De huurder, die een woning huurde van Woonstichting Eigen Haard, werd bij verstekvonnis veroordeeld tot betaling van een huurachterstand en ontruiming van de woning. Zij kwam in verzet omdat zij stelde dat door de ontbinding en ontruiming geen onderdak kon worden geboden aan haar vijf minderjarige kinderen, en dat Eigen Haard geen redelijk belang had bij ontbinding.
Tijdens de mondelinge behandeling erkende de huurder de huurachterstand, maar stelde dat zij een deel had betaald. Eigen Haard had echter dit bedrag niet ontvangen en de vordering verminderd met diverse betalingen en een creditnota. De kantonrechter oordeelde dat de huurachterstand ernstig genoeg was voor ontbinding, mede gelet op de duur en omvang van de achterstand en het ontbreken van een betalingsregeling.
De stelling van de huurder over het verblijf van haar kinderen in de woning was onvoldoende onderbouwd, waardoor het belang van de kinderen slechts beperkt werd meegewogen. De huurovereenkomst werd daarom per juli 2024 ontbonden en de huurder werd veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken.
De kantonrechter vernietigde het verstekvonnis gedeeltelijk voor zover het ging om de huurachterstand tot juni 2024, omdat de huurder betalingen had gedaan die deze vordering overschreden. De gebruiksvergoeding voor de periode na ontbinding werd vastgesteld op de oude huurprijs en toegewezen. De huurder werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten.