ECLI:NL:RBAMS:2025:1354

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2025
Publicatiedatum
3 maart 2025
Zaaknummer
11147966 CV 24-6846
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wetboek van KoophandelArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tegen uitgetreden vennoot wegens verjaring persoonlijke aansprakelijkheid

Intrum vordert betaling van onbetaalde energiefacturen van een lunchroom geëxploiteerd door een vennootschap onder firma waarvan [gedaagde] uitgetreden vennoot is. De overeenkomst met de energieleverancier is gesloten tijdens het vennootschapstijdperk, maar de facturen zijn onbetaald gebleven na het uittreden van [gedaagde].

De rechtbank overweegt dat hoewel een uitgetreden vennoot in beginsel aansprakelijk blijft voor verbintenissen aangegaan vóór het uittreden, de vorderingen jegens [gedaagde] persoonlijk zijn verjaard. Dit komt doordat de aanmaningen steeds aan de vof zijn gericht en niet aan [gedaagde] persoonlijk, waardoor de verjaring niet is gestuit.

Intrum kan daarom [gedaagde] niet persoonlijk aansprakelijk stellen voor de openstaande facturen. De vordering wordt afgewezen en Intrum wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering van Intrum tegen de uitgetreden vennoot wordt afgewezen wegens verjaring van de persoonlijke aansprakelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11147966 \ CV EXPL 24-6846
Vonnis van 25 februari 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTRUM NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Intrum,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.J. Kikkert.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 mei 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord, met productie,
- het tussenvonnis van 10 september 2024, waarin is bepaald dat schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd,
- de conclusie van repliek, met producties,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
[gedaagde] heeft samen met de heer [naam] een lunchroom geëxploiteerd in [vestigingsplaats] . De rechtsvorm van de onderneming was een vennootschap onder firma. [gedaagde] is per 18 juni 2014 ingeschreven als vennoot bij de Kamer van Koophandel.
2.2.
[gedaagde] en [naam] hebben op 23 september 2014 een overeenkomst gesloten met Vattenfall Sales Nederland N.V. (hierna: Vattenfall) tot het leveren van stroom aan het adres van de lunchroom (hierna: de overeenkomst).
2.3.
[gedaagde] is per 31 december 2016 uitgeschreven als vennoot.
2.4.
Vattenfall stuurde de lunchroom maandelijks een factuur en jaarlijks een eindafrekening. Van deze facturen is in totaal een bedrag van € 7.443,44 onbetaald gebleven. De eerste onbetaalde factuur is gedateerd op 12 oktober 2017.
2.5.
Vattenfall heeft de lunchroom meerdere betalingsherinneringen en aanmaningen verstuurd, telkens gericht aan “ [naam vof] .” Op 1 maart 2018 heeft zij de overeenkomst beëindigd vanwege wanbetaling.
2.6.
Vattenfall heeft haar vordering uit hoofde van de overeenkomst verkocht en gecedeerd aan Intrum. Van de cessie is mededeling gedaan aan [gedaagde] .
2.7.
Intrum vordert in deze procedure dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 7.443,44 voor de onbetaalde facturen, € 281,82 aan rente en de wettelijke rente vanaf 3 november 2018. Ook vordert Intrum € 747,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.8.
[gedaagde] voert aan dat hij niets hoeft te betalen, omdat de betalingsverplichtingen zijn ontstaan nadat hij is uitgetreden als vennoot. Ook voert hij aan dat de vordering is verjaard en onvoldoende is onderbouwd.

