzoek om toestemming. Als de Nederlandse autoriteit een aanvullende verklaring nodig heeft voor haar eigen procedure, kan zij deze verkrijgen in de procedure die zij voert.”
De rechtbank stelt vast dat uit de aanvullende informatie volgt dat de overgeleverde persoon niet de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken en dat hij dat ook niet alsnog - na verzoek daartoe van de rechtbank Amsterdam - heeft kunnen doen. Het hoorrecht is dan ook niet geëerbiedigd.

2.Beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek af.Deze beslissing is genomen op 9 december 2025 door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier.

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.