ECLI:NL:RBAMS:2025:11350

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
13/036506-25; 13/233036-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag en openlijke geweldpleging met deels voorwaardelijke jeugddetentie

De rechtbank Amsterdam heeft op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van poging moord dan wel doodslag en twee gevallen van openlijke geweldpleging. De feiten betreffen een steekincident op 1 februari 2025 en twee geweldsincidenten op 15 april 2025.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van poging doodslag en niet van poging moord, omdat het handelen van verdachte het gevolg was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en niet van voorbedachte rade. Verdachte had een mes gekocht en zich omgekleed, maar dit werd gezien als voorbereiding om zichzelf te verdedigen. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee personen op 15 april 2025.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 210 dagen op, waarvan 119 dagen voorwaardelijk, rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar verstandelijke ontwikkelingsstoornis en gedragsstoornissen, en adviezen van de Raad en psycholoog. Tevens werden schadevergoedingen van €50 toegekend aan beide slachtoffers van de openlijke geweldplegingen, terwijl de vordering van het slachtoffer van de poging doodslag niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege eigen aandeel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 210 dagen jeugddetentie, waarvan 119 dagen voorwaardelijk, voor poging doodslag en openlijke geweldpleging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13/036506-25; 13/233036-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [ geboortedag 1] 2009,
wonende op het adres [woonadres] ,
hierna te noemen verdachte of [bijnaam verdachte] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Zetsma en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. B. Klunder, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [naam medewerker de Raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [naam medewerker de WSS] namens William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de WSS) naar voren is gebracht.
Ook is kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en namens hem door mr. T.C. Cijntje naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan
Zaak A
poging moord dan wel doodslag op [benadeelde partij 1] op 1 februari 2025 te Amsterdam;
subsidiairten laste gelegd als zware mishandeling met voorbedachte raad van [benadeelde partij 1] ;
meer subsidiairten laste gelegd als poging zware mishandeling met voorbedachte raad van [benadeelde partij 1] ;
Zaak B
1.
op 15 april 2025 te Amsterdam openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij 2] ;
2.
op 15 april 2025 te Amsterdam openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij 3] .

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde
4.1.1.
Inleiding
Op 1 februari 2025 bevindt verdachte zich in station [naam station] in Amsterdam. Verdachte en aangever komen elkaar hier tegen en raken in discussie. Verdachte wordt hierbij getrapt door aangever. Na deze discussie koopt verdachte een mes bij de Action, kleedt zij zich om spreekt af met aangever op het [naam plein] . Verdachte en aangever treffen elkaar opnieuw en raken in gesprek. Aangever trapt verdachte nogmaals, dit keer in haar rug terwijl verdachte belt met haar tante. Verdachte belt nog enige tijd door en geeft daarna haar telefoon aan haar vriendin. Vervolgens pakt zij het kort daarvoor aangeschafte mes uit haar broeksband, loopt op aangever af en steekt hem in het bovenlichaam, onder de schouder. Aangever heeft ook een mes bij zich en steekt verdachte tijdens de confrontatie terug.
Verdachte verklaart dat zij niet van plan was om aangever te vermoorden. Bij de politie verklaarde verdachte dat ze voornemens was om aangever in zijn hand te steken, zodat hij nooit meer een video kon plaatsen. Ter terechtzitting geeft zij aan dat zij zichzelf wilde kunnen verdedigingen als het tot een confrontatie zou komen. Zij had, toen zij aangever eerder die dag op het station [naam station] zag, gezien dat hij een mes bij zich had. Ze wilde met aangever vechten naar aanleiding van een door hem geopenbaard seksfilmpje waarin zij herkenbaar in beeld was. Dat zij eerder tegen een vriendin die bij haar was zei dat ze aangever zou vermoorden en steken doet ze af als grootspraak want ze zou daartoe nooit in staat zijn. Zij trok het mes dat zij bij zich droeg pas nadat zij zag dat verdachte zijn mes tevoorschijn haalde.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd moet worden.
4.1.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft voorbereidingen getroffen door het mes te kopen en zich om te kleden voorafgaand aan het incident zodat zij makkelijker zou kunnen vechten. Ook de verklaring van de vriendin van verdachte, die zegt dat verdachte zou hebben gezegd dat ze het slachtoffer zou vermoorden of neersteken, duidt op een wraakactie. Door aangever te steken in het bovenlichaam heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daarbij zou kunnen komen te overlijden.
4.1.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot moord. Van voorbedachte raad is geen sprake. Verdachte handelde in een opwelling als gevolg van de trap die zij in haar rug kreeg, kort voor het steekincident. Zij had geen plan om de aangever te doden en er was geen sprake van kalm beraad daartoe. Verdachte heeft haar tante gebeld om haar om raad te vragen. Dat doet vermoeden dat zij niet wist wat ze moest doen. Het mes kocht zij om zichzelf te verdedigen, aangezien zij wist dat aangever een mes droeg. Ook het omkleden was er niet op gericht om de aangever te vermoorden, maar om beter met hem te kunnen vechten. Verdachte heeft verschillende keren geuit dat zij aangever wilde mishandelen en niet vermoorden. Van meet af aan heeft zij naar waarheid verklaard.
4.1.4.
Het oordeel van de rechtbank
Poging moord dan wel doodslag
Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever is in ieder geval vereist dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, welke aanmerkelijke kans door verdachte ook is aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever. Het met een mes steken in het bovenlichaam dichtbij het hart, de nek en verschillende slagaders brengt, naar algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans op de dood met zich. Verdachte heeft met kracht, bovenhands met een lang vleesmes in de borst van aangever gestoken. Dit handelen was naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit mogelijke gevolg ook heeft aanvaard.
Voorbedachte raad
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is vast komen te staan dat verdachte met voorbedachten rade handelde. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dit oordeel komt.
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte was boos op aangever omdat hij heimelijk een seksfilmpje van haar had gemaakt, gedreigd heeft het filmpje te openbaren als zij niet zou betalen en vervolgens het filmpje daadwerkelijk heeft geopenbaard door het onder anderen naar haar familieleden te sturen. Verdachte en aangever zijn elkaar eerder die dag, op het station, tegengekomen waarbij aangever, in het bijzijn van verdachte, seksfilmpjes van verdachte aan reizigers in de metro heeft laten zien. Verdachte was hier boos over. Zij heeft aansluitend een mes gekocht bij de Action en heeft zich thuis omgekleed, naar eigen zeggen, om beter te kunnen vechten. Verdachte heeft vervolgens met aangever afgesproken op het [naam plein] . Eenmaal aangekomen sprak ze met aangever en zijn neef en belde ze ondertussen met haar tante aan wie ze om raad vroeg over de situatie. Opeens, zo blijkt ook uit de camerabeelden, geeft aangever een harde trap in de rug van verdachte. Verdachte belt nog even door, geeft daarna haar telefoon aan een vriendin en valt aangever aan. Op de beelden is te zien dat op dat moment ook aangever een mes vast heeft. De beelden wijzen niet uit of verdachte of aangever als eerste een mes heeft getrokken. Tijdens de aanval steekt verdachte aangever in zijn borst en steekt aangever verdachte terug.
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit. Ze heeft gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te kunnen geven.
Ten aanzien van het bestaan van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad overweegt de rechtbank het volgende. Volgens verdachte zelf is het steken van aangever het gevolg van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte was al boos door het handelen van aangever en werd nog bozer door de trap in haar rug. Het feit dat aangever een mes trok was voor verdachte aanleiding om ook een mes te trekken. De rechtbank overweegt dat dit scenario niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verdachte consequent betrouwbaar heeft verklaard, ook ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde gedragingen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om uit te gaan van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn voorgesteld door verdachte, namelijk dat het steken van verdachte een gevolg was van plotselinge hevige drift, en dat de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit – zijnde het steken van aangever – ontstond.
De rechtbank is van oordeel dat aan deze contra-indicaties een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan de omstandigheid dat voor de verdachte tijd en gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden over het te nemen besluit en na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Aldus stelt de rechtbank vast dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dat verdachte voorafgaand aan de confrontatie met aangever een mes heeft gekocht doet daar niet aan af, nu de verklaring van verdachte hiervoor – dat zij zichzelf wilde verdedigen omdat aangever ook een mes bij zich had – de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt. Aangever had immers daadwerkelijk een mes op zak en de rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zij dit bij de eerdere ontmoeting in de metro had gezien betrouwbaar. Dit betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat zij moet worden vrijgesproken van poging moord.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging doodslag.
4.2.
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 1 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de in zaak B onder feit 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en verdachte heeft dit feit bekend.
De rechtbank is op grond van de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen vervat van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging zoals ten laste is gelegd onder feit 1 in zaak B.
4.3.
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 3 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de in zaak B onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
4.3.1.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. Het handelen van verdachte zou erop zijn gericht om aangeefster ervan te weerhouden de medeverdachte, vriendin van verdachte, te slaan met als doel om de vechtpartij te beëindigen. Daarmee is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tot het plegen van geweld en kan de openlijke geweldpleging niet worden bewezen.
4.3.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging zoals ten laste is gelegd onder feit 2 in zaak B. Daartoe overweegt zij als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de medeverdachte de confrontatie opzoekt met aangeefster en dat aangeefster daardoor ten val wordt gebracht. Terwijl medeverdachte geweld uitoefent tegen aangeefster, die inmiddels op de grond ligt, bemoeit verdachte zich met het gevecht. Zij duwt hierbij aangeefster tegen de grond en houdt haar pols vast zodat aangeefster medeverdachte niet terug kan slaan. Medeverdachte gaat ondertussen door met het plegen van geweld tegen aangeefster, bestaande uit het slaan en schoppen tegen het lichaam en het hoofd van aangeefster. Aangeefster is, door toedoen van verdachte, minder in staat om zichzelf tegen medeverdachte te verdedigen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat door verdachte en medeverdachte is gepleegd om te spreken van openlijke geweldpleging.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Zaak A
op 1 februari 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [benadeelde partij 1] met een mes in de borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Zaak B
1.
op 15 april 2025 te Amsterdam, bij de [naam straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- die [benadeelde partij 2] op de grond duwen en schoppen tegen het lichaam en
- bovenop die [benadeelde partij 2] gaan zitten en
- die [benadeelde partij 2] slaan tegen het hoofd en
- die [benadeelde partij 2] aan haar haren trekken en
- die [benadeelde partij 2] bij haar keel grijpen en vast te houden en
- proberen de wimpers van [benadeelde partij 2] los te trekken;
2.
op 15 april 2025 te Amsterdam, bij metrostation [metrostation] aan de [naam weg] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- die [benadeelde partij 3] duwen en op de grond drukken en tegen de grond vasthouden en druk uitoefenen op het lichaam en
- die [benadeelde partij 3] tegen het hoofd, althans het lichaam slaan en
- die [benadeelde partij 3] tegen het hoofd, althans het lichaam trappen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot jeugddetentie van 365 dagen waarvan 277 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte, het voorarrest en de bevindingen van het psychologisch onderzoek, het advies om de feiten verminderd toe te rekenen daaronder begrepen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in zaak A schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit dat een grove inbreuk vormt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte is in het bijzijn van omstanders het slachtoffer met een mes te lijf gegaan en heeft de kans dat verdachte zou komen te overlijden op de koop toe genomen. Door het handelen van verdachte heeft het slachtoffer ernstig uitwendig bloedverlies en een longbloeding opgelopen. Hij heeft als gevolg hiervan zes dagen in het ziekenhuis doorgebracht. De aanval van verdachte heeft daarnaast niet alleen letsel veroorzaakt bij het slachtoffer en hem vrees aangejaagd, het heeft ook gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij onschuldige omstanders en in de samenleving in het algemeen. Voor een dusdanig ernstig feit is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend.
Daarnaast heeft verdachte zich twee keer op één dag schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee verschillende slachtoffers die daarbij letsel hebben opgelopen. Zij zijn door verdachte en medeverdachte in het openbaar aangevallen en mishandeld. Uit de verzoeken tot schadevergoeding van beide slachtoffers en de slachtofferverklaring van slachtoffer [benadeelde partij 3] is gebleken dat beide slachtoffers ook na het incident last hebben ondervonden in de vorm van angstgevoelens en schaamte. Daarnaast veroorzaken deze incidenten gevoelens van angst bij onschuldige omstanders. Dat verdachte heeft bijgedragen aan de geweldplegingen, ondanks dat de medeverdachte telkens de aanstichter was, neemt de rechtbank haar kwalijk.
De rechtbank houdt rekening met de afspraken die ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn vastgelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportages en berichtgeving die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt.
De WSS heeft ter zitting onder verwijzing naar de evaluatie jeugdreclassering van 5 september 2025 ter zitting verklaard dat [bijnaam verdachte] goed communiceert met de WSS over de schorsingsvoorwaarden en de begeleiding in het algemeen. [bijnaam verdachte] is verhuisd naar [opvangplek] . Ze leert daar hoe ze orde op zaken kan stellen. Haar pasgeboren dochter ligt nog in het ziekenhuis om aan te sterken. [bijnaam verdachte] is een betrokken moeder en er moet de komende tijd hechting plaatsvinden tussen [bijnaam verdachte] en haar dochter. [bijnaam verdachte] wil geen traumabehandeling voor haar verleden omdat dat op dit moment te heftig voor haar is. De situatie rondom haar eigen moeder zit heel diep bij [bijnaam verdachte] . Er zullen strubbelingen zijn in de toekomst, maar [bijnaam verdachte] staat in goed contact met hulpverlening en ze wil de juiste keuzes maken. [bijnaam verdachte] heeft tegen medeverdachte gezegd dat ze geen contact kan hebben omdat ze zich wil richten op haar dochter en dat is goed van haar. Het is de vraag hoe ze daar in de toekomst mee omgaat. Ze heeft een IFA-coach gehad gedurende vijf maanden maar er was geen klik tussen [bijnaam verdachte] en de coach. Ondanks dat adviseert de WSS wel om een IFA-coachingstraject op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf, omdat er nu een nieuwe coach is aangesteld die van toegevoegde waarde is voor [bijnaam verdachte] . Er moet geen contactverbod als bijzondere voorwaarde worden opgenomen met een van haar vriendinnen omdat het goed is als ze contact heeft met leeftijdsgenoten.
De Raad heeft in zijn advies van 12 december 2025 geadviseerd om aan [bijnaam verdachte] een voorwaardelijke jeugddetentie en een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, onder de voorwaarden dat [bijnaam verdachte] meewerkt aan begeleiding van [naam instantie] , [opvangplek] en IFA, meewerkt aan hulp voor emotieregulatie, school dan wel dagbesteding volgt volgens het rooster, meewerkt aan vrijetijdsinvulling en geen contact onderhoudt met de slachtoffers. Het is belangrijk om praktische zaken in het leven van [bijnaam verdachte] op orde te krijgen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 30 september 2025, opgesteld door [naam psycholoog] , GZ-psycholoog. [bijnaam verdachte] lijdt aan een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een normoverschrijdend-gedragsstoornis met gebrek aan berouw of schuldgevoel en een ontremd sociale contactstoornis. Daarnaast is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met borderline kenmerken. Deze omstandigheden beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van [bijnaam verdachte] tijdens het tenlastegelegde. [bijnaam verdachte] heeft door haar beperking en stoornissen beperkte emotieregulatie- en copingvaardigheden waardoor haar beoordelings- en besluitvormingsvermogen in stressvolle situaties snel onder druk staan. Bij het in zaak A bewezen geachte heeft zij als gevolg van haar beperking en stoornissen impulsief gehandeld, heeft ze haar (morele) keuzes beperkt kunnen wegen, denkfouten gemaakt en haar verantwoordelijkheid geëxternaliseerd. Hierom dienen de bewezen geachte gedragingen [bijnaam verdachte] in verminderde mate te worden toegerekend. Het is van belang dat [bijnaam verdachte] praktische zaken op orde krijgt, structuur en voorspelbaarheid ervaart in haar leven en weer naar school gaat. Daarnaast moet zij behandeling krijgen om gezond hechtingsgedrag te leren en om te leren omgaan met agressie. Daarnaast moeten cognitieve gedragsinterventies worden ingezet. Geadviseerd wordt om het bovenstaande op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen. Verdachte hoeft echter niet nu nog terug naar de JJI. Gelet op het advies van de Raad, de WSS en de psycholoog zal aan haar een deels voorwaardelijke straf worden opgelegd, in de vorm van een deels voorwaardelijke jeugddetentie waaraan de bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad.
De rechtbank ziet aanleiding om bij de straftoemeting een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt immers niet tot een bewezenverklaring van een poging moord, maar tot een bewezenverklaring van een poging doodslag. De rechtbank zal daarnaast de feiten, gelet op het advies van de psycholoog, in verminderde mate aan verdachte toerekenen. Tenslotte houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de voorgeschiedenis van het in zaak A bewezen geachte, te weten het op meerdere momenten openbaren en delen van het seksfilmpje en het trappen door het latere slachtoffer.
Alles overwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 210 dagen, waarvan 119 voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

9.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
Ten aanzien van het in zaak A bewezen geachte
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.741,61 aan materiële schadevergoeding en € 2.000 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
9.1.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op het feit dat de benadeelde partij zelf een aandeel had in het incident en hij hiervoor ook strafrechtelijk wordt vervolgd. Het is mogelijk dat verdachte de benadeelde partij aansprakelijk stelt. De door de benadeelde partij ingediende vordering hoort daarmee niet in dit strafproces thuis.
9.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het eigen aandeel van de benadeelde partij in het bewezen geachte.
9.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de schade die de benadeelde partij stelt te hebben geleden mede het gevolg is van de gedragingen die zijn toe te rekenen aan hemzelf. De mate van eigen schuld is niet eenvoudig te bepalen, terwijl deze mate van eigen schuld invloed kan hebben op de hoogte van de schade zoals de benadeelde partij deze stelt te hebben geleden. Een onderzoek naar de vaststelling van dit aandeel zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Ook overweegt de rechtbank dat verdachte in het onderhavige strafproces niet in staat wordt gesteld om een (reconventionele) vordering in te dienen tegen de benadeelde partij. De benadeelde partij kan daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.2.
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 1 bewezen geachte
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft per brief haar vordering aangevuld en de rechtbank begrijpt, voor wat betreft de hoogte van het gevorderde bedrag, gewijzigd en vordert een bedrag tussen de € 1.000,- en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
9.2.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is.
9.2.2.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 50,- aan vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 50,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
In het belang van de benadeelde wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.‬‬‬‬‬‬
9.3.
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 2 bewezen geachte
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
9.3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een hoogte van € 50,-.
9.3.2.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 50,- aan vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 50,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
In het belang van de benadeelde wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.‬‬‬‬‬‬

10.Beslag

Tijdens het onderzoek naar het ten laste gelegde is het volgende in beslag genomen:
- 1 STK Fust (Omschrijving: PL1300-2025026110-G6616528):
De rechtbank is van oordeel dat het bovenstaande dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 287 het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart de in zaak A impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde en het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A:
Poging doodslag
Zaak B:
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:
openlijke geweldpleging tegen personen
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:
openlijke geweldpleging tegen personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte
, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 210 (tweehonderdtien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot
119 (honderdnegentien) dagen, van deze jeugddetentie
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op
2 (twee) jaaronder de algemene voorwaarde dat veroordeelde
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de minderjarige
  • meewerkt aan de begeleiding vanuit [naam instantie] ;
  • meewerkt met de begeleiding en zich houdt aan de huisregels van [opvangplek] ;
  • meewerkt aan de begeleiding van IFA;
  • meewerkt aan hulp voor emotieregulatie bij de instelling die de jeugdreclassering geïndiceerd acht;
  • scholing/dagbesteding volgt volgens rooster;
  • meewerkt aan een vrijetijdsinvulling, bijvoorbeeld sport en een bijbaan;
  • op geen enkele wijze contact – direct of indirect – heeft of opneemt met de slachtoffers:
 [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 2] 2005;
 [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedag 3] 2008;
 [benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedag 4] 2009.
Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden. De minderjarige is daarbij van rechtswege verplicht haar medewerking te verlenen aan het vaststellen van haar identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Bepaalt dat de benadeelde partij
[benadeelde partij 1]niet-ontvankelijk is in de vordering.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 2]gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 50,- (vijftig euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 2] , te betalen de som van € 50,- (vijftig euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 3]gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 50,- (vijftig euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 3] , te betalen de som van € 50,- (vijftig euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:
- 1 STK Fust (Omschrijving: PL1300-2025026110-G6616528)
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.M. Devis, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. I.M. Nusselder en M.J. van Aalderen, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van T. Bongenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2025.