Uitspraak
1.De procedure
- het bericht van 1 december 2024 met producties van [eiseres]
- het bericht van 14 januari 2025 met producties van Rochdale
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een vordering van een dochter tot voortzetting van de huurovereenkomst van haar overleden moeder op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. De moeder was op 23 januari 2023 huurder van een woning, waarin de dochter zich op 24 januari 2023 inschreef. Na het overlijden van de moeder in 2024 verzocht de dochter Rochdale om de huurovereenkomst voort te zetten, wat werd afgewezen.
De dochter stelde dat zij met haar moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en dat zij haar hoofdverblijf in de woning had. Zij onderbouwde dit met inschrijving in de BRP, bankafschriften, verklaringen van familie en omwonenden, en andere bewijsstukken. Rochdale betwistte dit en stelde dat de moeder pas vlak voor haar overlijden in de woning trok en dat de dochter pas na het overlijden haar hoofdverblijf had in de woning.
De kantonrechter oordeelde dat de dochter onvoldoende had onderbouwd dat zij in de relevante periode haar hoofdverblijf in de woning had. Ook was onvoldoende aangetoond dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De verklaringen waren niet concreet genoeg en de financiële bijdragen onvoldoende substantieel en periodiek. De zorgrelatie tussen moeder en dochter was eenzijdig, zonder wederkerigheid.
Daarom werd de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst afgewezen. Tevens werd de dochter veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen zes maanden na betekening van het vonnis, rekening houdend met haar persoonlijke omstandigheden. Ook werd zij veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot voortzetting huurovereenkomst afgewezen en ontruiming woning binnen zes maanden bevolen.