3.De beoordeling

aansprakelijkheid uitgetreden vennoot
3.1.
Artikel 18 van Pro het Wetboek van Koophandel bepaalt dat elk van de vennoten hoofdelijk aansprakelijk is voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma. Een uitgetreden vennoot blijft in beginsel aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit verbintenissen die vóór zijn uittreden zijn aangegaan.
3.2.
In dit geval gaat het om een schuld die voortvloeit uit een energieleveringsovereenkomst die is gesloten in de periode dat [gedaagde] vennoot was. Volgens Intrum is dit een duurovereenkomst en blijft [gedaagde] aansprakelijk voor de schulden die hieruit voortvloeien. [gedaagde] is het hier niet mee eens en voert aan dat de betalingsverplichtingen pas ontstaan als de stroom wordt afgenomen. Elk jaar wordt een eindafrekening gemaakt aan de hand van het werkelijke verbruik en dan ontstaat de definitieve betalingsverplichting. Volgens hem gaat het daarom niet om een duurovereenkomst, maar kan de overeenkomst per jaar worden beschouwd als een op geld waardeerbare deelprestatie, en is het om die reden onterecht om hem aansprakelijk te stellen voor vorderingen die zijn ontstaan na zijn uittreden.
3.3.
De kantonrechter laat in het midden of het standpunt van Intrum juist is, omdat ook als dit juist is, de vorderingen van Intrum op [gedaagde] zijn verjaard, zoals hierna zal worden uiteengezet.
3.4.
[gedaagde] voert aan dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van een vennoot vervalt als de wederpartij tijdig en correct op de hoogte is gesteld van het uittreden van de vennoot, wat in dit geval is gebeurd met de uitschrijving uit het handelsregister. Ook is het volgens [gedaagde] redelijk en billijk dat zijn aansprakelijkheid is beperkt tot de periode waarin hij daadwerkelijk vennoot was. Ook dit verweer behoeft geen bespreking omdat het beroep op verjaring slaagt.
verjaring
3.5.
In dit geval geldt een verjaringstermijn van vijf jaar en dateert de oudste vordering van 12 oktober 2017. [gedaagde] voert aan dat de vorderingen zijn verjaard, omdat Intrum op 18 mei 2018 voor het eerst aanspraak heeft gemaakt op betaling en daarna pas weer op 24 juli 2023 een sommatie heeft verstuurd. Intrum heeft hier tegenin gebracht en met stukken onderbouwd dat meerdere keren is aangemaand, waaronder op 20 september 2018, en dat vervolgens weer op 17 juli 2023 is aangemaand.
3.6.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, als volgt overwogen:
“3.4.4. Een schuldeiser van de gezamenlijke vennoten kan zijn vordering zowel geldend maken tegen de gezamenlijke vennoten (‘tegen de vof’), als tegen iedere vennoot afzonderlijk. Een vennootschapscrediteur heeft aldus jegens iedere vennoot twee samenlopende vorderingsrechten: één jegens de gezamenlijke vennoten (‘jegens de vof’), dat verhaalbaar is op het afgescheiden vermogen van de vof, en één jegens de vennoot persoonlijk, dat verhaalbaar is op het privévermogen van deze vennoot. (…)”
3.7.
In dit geval waren de aanmaningen steeds gericht aan “ [naam vof] ” en de vorderingen werden dus geldend gemaakt ‘tegen de vof’. Voor de verjaring van de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] als uitgetreden vennoot is van belang of het afzonderlijke vorderingsrecht jegens hem is verjaard dan wel die verjaring tijdig is gestuit. In dit geval heeft stuiting jegens [gedaagde] niet tijdig plaatsgevonden. De vorderingen zijn ontstaan in de periode van 12 oktober 2017 tot 20 maart 2018. De aanmaningen jegens de Lunchroom kunnen na het uittreden van [gedaagde] niet geacht worden hem te hebben bereikt, maar waren bovendien niet aan hem in persoon gericht en dienden dus niet tot stuiting van de vorderingen op hem als vennoot. Door of namens Vattenfall dan wel haar rechtsopvolgers is [gedaagde] in de vijf jaar na de factuurdata van de onbetaald gebleven facturen niet tot betaling daarvan aangesproken. De vorderingen jegens [gedaagde] op basis van zijn persoonlijke aansprakelijkheid als vennoot zijn daarom verjaard.
conclusie
3.8.
Intrum kan [gedaagde] niet succesvol aanspreken tot betaling van de facturen, omdat de verjaring van de vorderingen weliswaar jegens het afgescheiden vermogen van de vennootschap is gestuit, maar de verjaring van de vorderingen jegens [gedaagde] niet, zodat deze zijn verjaard. Daarom kan ook in het midden blijven of Intrum haar vordering voldoende heeft onderbouwd.
3.9.
Intrum is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
813,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van Intrum af,
4.2.
veroordeelt Intrum in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Intrum niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt Intrum tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025.