De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 februari 2025 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het hof van beroep Antwerpen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor onder meer racketeering en afpersing.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit en dat de strafbare feiten in Nederland ook strafbaar zijn. De rechtbank beoordeelde de weigeringsgrond van artikel 6a Overleveringswet (OLW), die overlevering van een Nederlander kan weigeren indien de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen.
De rechtbank concludeerde dat de straf niet onverenigbaar is met Nederlands recht en dat de verdachte voldoende banden met Nederland heeft om de tenuitvoerlegging hier over te nemen. Daarom werd de overlevering geweigerd en werd de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen. Tevens werd de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging bevolen.
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.