Verzoeker diende op 10 januari 2025 een wrakingsverzoek in tegen mr. J.W. Vriethoff, bestuursrechter te Amsterdam, in een lopende bestuursrechtelijke beroepszaak. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op basis van de ingediende stukken en telefoonnotities van contactmomenten tussen verzoeker en griffie.
De wrakingskamer stelde vast dat de behandeling van de zaak was geschorst na indiening van het wrakingsverzoek en dat verzoeker geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die de rechterlijke onpartijdigheid konden aantasten. De vermeende partijdigheid was gebaseerd op het feit dat de zitting aanvankelijk zou doorgaan ondanks het wrakingsverzoek, maar dit was toe te schrijven aan onduidelijkheid vooraf en niet aan onpartijdigheid van de rechter.
De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was en dat verzoeker het middel lichtvaardig had ingezet, wat misbruik van recht opleverde. Daarom werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaak niet in behandeling worden genomen. De beslissing werd uitgesproken op 23 januari 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep.